Inleiding

Deze machine is een multifunctionele zitmaaier bedoeld voor gebruik door professionele bestuurders in commerciële toepassingen. De sets zijn voornamelijk ontworpen voor de verzorging van gras van goed onderhouden gazons in parken, sportvelden en golfbanen. De machine is niet ontworpen voor het maaien van borstelig gras en andere begroeiing langs de snelweg of voor gebruik in de landbouw.

Lees deze informatie zorgvuldig door, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze moet gebruiken en onderhouden en om schade aan de machine en letsel te voorkomen. U bent verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van de machine.

Neem rechtstreeks contact op met Toro via www.toro.com voor trainingsmaterialen over productveiligheid en -bediening, informatie over accessoires, om een verdeler te zoeken of om uw product rechtstreeks te registreren.

Als u service, originele Toro onderdelen of aanvullende informatie nodig hebt, kunt u contact opnemen met een erkende servicedealer of met de klantenservice van Toro. U dient hierbij altijd het modelnummer en het serienummer van het product te vermelden. De locatie van het plaatje met het modelnummer en het serienummer van het product is aangegeven op Figuur 1. U kunt de nummers noteren in de ruimte hieronder.

g014165

Deze handleiding wijst u op mogelijke gevaren en bevat veiligheidswaarschuwingen die u kunt herkennen aan het waarschuwingspictogram (Figuur 2), dat wijst op een gevaar dat ernstig letsel of de dood kan veroorzaken indien u nalaat de voorgeschreven maatregelen te treffen.

g000502

Er worden in deze handleiding twee woorden gebruikt om uw aandacht op bijzondere informatie te vestigen. Belangrijk attendeert u op bijzondere technische informatie en Opmerking duidt algemene informatie aan die bijzondere aandacht verdient.

Dit product voldoet aan alle relevante Europese richtlijnen; zie voor details de aparte productspecifieke conformiteitsverklaring.

Waarschuwing

CALIFORNIË

Proposition 65 Waarschuwing

De uitlaatgassen van de dieselmotor van dit product bevatten bestanddelen waarvan bekend is dat ze kanker, geboorteafwijkingen of andere schade aan de voortplantingsorganen kunnen veroorzaken.

Als de machine zonder goed werkende vonkenvanger of goed onderhouden brandveilige motor wordt gebruikt in een bosgebied of op een met dicht struikgewas of gras begroeid terrein, handelt de bestuurder in strijd met de bepalingen van sectie 4442 of 4443 van de Wet op de Openbare Hulpbronnen (Public Resources Code) van de Staat Californië.

Veiligheid

Deze machine is ontworpen in overeenstemming met de EN-norm ISO 5395:2013 en B71.4-2012 van het ANSI (American National Standards Institute).

Algemene veiligheid

Dit product kan handen of voeten afsnijden en voorwerpen uitwerpen. Volg altijd alle veiligheidsinstructies op om ernstig letsel te voorkomen.

Dit product gebruiken voor andere doeleinden dan het bedoelde gebruik kan gevaarlijk zijn voor u of voor omstanders.

  • Lees deze Gebruikershandleiding en zorg ervoor dat u deze begrijpt voordat u de motor start.

  • Houd handen en voeten uit de buurt van de bewegende onderdelen van de machine.

  • Gebruik de machine enkel als de nodige schermen en andere beveiligingsmiddelen aanwezig zijn en naar behoren werken.

  • Blijf uit de buurt van afvoeropeningen. Houd omstanders en huisdieren op een veilige afstand van de machine.

  • Laat geen kinderen het werkgebied betreden. Laat kinderen nooit de machine bedienen.

  • Schakel de machine en de motor uit voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert, bijtankt of de machine vrijmaakt.

Onjuist gebruik of onderhoud van deze machine kan letsel tot gevolg hebben. Om het risico op letsel te vermijden, dient u zich aan de volgende veiligheidsinstructies te houden en altijd op het veiligheidssymbool te letten, dat betekent Voorzichtig, Waarschuwing of Gevaar – instructie voor persoonlijke veiligheid. Niet-naleving van deze instructies kan leiden tot lichamelijk of dodelijk letsel.

Waar nodig vindt u bijkomende veiligheidsinformatie in deze Gebruikershandleiding.

Veiligheids- en instructiestickers

Graphic

Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers.

decal106-2353
decal106-9206
decal112-1461
decal117-2718
decal117-3233
decal117-3270
decal117-3272
decal117-3273
decal117-3276
decal117-4766
decal120-0250
decal117-3277
decal120-0273
decal121-8378
decal125-9688
decal130-0611
decaloemmarkt
decal130-0594
decal132-6552
decal132-6553
decal132-3600
decal125-7427
decal132-3378
decalbatterysymbols
decal120-0259

Montage

De aftakas op een optioneel maaidek of QAS snelkoppelsysteem monteren

Benodigde onderdelen voor deze stap:

Aftakas1
Bout (5/16" x 1¾")4
Borgmoer (5/16")4
Rolpen (3/16" x 1½")2

Note: Het monteren van de aftakas is eenvoudiger als de machine opgeheven is.

  1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact.

    Waarschuwing

    U mag de motor niet starten en de aftakasschakelaar niet inschakelen als de aandrijfas van de aftakas niet op het maaidek is aangesloten. Als de motor wordt gestart en de aftakas gaat draaien kan dit ernstig lichamelijk letsel en schade aan de machine tot gevolg hebben. Voordat de aftakas wordt losgemaakt van het maaidek moet u de magneetklepspoel-connector van de aftakas losmaken van de kabelboom om onbedoeld inschakelen van de aftakaskoppeling te voorkomen.

  2. Maak de kabelboomconnector los van de magneetklepspoel-connector van de aftakas (Figuur 3).

    g018339
  3. Plaats de aftakas onder de voorkant van de machine. Verzeker dat het verschuifbare juk van de aftakas naar de aandrijfas van de transmissie wijst (Figuur 4).

    g018340
  4. Lijn de spievertanding en de rolpen-opening van de aftakas uit met de aandrijfas van de transmissie.

  5. Schuif het eindjuk van de aftakas op de as van de transmissie.

  6. Bevestig het eindjuk van de aftakas:

    1. Breng de rolpen aan in het eindjuk en de as.

    2. Plaats de bouten door het juk van de as.

    3. Monteer de borgmoeren en zet ze vast om het juk aan de aftakas te bevestigen.

      Note: Bewaar de resterende bouten, borgmoeren en rolpen om het andere uiteinde van de as aan de tandwielkast van het werktuig te bevestigen.

    4. Draai de borgmoeren vast met een torsie van 20 tot 25 N·m.

  7. Pers vet in de smeernippels van de aftakas.

  8. Nadat u het andere uiteinde van de as heeft aangesloten op de tandwielkast van het werktuig kunt u de kabelboomconnector aansluiten op de magneetklepspoel-connector van de aftakas (Figuur 3).

Gebruik van de optionele bevestigingsmiddelen voor het maaidek

Benodigde onderdelen voor deze stap:

Bevestigingspen2
Smeernippel2
Flenskopschroef (5/16" x ā…ž")2

Note: Deze onderdelen en procedure zijn alleen vereist als een maaidek dat bevestigingspennen nodig heeft op de tractie-eenheid wordt gemonteerd. Raadpleeg de Gebruikershandleiding van het maaidek voor montage-instructies.

Note: Als u geen maaidek op de tractie-eenheid monteert, verwijder de 4 kettingen om het maaidek op te heffen dan van de hefondersteuning, of bind ze vast.

De bandenspanning controleren

De banden worden in de fabriek opzettelijk te hard opgepompt. U moet daarom wat lucht laten ontsnappen om de luchtdruk te verminderen; zie Bandenspanning controleren.

Vloeistofniveaus controleren

  1. Controleer het peil van de hydraulische olie voordat u de motor start; zie Hydraulische vloeistof controleren.

  2. Controleer het peil van de motorolie voordat u de motor start; zie Het motoroliepeil controleren.

  3. Controleer het koelsysteem voordat u de motor start; zie Het koelsysteem controleren .

De rolbeugel verstellen

Alleen modellen met rolbeugel

Important: Doe altijd de veiligheidsgordel om als de rolbeugel omhoog is geklapt en is vergrendeld. Doe de veiligheidsgordel niet om als de rolbeugel omlaag is geklapt.

  1. Maak de R-pennen en de pennen van de rolbeugel los (Figuur 5).

  2. Klap de rolbeugel omhoog, plaats de 2 pennen en zet deze vast met de R-pennen (Figuur 5).

    Note: Om de rolbeugel omlaag te klappen, moet u deze naar voren duwen om de druk van de pennen te halen en de pennen verwijderen. Vervolgens klapt u de rolbeugel langzaam omlaag en zet u hem vast met de pennen om te voorkomen dat hij de kap beschadigt.

    g014166

Algemeen overzicht van de machine

Zorg dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen voordat u de motor start en de machine gebruikt.

Tractiepedaal

Het tractiepedaal (Figuur 6) regelt de beweging vooruit en achteruit. Om vooruit te rijden, moet u de bovenkant van het pedaal intrappen en om achteruit te rijden de onderkant van het pedaal. De rijsnelheid hangt af van hoever het pedaal wordt ingetrapt. Voor de maximale onbelaste rijsnelheid trapt u het pedaal volledig in terwijl de gashendel op SNEL staat.

Om de machine te stoppen, laat u het tractiepedaal opkomen en weer terugkeren in de middelste stand.

g197397

Rempedaal

Gebruik het rempedaal met de rempedaalvergrendeling om de parkeerrem in en uit te schakelen (Figuur 6). Om de machine te stoppen, laat u het tractiepedaal opkomen en weer terugkeren in de middelste stand. In noodgevallen kunt u de rem gebruiken ter ondersteuning om de machine te stoppen.

Parkeerrem

Om de parkeerrem in werking te stellen, moet u het rempedaal intrappen en de bovenkant naar voren drukken om dit vast te zetten (Figuur 6). Om de parkeerrem uit te schakelen, trapt u het rempedaal in totdat de vergrendeling van de parkeerrem wordt ingetrokken zonder het vergrendelingsmechanisme te raken.

Pedaal voor stuurverstelling

Om het stuur in uw richting te kantelen, moet u het pedaal intrappen, de stuurkolom naar u toe trekken in een positie die voor u het meest comfortabel is, en uw voet van het pedaal halen (Figuur 6). Om het stuur van u weg te kantelen, moet u het pedaal intrappen en loslaten wanneer het stuur de gewenste stand bereikt.

Contactschakelaar

De contactschakelaar heeft 3 standen: UIT, AAN/VOORGLOEIEN en START (Figuur 7).

g014169

Diagnoselampje

Alleen machines met vierwielaandrijving

Het diagnoselampje licht op als het systeem een storing waarneemt (Figuur 7).

Gashendel

Met de gashendel (Figuur 7) regelt u het toerental. U verhoogt het motortoerental door de gashendel vooruit te zetten naar de stand SNEL. U verlaagt het motortoerental door de gashendel naar achteren (LANGZAAM) te bewegen. Met de gashendel regelt u de snelheid van de aftakas en, in combinatie met het tractiepedaal, de rijsnelheid van de machine. Zet de gashendel altijd op SNEL als u werktuigen gebruikt.

Aftakasschakelaar

Met de aftakasschakelaar kunt u het werktuig in- en uitschakelen (Figuur 7).

Schakelaar voor besturingsselectie

Alleen machines met vierwielaandrijving

Druk de schakelaar voor de besturingsselectie achteruit om de vierwielbesturing in te schakelen en vooruit om terug te keren naar tweewielbesturing (Figuur 7).

Urenteller

De urenteller (Figuur 7) registreert het aantal uren dat de motor in bedrijf is geweest. De urenteller werkt als het contactsleuteltje op DRAAIEN staat. Gebruik deze tijden om regelmatig onderhoudswerkzaamheden te plannen.

Indicatielampje van gloeibougie (oranje lampje)

Het indicatielampje van de gloeibougie (Figuur 7) gaat branden als u het contactsleuteltje op AAN draait. Het blijft 6 seconden branden. Als het lampje dooft, kunt u de motor starten.

Waarschuwingslampje temperatuur van de motorkoelvloeistof

Dit lampje gaat branden en het werktuig stopt als de temperatuur van de motorkoelvloeistof te hoog wordt (Figuur 7). Als u de machine niet tot stilstand brengt en de temperatuur van de koelvloeistof nog eens 7 °C stijgt, zal de motor afslaan.

Important: Als het werktuig wordt uitgeschakeld en het waarschuwingslampje brandt, moet u de aftakasknop indrukken, de machine naar een veilig vlak terrein rijden, de gashendel op LANGZAAM zetten, het tractiepedaal naar de NEUTRAALSTAND laten komen en de parkeerrem in werking stellen. Laat de motor een paar minuten stationair lopen om deze te laten afkoelen tot een veilige temperatuur. Schakel de motor uit en controleer het koelsysteem; zie Het koelsysteem controleren .

Laadindicator

De laadindicator licht op indien het laadcircuit van het systeem defect is (Figuur 7).

Oliedruklampje

Het oliedruklampje (Figuur 7) licht op indien de motoroliedruk gevaarlijk laag is. Als de oliedruk te laag is, moet u de motor afzetten en nagaan wat de oorzaak is. Herstel het defect voordat u de motor weer start.

Brandstofmeter

De brandstofmeter (Figuur 8) geeft aan hoeveel brandstof er nog in de brandstoftank is.

g014170

Cabineknoppen

Alleen voor model met cabine
g198816

Luchtcirculatieregeling

Stelt de cabine in op luchtcirculatie, ofwel lucht aanzuigen van buiten de cabine (Figuur 9).

  • Stel de cabine in op luchtcirculatie als u de airconditioning gebruikt.

  • Stel de cabine in om lucht aan te zuigen van buiten als u de verwarming of ventilator gebruikt.

Ventilatorregelingsknop

Draai aan de ventilatorregelingsknop om de snelheid van de ventilator te regelen (Figuur 9).

Temperatuurregelingsknop

Draai aan de temperatuurregelingsknop om de temperatuur in de cabine te regelen (Figuur 9).

Ruitenwisserschakelaar

Gebruik deze schakelaar om de ruitenwissers van de voorruit in of uit te schakelen (Figuur 9).

Aircoschakelaar

Met deze schakelaar kunt u de airconditioning aan- en uitzetten (Figuur 9).

Voorruitvergrendeling

Til de vergrendeling op om de voorruit te openen (Figuur 10). Druk op de vergrendeling om de ruit in de geopende stand te vergrendelen. Trek de vergrendeling uit en omlaag om de ruit te sluiten en vast te zetten.

g196911

Achterruitvergrendeling

Til de vergrendeling op om de achterruit te openen. Druk op de vergrendeling om de ruit in de geopende stand te vergrendelen. Druk de vergrendeling uit en omlaag om de achterruit te sluiten en vast te zetten (Figuur 10).

Important: U moet de achterruit sluiten voordat u de motorkap opent; anders kan dit leiden tot schade.

Note: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.

g197702
BeschrijvingFiguur 11 referentieAfmetingen of gewicht
Hoogte met rolbeugel omhooggeklaptC201 cm
Hoogte met rolbeugel omlaaggeklaptG137 cm
Hoogte met cabineD225 cm
Totale lengteF276 cm
Totale breedteB147 cm
Wielbasis E155 cm
Wielloopvlak achter (midden van wiel tot midden van wiel)A112 cm
Afstand tot de grond 15 cm

Gewicht van de machine met maaidekken

 Alleen machines met rolbeugel en vierwielaandrijvingMachine met cabineMachine met rolbeugel en tweewielaandrijving
Zonder maaidek1134 kg1361 kg 1088 kg
Maaidek van 183 cm met zijafvoer1344 kg1571 kg1298 kg
Basismaaidek van 183 cm1323 kg1549 kg1276 kg
Basismaaidek van 157 cm1305 kg1532 kg1259 kg
Achterlossend maaidek van 254 cm1492 kg1719 kg1446 kg

Werktuigen/accessoires

Een selectie van door Toro goedgekeurde werktuigen en accessoires is verkrijgbaar voor gebruik met de machine om de mogelijkheden daarvan te verbeteren en uit te breiden. Neem contact op met een erkende servicedealer of distributeur of bezoek www.Toro.com voor een lijst van alle goedgekeurde werktuigen en accessoires.

Gebruiksaanwijzing

Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.

Voor gebruik

Veiligheidsinstructies voorafgaand aan het werk

Algemene veiligheid

  • Laat kinderen of personen die geen instructie hebben ontvangen, de machine nooit gebruiken of onderhoudswerkzaamheden daaraan verrichten. Plaatselijke voorschriften kunnen nadere eisen stellen aan de leeftijd van degene die met de machine werkt. De eigenaar is verantwoordelijk voor de instructie van alle bestuurders en technici.

  • Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningsorganen en de veiligheidssymbolen, en weet hoe u de machine veilig kunt gebruiken.

  • Zorg ervoor dat u weet hoe u de machine en de motor snel kunt stoppen.

  • Controleer of de dodemansknoppen, de veiligheidsschakelaars en de veiligheidsschermen zijn bevestigd en naar behoren werken. Gebruik de machine uitsluitend als deze naar behoren werkt.

  • Controleer voordat u begint te maaien altijd de machine om zeker te zijn dat de messen, de mesbouten en het maaimechanisme in goede staat zijn. Vervang versleten of beschadigde messen en bouten altijd als complete set om een goede balans te behouden.

  • Inspecteer het terrein waarop u de machine gaat gebruiken en verwijder voorwerpen die de machine kan uitwerpen.

Brandstofveiligheid

  • Wees uiterst voorzichtig bij het omgaan met brandstof. Brandstof is ontvlambaar en de dampen kunnen tot ontploffing komen.

  • Doof alle sigaretten, sigaren, pijpen en andere ontstekingsbronnen.

  • Gebruik uitsluitend een goedgekeurd vat of blik voor de brandstof.

  • Wanneer de motor loopt of heet is, mag u nooit de brandstofdop verwijderen of brandstof toevoegen.

  • Nooit brandstof tanken in een afgesloten ruimte.

  • Stal de machine of het brandstofvat nooit in de buurt van een open vuur, vonken of een waakvlam zoals die van een boiler of een ander apparaat.

  • Probeer de motor niet te starten als u brandstof hebt gemorst; voorkom elke vorm van open vuur of vonken totdat de brandstofdampen volledig zijn verdwenen.

Brandstoftank vullen

Aanbevolen brandstof

Gebruik uitsluitend schone, verse dieselbrandstof of biodiesel met een laag (<500 ppm) of ultralaag (<15 ppm) zwavelgehalte. Het cetaangetal moet minimaal 40 zijn. Koop brandstof in hoeveelheden die u binnen 180 dagen kunt gebruiken zodat u altijd verse brandstof heeft.

Inhoud brandstoftank: 51 liter

Gebruik zomerdieselbrandstof (nr. 2-D) bij temperaturen boven -7 °C en winterdieselbrandstof (nr. 1-D of nr. 1-D/2-D-mengsel) bij temperaturen beneden -7 °C. Gebruik van winterdieselbrandstof bij lage temperaturen biedt een lager vlampunt en een lager stolpunt. Dit vergemakkelijkt het starten en vermindert de kans dat het brandstoffilter verstopt raakt.

Gebruik bij temperaturen boven -7 °C zomer- in plaats van winterdieselbrandstof om de brandstofpomp langer te laten meegaan en meer vermogen te ontwikkelen.

Important: Gebruik geen kerosine of benzine in plaats van dieselbrandstof. Als u deze waarschuwing niet in acht neemt, leidt dit tot beschadiging van de motor.

Geschikt voor biodiesel

Deze machine kan ook gebruik maken van een dieselmengsel tot maximaal B20 (20% biodiesel, 80% petrodiesel). Het aandeel petrodiesel moet een ultralaag zwavelgehalte hebben. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:

  • Her deel biodiesel van de brandstof moet voldoen aan de specificatie ASTM D6751 of EN 14214.

  • Het dieselmengsel moet beantwoorden aan ASTM D975 of EN 590.

  • Biodieselmengsels kunnen gelakte oppervlakken beschadigen.

  • Gebruik B5 (biodieselinhoud 5%) of mengsels met een lager percentage in koud weer.

  • Controleer alle afdichtingen, slangen en pakkingen die in contact met brandstof komen, omdat zij na verloop van tijd hierdoor kunnen worden aangetast.

  • Nadat u bent overgestapt op een biodieselmengsel kan het brandstoffilter een tijdlang verstopt raken.

  • Neem contact op met uw leverancier als u informatie over biodiesel wenst.

Brandstof bijvullen

Note: Vul de brandstoftank na elk gebruik indien dit mogelijk is. Dit beperkt mogelijke condensvorming in de brandstoftank tot een minimum.

  1. Parkeer de machine op een vlakke ondergrond, stel de parkeerrem in werking, laat het maaidek zakken, schakel de motor uit en verwijder het contactsleuteltje uit het contact.

  2. Reinig de omgeving van de tankdop en verwijder de tankdop (Figuur 12).

    g014170

    Important: Verwijder de dop niet van de tank als de machine op een helling is geparkeerd. De brandstof kan dan uit de tank lopen.

  3. Vul de brandstoftank tot aan de onderkant van de vulbuis. Giet de brandstoftank niet te vol.

  4. Draai de tankdop stevig vast. Neem eventueel gemorste brandstof op.

De standaard bestuurdersstoel verstellen

De bestuurdersstoel verstellen

U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven. De stand van de stoel moet zo zijn dat u de machine het best kunt bedienen en dat u comfortabel zit.

  1. Om de bestuurdersstoel af te stellen, moet u de hendel zijwaarts bewegen. Hiermee ontgrendelt u de stoel (Figuur 13).

    g004478
  2. Verschuif de stoel in de gewenste stand en laat de hendel los om de stoel te vergrendelen in zijn stand.

  3. Probeer de stoel naar voren en naar achter te schuiven om te controleren of deze is vergrendeld op zijn plaats.

De stoelophanging verstellen

De stoel kan worden versteld voor een soepele en comfortabele rit. Zet de stoel in een stand die voor u het meest comfortabel is.

Om de stoel te verstellen, draait u de knop vooraan in een van beide richtingen voor de meest comfortabele positie; u mag hierbij niet op de stoel zitten (Figuur 13).

g004489

De rugleuning verstellen

U kunt de rugleuning van de stoel instellen om comfortabel te rijden. Zet de rugleuning in een positie die voor u het meest comfortabel is.

Om de rugleuning te verstellen, draait u de knop onder de rechter armsteun in een van beide richtingen om de meest comfortabele positie te verkrijgen (Figuur 13).

Lendensteun instellen

U kunt de rugleuning verstellen om de lendensteun aan te passen aan de onderkant van uw rug.

Om de rugleuning te verstellen, draait u de knop onder de linker armsteun in een van beide richtingen om de meest comfortabele positie te verkrijgen (Figuur 13).

De stoel naar voren kantelen

Om bij het hydraulische systeem en andere systemen onder de stoel te kunnen komen, moet u de stoel ontgrendelen en naar voren kantelen.

  1. Beweeg de pal van de stoel die zich links van de stoel bevindt naar achteren om de stoel te ontgrendelen en trek de bovenkant van de stoel naar voren (Figuur 15).

    g014174
  2. Om de stoel omlaag te brengen, ontgrendelt u de stoel met de hendel en beweegt u de stoel omlaag in de vergrendelde stand.

    g014265

Tijdens gebruik

Veiligheid tijdens het werk

Algemene veiligheid

  • De eigenaar/gebruiker is verantwoordelijk voor ongelukken die persoonlijk letsel of materiële schade kunnen veroorzaken, en hij dient zulke ongelukken te voorkomen.

  • Draag geschikte kleding, zoals een veiligheidsbril, gripvaste, stevige veiligheidsschoenen en gehoorbescherming. Draag lang haar niet los en draag geen juwelen.

  • Gebruik de machine niet als u ziek, moe of onder de invloed van alcohol of drugs bent.

  • Vervoer nooit passagiers op de machine en houd omstanders en huisdieren weg van de machine terwijl deze wordt gebruikt.

  • Gebruik de machine uitsluitend bij een goede zichtbaarheid zodat u kuilen en verborgen gevaren kunt vermijden.

  • Gebruik de machine niet op nat gras. Als de wielen hun grip verliezen, kan de machine gaan glijden.

  • Voordat u de motor start: zorg dat alle aandrijvingen in de neutraalstand staan, de parkeerrem in werking is gesteld en u zich in de bestuurderspositie bevindt.

  • Houd uw handen en voeten uit de buurt van de maaidekken. Blijf altijd uit de buurt van de afvoeropening.

  • Kijk achterom en omlaag voordat u achteruitrijdt om er zeker van te zijn dat de weg vrij is.

  • Wees voorzichtig bij het naderen van blinde hoeken, struiken, bomen, en andere objecten die uw zicht kunnen belemmeren.

  • Stop de maaimessen als u niet daadwerkelijk maait.

  • Stop de machine en controleer de maaimessen als u een vreemd voorwerp heeft geraakt of als de machine abnormaal begint te trillen. Voer alle noodzakelijke reparaties uit voordat u de machine weer in gebruik neemt.

  • Verminder uw snelheid en wees voorzichtig als u een bocht maakt of wegen en voetpaden oversteekt met de machine. Verleen altijd voorrang.

  • Schakel de aandrijving van de maai-eenheid uit en stop de motor voordat u de maaihoogte wijzigt (tenzij u deze kunt aanpassen vanuit de bestuurderspositie).

  • Laat de motor nooit lopen in een ruimte waar uitlaatgassen zich kunnen verzamelen.

  • Als u de machine verlaat, laat deze dan niet draaien.

  • Doe het volgende voordat u de bestuurderspositie verlaat (inclusief het legen van de grasvangers of deblokkeren van het kanaal):

    • Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    • Schakel de aftakas uit en laat de werktuigen zakken.

    • Stel de parkeerrem in werking.

    • Schakel de motor uit en verwijder het contactsleuteltje uit het contact.

    • Wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen.

  • Gebruik de machine niet als het kan bliksemen.

  • De machine niet gebruiken als sleepvoertuig.

  • Gebruik alleen door The Toro® Company goedgekeurde accessoires, werktuigen en reserveonderdelen.

Bescherming van de rolbeugel

  • Verwijder de rolbeugel niet van de machine.

  • Zorg dat u de veiligheidsgordel draagt en deze in een noodgeval snel kunt losmaken.

  • Controleer aandachtig of er obstakels zijn waar u onderdoor moet rijden, en zorg dat u ze niet raakt.

  • Houd de rolbeugel in deugdelijke staat door deze regelmatig grondig te controleren op beschadiging, en zorg dat alle bevestigingsmateriaal stevig is vastgedraaid.

  • Een beschadigde rolbeugel dient vervangen te worden. Probeer niet om deze te repareren of aan te passen.

Machines met een cabine

  • De rolbeugel is een volledige en doeltreffende veiligheidsvoorziening.

  • Een door Toro gemonteerde cabine is een rolbeugel.

  • Doe altijd de veiligheidsgordel om.

Machines met een inklapbare rolbeugel

  • Doe altijd de veiligheidsgordel om als de rolbeugel omhoog is geklapt.

  • De rolbeugel is een integrale veiligheidsvoorziening. Houd een inklapbare rolbeugel in de opgeheven en vergrendelde positie en doe de veiligheidsgordel om als u de machine gebruikt met de rolbeugel omhoog.

  • Klap een inklapbare rolbeugel slechts tijdelijk omlaag en alleen als dit noodzakelijk is. Doe de veiligheidsgordel niet om als de rolbeugel omlaag is geklapt.

  • Let op: er is geen omkantelbeveiliging als een inklapbare rolbeugel omlaag is geklapt.

  • Controleer het gebied dat u gaat maaien en klap de rolbeugel nooit omlaag op golvend terrein of gebieden met steile hellingen of waterkanten.

De machine veilig gebruiken op hellingen

  • Stel uw eigen procedures en voorschriften op voor werken op hellingen. Als onderdeel van deze procedures moet u zeker het terrein onderzoeken om na te gaan op welke hellingen u de machine veilig kunt gebruiken. Gebruik altijd uw gezond verstand en uw beoordelingsvermogen wanneer u dit onderzoek uitvoert.

  • Hellingen zijn de belangrijkste oorzaak dat de bestuurder de macht over de machine verliest en deze omkantelt. Dit kan leiden tot ernstig of dodelijke letsel. Gebruik van de machine op hellingen vereist altijd extra voorzichtigheid.

  • Vertraag de machine wanneer u zich op een helling bevindt.

  • Als u zich ongemakkelijk voelt wanneer u de machine op een helling gebruikt, maai die helling dan niet.

  • Kijk uit voor gaten, geulen, hobbels, stenen of andere verborgen objecten. De machine kan omslaan op oneffenheden in het terrein. In hoog gras zijn obstakels niet altijd zichtbaar.

  • Kies een lage rijsnelheid zodat u op een helling niet hoeft te stoppen of schakelen.

  • De machine kan omrollen voordat de wielen grip verliezen.

  • Gebruik de machine niet op een nat gazon. De wielen kunnen grip verliezen, ook als de remmen naar behoren werken.

  • Vermijd starten, stoppen of bochten maken op een helling.

  • Voer alle bewegingen op hellingen langzaam en geleidelijk uit. Verander niet plots de snelheid of rijrichting van de machine.

  • Gebruik de machine niet in de buurt van steile hellingen, greppels, oevers of water. De machine kan plotseling omslaan als een wiel over de rand komt, of als de rand instort. Zorg voor een veilige afstand tussen de machine en een gevarenzone (2 keer de breedte van de machine).

Veiligheid staat voorop

Lees alle veiligheidsinstructies in het hoofdstuk Veilige bediening. Met behulp van deze informatie kunt u voorkomen dat omstanders of uzelf letsel oplopen.

Voorzichtig

Deze machine stelt de gebruiker bloot aan geluidsniveaus van meer dan 85 dBA. Bij langdurige blootstelling kan dit leiden tot gehoorbeschadiging.

Draag gehoorbescherming als u deze machine gebruikt.

g000504

De kantelbeveiliging gebruiken – Uitsluitend modellen met rolbeugel en twee- en vierwielaandrijving

  • Houd de rolbeugel in de opgeheven en vergrendelde positie en doe de veiligheidsgordel om als u de machine gebruikt.

  • Zorg ervoor dat u de veiligheidsgordel in een noodgeval snel kunt losmaken.

  • Controleer het maaigebied en klap de kantelbeveiliging nooit omlaag op golvend terrein, steile hellingen of in de buurt van aflopende waterkanten.

Waarschuwing

Om lichamelijk of dodelijk letsel te voorkomen als de machine omkantelt: houd de rolbeugel in de omhoog geklapte en vergrendelde stand en doe de veiligheidsgordel om.

Zorg ervoor dat de stoelplaat bevestigd is met de stoelvergrendeling.

Waarschuwing

U hebt geen omkantelbeveiliging als de rolbeugel omlaag is geklapt.

  • Klap de rolbeugel uitsluitend omlaag als dit noodzakelijk is.

  • Doe de veiligheidsgordel niet om als de rolbeugel omlaag is geklapt.

  • Rij langzaam en voorzichtig.

  • Klap de rolbeugel omhoog zodra de ruimte dit toelaat.

  • Let goed op dat er voldoende ruimte boven de machine is (denk aan takken, deuropeningen, elektrische kabels) voordat u onder een object rijdt en zorg ervoor dat u dit niet raakt.

  1. Om de rolbeugel omlaag te klappen, moet u de R-pennen losmaken, de rolbeugel naar voren tegen de veren duwen en de 2 pennen verwijderen (Figuur 18).

    g014172
  2. Klap de rolbeugel omlaag (Figuur 18).

  3. Plaats de 2 pennen en zet deze vast met de R-pennen (Figuur 18).

    Important: Zorg ervoor dat de stoel bevestigd is met de stoelvergrendeling.

  4. Om de rolbeugel omhoog te klappen, moet u de R-pennen losmaken en de 2 pennen verwijderen (Figuur 18).

  5. Klap de rolbeugel omhoog, plaats de 2 pennen en zet deze vast met de R-pennen (Figuur 18).

Important: Doe altijd de veiligheidsgordel om als de rolbeugel omhoog is geklapt en is vergrendeld. Doe de veiligheidsgordel niet om als de rolbeugel omlaag is geklapt.

De motor starten en uitschakelen

Motor starten

  1. Klap de rolbeugel omhoog en zet deze vast; neem vervolgens plaats op de bestuurdersstoel en doe de veiligheidsgordel om.

  2. Zorg ervoor dat het tractiepedaal zich in de NEUTRAALSTAND bevindt.

  3. Stel de parkeerrem in werking.

  4. Zet de aftakasschakelaar in de stand UIT (Figuur 19).

    g014175
  5. Zet de gashendel halverwege tussen SNEL en LANGZAAM (Figuur 19).

  6. Draai het contactsleuteltje naar rechts op DRAAIEN (Figuur 20).

    Het indicatielampje van de gloeibougie moet 6 seconden oplichten.

    g014176
  7. Wanneer het gloeibougielampje dooft, kunt u de sleutel op START draaien. Laat het sleuteltje los zodra de motor aanslaat.

    Important: Start de motor telkens niet langer dan 15 seconden om te voorkomen dat de startmotor oververhit raakt.

    Note: Mogelijk moet u deze procedure enkele keren herhalen als u de motor voor het eerst wilt starten nadat u brandstof hebt toegevoegd aan een leeg brandstofsysteem.

  8. Houd de gashendel halverwege tussen LANGZAAM en SNEL totdat de motor en het hydraulische systeem zijn opgewarmd.

    Important: Als u de motor voor de eerste keer start, de motorolie is ververst of de motor, transmissie of wielmotor een revisiebeurt heeft gehad, moet u de machine met de gashendel op LANGZAAM 1 tot 2 minuten in zowel de vooruit- als de achteruitstand laten werken. Controleer ook de werking van de hefhendel en de aftakasschakelaar om er zeker van te zijn dat alle onderdelen naar behoren functioneren. Zet vervolgens de motor af, controleer het peil van de vloeistoffen en controleer op olielekken, losse onderdelen en andere defecten.

De motor afzetten

  1. Schakel de aftakas uit, zorg ervoor dat het tractiepedaal zich in de NEUTRAALSTAND bevindt, stel de parkeerrem in werking en zet de gashendel op LANGZAAM.

  2. Laat de motor 60 seconden stationair draaien.

  3. Draai het contactsleuteltje op UIT (Figuur 20). Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bedieningspositie verlaat.

  4. Verwijder het sleuteltje voordat u de machine vervoert of opslaat.

    Important: Verwijder het sleuteltje; de brandstofpomp of accessoires kunnen immers in werking blijven, waardoor de accu kan ontladen.

Met de machine rijden

Met de gashendel regelt u de snelheid van de motor, oftewel het toerental (in omwentelingen per minuut). Zet de gashendel op SNEL om de beste prestaties te verkrijgen. Zet de gashendel tijdens het maaien altijd op SNEL.

De machine stoppen

Om de machine te stoppen, laat u het tractiepedaal naar de NEUTRAALSTAND komen.

Stel altijd de parkeerrem in werking als u de machine verlaat. Verwijder de sleutel uit de contactschakelaar.

Het veiligheidssysteem

Voorzichtig

Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken.

  • Laat de interlockschakelaars ongemoeid.

  • Controleer elke dag de werking van de interlockschakelaars en vervang beschadigde schakelaars voordat u de machine weer in gebruik neemt.

Werking van het veiligheidssysteem

Het veiligheidssysteem is bedoeld om starten van de motor alleen mogelijk te maken wanneer:

  • de bestuurder op de stoel zit of de parkeerrem in werking is gesteld;

  • de aftakas is uitgeschakeld;

  • het tractiepedaal zich in de NEUTRAALSTAND bevindt;

  • de motortemperatuur beneden de maximale bedrijfstemperatuur is.

Het veiligheidssysteem zorgt er ook voor dat de motor wordt gestopt wanneer u de tractiehendels uit de NEUTRAALSTAND zet terwijl de parkeerrem in werking is gesteld. Als u opstaat van de stoel terwijl de aftakas is ingeschakeld, zal de motor na 1 seconde afslaan.

Het veiligheidssysteem testen

OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
Bij elk gebruik of dagelijks
  • Test het veiligheidssysteem
  • Als het veiligheidssysteem niet werkt zoals hieronder wordt beschreven, moet u het direct laten repareren door een erkende servicedealer.

    1. Neem plaats op de stoel, stel de parkeerrem in werking en schakel de aftakas IN. Probeer de motor te starten; de motor mag nu niet gaan draaien.

    2. Neem plaats op de stoel, stel de parkeerrem in werking, schakel de aftakas UIT en trap het tractiepedaal in. Probeer de motor te starten; de motor mag nu niet gaan draaien.

    3. Neem plaats op de bestuurdersstoel, stel de parkeerrem in werking, schakel de aftakas UIT en laat het tractiepedaal naar de NEUTRAALSTAND komen. Start de motor. Als de motor loopt, moet u de parkeerrem vrijzetten en de aftakas inschakelen. Kom iets overeind uit de bestuurdersstoel. De motor moet binnen 2 seconden afslaan.

    4. Verlaat de bestuurdersstoel, stel de parkeerrem in werking, schakel de aftakas UIT en zet het tractiepedaal in NEUTRAAL. Start de motor. Druk het tractiepedaal in terwijl de motor loopt; de motor moet binnen 2 seconden afslaan.

    5. Verlaat de bestuurdersstoel, schakel de parkeerrem uit, schakel de aftakas UIT en laat het tractiepedaal naar de NEUTRAALSTAND komen. Probeer de motor te starten; de motor mag nu niet gaan draaien.

    Werking van het diagnoselampje

    De machine is uitgerust met een diagnoselampje dat aangeeft dat het elektronische besturingssysteem een elektronische storing registreert. Het diagnoselampje bevindt zich op de bedieningspaneel (Figuur 21). Als het elektronische besturingssysteem correct functioneert en het contactsleuteltje in de stand AAN staat, zal het diagnoselampje van het besturingssysteem 3 seconden branden en daarna doven om aan te geven dat het lampje naar behoren werkt. Als de motor afslaat, blijft het lampje onafgebroken branden totdat het sleuteltje in een andere stand wordt gedraaid. Het lampje gaat knipperen als het besturingssysteem een elektrische storing ontdekt. Het lampje houdt op met knipperen en wordt automatisch opnieuw ingesteld als u het sleuteltje naar de stand UIT draait wanneer de storing verholpen is.

    g014333

    Als het diagnoselampje van het besturingssysteem knippert, heeft het besturingssysteem 1 van de volgende problemen ontdekt:

    • Kortsluiting in een van de outputs.

    • Open kring in een van de outputs.

    Met behulp van het diagnostische display kunt u vaststellen welke output slecht functioneert; zie De interlockschakelaars controleren.

    Als het diagnoselampje niet oplicht wanneer het contactsleuteltje op AAN staat, betekent dit dat het elektronische besturingssysteem niet werkt. Mogelijke oorzaken zijn:

    • Het lampje is doorgebrand.

    • De zekeringen zijn doorgebrand.

    • Het elektronische besturingssysteem werkt niet goed.

    Controleer de elektrische aansluitingen, ingangszekeringen en het peertje van het diagnoselampje om het defect vast te stellen. Controleer of de kringloopstekker is bevestigd aan de stekker van de kabelboom.

    Display van Diagnostische ACE

    De machine is uitgerust met een elektronisch besturingssysteem dat de meeste functies van de machine regelt. Het besturingssysteem bepaalt welke functie nodig is voor de verschillende inputschakelaars (bv. stoelschakelaar en contactschakelaar) en schakelt de outputs in om de solenoïdes of relais voor de vereiste functie van de machine te bekrachtigen.

    Om ervoor te zorgen dat het elektronische besturingssysteem de machine bestuurt zoals wordt vereist, moeten de solenoïdes en relais van de outputs zijn aangesloten en correct functioneren.

    Gebruik de diagnostische ACE displaytool en overlay om de elektrische functies van de machine te controleren en te herstellen. Neem contact op met uw Toro-dealer als u hulp nodig hebt.

    De interlockschakelaars controleren

    De veiligheidsschakelaars zorgen ervoor dat de motor alleen aanslaat en start als het koppelingspedaal in de NEUTRAALSTAND staat en de vermogenaftakas uitgeschakeld is. De motor moet afslaan als u het tractiepedaal intrapt terwijl u niet op de stoel zit of als de parkeerrem in werking is gesteld.

    Voorzichtig

    Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken.

    • Laat de interlockschakelaars ongemoeid.

    • Controleer elke dag de werking van de interlockschakelaars en vervang beschadigde schakelaars voordat u de machine weer in gebruik neemt.

    Controle of de interlockschakelaars functioneren

    1. Plaats de machine op een horizontaal vlak, laat het werktuig neer, zet de motor af en stel de parkeerrem in werking.

    2. Zet de stoel omhoog.

    3. Zoek de kabelboom en de kabelstekkers bij het besturingssysteem (Figuur 22).

      g018321
    4. Koppel de stekker van de Diagnostische ACE-tool aan op de diagnoseaansluiting (Figuur 23).

      Note: Zorg ervoor dat de juiste overlay-sticker op het display van de Diagnostische ACE is geplaatst.

      g004140
    5. Draai het contactsleuteltje op AAN, maar start de motor niet.

      Note: De rode tekst op de overlay-sticker heeft betrekking op de inputschakelaars en de groene tekst op de outputs.

    6. De LED 'inputs getoond' op de kolom rechtsonder op de Diagnostische ACE moet oplichten. Als de LED 'outputs getoond' oplicht, moet u de tuimelschakelaar op de Diagnostische ACE indrukken om 'inputs getoond' te laten oplichten.

      De Diagnostische ACE zal de LED laten oplichten die hoort bij de inputschakelaar die u sluit.

    7. Laat elke schakelaar afzonderlijk van de open naar de gesloten stand gaan (d.w.z. neem plaats op de stoel, trap het tractiepedaal in, enz.) en controleer of de juiste LED op de Diagnostische ACE gaat knipperen wanneer u de corresponderende schakelaar sluit. Herhaal deze procedure bij elke schakelaar die u handmatig van de open in de gesloten stand kunt zetten.

    8. Als de schakelaar wordt gesloten zonder dat de bijbehorende LED gaat branden, moet u alle kabels en aansluitingen naar de schakelaar controleren en/of de schakelaar doormeten met een weerstandsmeter. Vervang schakelaars die niet goed werken en repareer defecte kabels.

    Note: De Diagnostische ACE kan ook ontdekken welke solenoïdes of relais van de outputs zijn ingeschakeld. Op deze manier kunt u snel nagaan wat de oorzaak van een storing is.

    Controle van de outputfunctie

    1. Plaats de machine op een horizontaal vlak, laat het werktuig neer, zet de motor af en stel de parkeerrem in werking.

    2. Zet de stoel omhoog.

    3. Zoek de kabelboom en de kabelstekkers bij het besturingssysteem.

    4. Trek de kringloopstekker voorzichtig uit de connector van de kabelboom.

    5. Bevestig de stekker van de Diagnostische ACE aan de juiste stekker van de kabelboom. Als de machine met een frontwerktuig is uitgerust, is er sprake van 2 regelinrichtingen.

      Note: Zorg ervoor dat de juiste overlay-sticker op de Diagnostische ACE is geplaatst.

    6. Draai het contactsleuteltje op AAN, maar start de motor niet.

      Note: De rode tekst op de overlay-sticker heeft betrekking op de inputschakelaars en de groene tekst op de outputs.

    7. De LED 'inputs getoond' op de kolom rechtsonder op de Diagnostische ACE moet oplichten. Als de LED 'outputs getoond' oplicht, moet u de tuimelschakelaar op de Diagnostische ACE indrukken om 'inputs getoond' te laten oplichten.

      Note: Mogelijk moet u de LEDs 'inputs getoond' en 'outputs getoond' enige malen beurtelings laten oplichten om de volgende stap uit te voeren. Om de LED's beurtelings te laten oplichten, drukt u de tuimelschakelaar nog een keer in. Doe dit zo vaak als nodig is; hou de schakelaar niet ingedrukt.

    8. Neem plaats op de stoel en probeer de gewenste functie van de machine. Als de juiste output-LED gaan branden, duidt dit erop dat de ECM die functie inschakelt.

    Note: Als de juiste output-LEDs niet branden,moet u controleren of de vereiste inputschakelaars in de stand zijn gezet die nodig is om deze functie in te schakelen. Controleer of de schakelaar correct functioneert.

    Als de output-LEDs branden zoals is gespecificeerd, maar de machine niet naar behoren werkt, duidt dit op een defect dat niet van elektrische aard is; voer de nodige reparaties uit.

    Note: Als een outputschakelaar in de juiste stand staat en naar behoren functioneert, maar de output-LED's niet correct branden, duidt dit op een probleem in de ECM. In dit geval dient u contact op te nemen met uw Toro-dealer voor hulp.

    Important: Laat het display van de Diagnostische ACE niet op de machine zitten. Het display is niet bestand tegen de omstandigheden waarin de machine elke dag wordt gebruikt. Als u klaar bent met de Diagnostische ACE, moet u deze losmaken van de machine en de kringloopstekker weer bevestigen aan de stekker van de kabelboom. De machine werkt niet als de kringloopstekker niet op de kabelboom zit. Bewaar de Diagnostische ACE op een droge veilige plek in de werkplaats, niet op de machine.

    Een maaidek of werktuig bedienen

    Optioneel

    Het maaidek/werktuig opheffen en neerlaten

    Met de hefschakelaar kunt u het maaidek/werktuig opheffen en neerlaten (Figuur 24). De motor moet lopen om deze schakelaar te kunnen bedienen.

    g014177
    • Om het maaidek/werktuig neer te laten, duwt u de schakelaar naar voren.

    • Om het maaidek/werktuig op te heffen, drukt u de schakelaar naar achteren.

    Important: U mag de schakelaar niet achteruit blijven houden als het maaidek/werktuig volledig omhooggekomen is. Anders zal het hydraulische systeem schade oplopen.

    Note: Om het maaidek/werktuig te vergrendelen in de opgeheven positie, moet u het maaidek boven de maaihoogtestand van 15 cm opheffen, de aanslagpen voor de maaihoogte verwijderen en de pen in de 15 cm stand plaatsen; zie Maaihoogte instellen.

    De aftakas inschakelen

    Met de aftakasschakelaar kunt u de maaimessen en verschillende aangedreven werktuigen in- en uitschakelen.

    1. Een koude motor moet u 5 tot 10 minuten warm laten worden voordat u de aftakas inschakelt.

    2. Ga op de stoel zitten, zorg ervoor dat het tractiepedaal zich in de NEUTRAALSTAND bevindt en dat de motor op vol gas ingesteld is.

    3. Trek de aftakasschakelaar omhoog om de aftakas in te schakelen (Figuur 25).

      g014178

    Aftakas uitschakelen

    Om de aftakas uit te schakelen, zet u de aftakasschakelaar op UIT.

    Maaihoogte instellen

    De maaihoogte kan worden ingesteld van 2,5 tot 15,8 cm in stappen van 6 mm door de aanslagpen in verschillende openingen te plaatsen.

    1. Laat de motor lopen, druk de hefschakelaar naar achteren totdat het maaidek volledig is opgeheven, en laat de schakelaar dan onmiddellijk los (Figuur 26).

    2. Draai de aanslagpen totdat de stomp ervan op één lijn staat met de gleuven in de openingen in de maaihoogtebeugel, en verwijder deze (Figuur 26).

    3. Kies de opening in de maaihoogtebeugel die correspondeert met de gewenste maaihoogtestand, en steek de pen daarin (Figuur 26).

      Note: Er zijn 4 rijen met openingen (Figuur 26). In de bovenste rij vindt u de maaihoogte die staat aangegeven boven de pen. De tweede rij is voor de aangegeven maaihoogte plus 6 mm. De derde rij is voor de aangegeven maaihoogte plus 12 mm. De onderste rij is voor de aangegeven maaihoogte plus 18 mm. Voor de stand van 15,8 cm is er slechts 1 opening, die zich in de tweede rij bevindt. Hiermee wordt de stand van 15,8 cm niet verhoogd met 6 mm.

      g014263
    4. Stel de antiscalpeerrollen en glijders naar wens af.

    De besturingsmodus selecteren

    Alleen machines met vierwielaandrijving

    Voor de beste maaiprestatie en minimale schade aan het gras moet u de machine altijd met vierwielbesturing gebruiken. U kunt de machine overschakelen op tweewielbesturing voor transport op wegen en paden.

    g014390

    Van vierwielbesturing naar tweewielbesturing schakelen

    Druk de schakelaar voor de besturingsselectie (Figuur 27) naar voren. Als de wielen niet voorwaarts gecentreerd zijn, gaat het groene licht knipperen en blijft de machine in vierwielbesturing tot de vier banden recht vooruit gericht zijn. U moet het stuur langzaam draaien om de wielen recht te brengen tot het groene licht stopt met knipperen en aan blijft. Als het licht van de schakelaar ononderbroken groen blijft, staat de machine op tweewielbesturing.

    Note: Als u het stuur te snel draait kan de uitlijning van de besturing verlopen.

    Van tweewielbesturing naar vierwielbesturing schakelen

    Druk de schakelaar voor de besturingsselectie (Figuur 27) naar achteren. Als de wielen niet voorwaarts gecentreerd zijn, gaat het groene licht knipperen en blijft de machine in tweewielbesturing tot de vier banden recht vooruit gericht zijn. U moet het stuur langzaam draaien om de wielen recht te brengen tot het groene licht stopt met knipperen en uit blijft. Als het licht van de schakelaar ononderbroken uit blijft, staat de machine op vierwielbesturing.

    Note: Als u het stuur te snel draait kan de uitlijning van de besturing verlopen.

    Note: Als de uitlijning van de besturing verlopen is na herhaald omschakelen van tweewielbesturing naar vierwielbesturing zie dan Corrigeren van het verlopen van de uitlijning van de besturing .

    Tips voor bediening en gebruik

    SNEL-stand gashendel/Rijsnelheid

    Om tijdens het maaien genoeg vermogen voor de machine en het maaidek te behouden, moet u de gashendel op SNEL zetten en uw rijsnelheid aanpassen aan de omstandigheden. Verlaag de rijsnelheid als de belasting van de maaimessen verhoogt; verhoog de rijsnelheid als de belasting van de messen verlaagt.

    Maairichting

    Maai afwisselend in verschillende richtingen om te voorkomen dat er na verloop van tijd voren op de grasmat ontstaan. Dit zorgt ook voor een betere verspreiding van het maaisel, wat de vertering en bemesting ten goede komt.

    Maaisnelheid

    Om de maairesultaten te verbeteren, moet u maaien bij een lagere rijsnelheid.

    Gras niet te kort afmaaien

    Als de maaibreedte van het maaidek groter is dan die van het maaidek dat u voorheen gebruikte, zet u de maaihoogte één stand hoger. Hierdoor voorkomt u dat oneffenheden te kort worden afgemaaid.

    Kies de juiste maaihoogte-instelling voor de omstandigheden

    Verwijder bij het maaien ongeveer 25 mm of niet meer dan ā…“ van de grassprieten. Bij zeer welig en dicht gras moet u misschien de snelheid aanpassen en/of de maaihoogte-instelling een stap omhoog zetten.

    Important: Als u meer dan 1/3 van de grassprieten maait, of met dun lang gras of in droge omstandigheden werkt, gebruik dan messen met een platte vleugel om rondvliegend kaf en vuil te verminderen en de druk op de maaiaandrijving te matigen.

    Lang gras

    Als u het gras iets langer dan normaal hebt laten groeien of als het een hoog vochtgehalte heeft, moet u de maaihoogte hoger dan normaal instellen en het gras op deze hoogte maaien. Maai het gras daarna op de lagere, normale hoogte.

    Houd de maaier schoon

    Verwijder na elk gebruik maaisel en vuil van de onderkant van het maaidek. Als zich gras en vuil in het maaidek verzamelt, leidt dat uiteindelijk tot een onbevredigend maairesultaat.

    Houd de motor, geluiddemper, accubehuizing, parkeerrem, maaidekken en de brandstofopslagplaats vrij van overtollig vet, gras en bladeren om het risico op brand te verminderen. Neem gemorste olie of brandstof meteen op.

    Onderhoud van maaimessen

    Zorg gedurende het hele maaiseizoen voor een scherp maaimes. Een scherp mes snijdt het gras goed af zonder het te scheuren of te rafelen. Door scheuren en rafelen wordt het gras bruin aan de randen, waardoor het langzamer groeit en gevoeliger is voor ziekten. Controleer elke dag of de maaimessen scherp zijn en of ze versleten of beschadigd zijn. Slijp de messen indien dit nodig is. Als een mes beschadigd of versleten is, moet u het onmiddellijk vervangen door een origineel Toro-mes. Zie Onderhoud van maaimessen.

    Na gebruik

    Veiligheid na het werk

    • Verwijder gras en vuil van de maai-eenheden, de geluiddempers en het motorcompartiment om brand te voorkomen. Veeg gemorste olie en brandstof op.

    • Als de maaidekken in de transportstand staan, breng dan een positieve mechanische vergrendeling aan (indien voorhanden) voordat u de machine onbeheerd achterlaat.

    • Laat de motor afkoelen voordat u de machine in een afgesloten ruimte stalt.

    • Zorg ervoor dat de brandstofafsluitklep is gesloten voordat u de machine stalt of transporteert.

    • Stal de machine of het brandstofvat nooit in de buurt van een open vuur, vonken of een waakvlam zoals die van een boiler of een ander apparaat.

    • Zorg ervoor dat alle onderdelen van de machine in goede staat verkeren en alle bevestigingselementen stevig vastzitten, in het bijzonder de bevestigingen van maaimessen.

    • Vervang versleten of beschadigde stickers.

    Machine met de hand duwen

    Als de machine stilvalt of afslaat wegens brandstofgebrek moet u de machine mogelijk duwen. Dan moet u eerst de beide hydraulische omloopkleppen openen.

    Important: Duw de machine altijd met de hand en nooit over lange afstanden. Sleep de machine nooit; dit kan schade aan het hydraulische systeem veroorzaken.

    De machine duwen

    1. Schakel de aftakas uit, draai het sleuteltje op UIT en stel de parkeerrem in werking.

    2. Verwijder de sleutel uit de contactschakelaar. U moet de beide hydraulische omloopkleppen openen.

    3. Til de stoel omhoog.

    4. Draai de omloopkleppen 1 slag naar links (Figuur 28).

      Note: Hierdoor kan de hydraulische vloeistof langs de pomp worden geleid zodat de wielen kunnen draaien.

      Important: Draai de omloopkleppen niet meer dan 1 slag. Dit voorkomt dat de kleppen uit de behuizing vallen en de vloeistof naar buiten stroomt.

    5. Zet de parkeerrem vrij voordat u de machine gaat duwen.

    Machine in bedrijf stellen

    1. Draai de omloopkleppen 1 slag naar rechts en draai ze met de hand vast (Figuur 28).

      Note: Draai de omloopkleppen niet te vast.

    2. Draai de kleppen vast met een torsie van ongeveer 8 N·m; zie Figuur 28.

    Note: De machine rijdt alleen als de omloopkleppen zijn ingedraaid.

    g014270

    De machine transporteren

    • Wees voorzichtig als u de machine inlaadt op een aanhanger of een vrachtwagen of uitlaadt.

    • Gebruik een oprijplaat van volledige breedte bij het laden van de machine op een aanhanger of vrachtwagen.

    • Zet de machine goed vast met spanbanden, kettingen, kabels of touwen. Zowel de voorste als de achterste spanband moet naar beneden en naar de buitenkant van de machine lopen.

    De bevestigingspunten bepalen

    Er zitten bevestigingspunten op de voorzijde en achterzijde van de machine (Figuur 29).

    Note: Gebruik in de vier hoeken banden met de juiste specificaties en CE-merk om de machine vast te binden.

    • Twee aan de voorzijde van het bestuurdersplatform

    • Achterwiel

    g014264

    Onderhoud

    Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.

    Aanbevolen onderhoudsschema

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 10 bedrijfsuren
  • Controleer de spanning van de riem van de wisselstroomdynamo.
  • Controleren van de spanning van de riem van de airconditioning-compressor.
  • Wielmoeren aandraaien.
  • Na de eerste 50 bedrijfsuren
  • Motorolie verversen en filter vervangen.
  • Na de eerste 200 bedrijfsuren
  • Ververs de hydraulische vloeistof en vervang de filter.
  • Bij elk gebruik of dagelijks
  • Test het veiligheidssysteem
  • Oliepeil controleren.
  • Koelvloeistofpeil controleren.
  • Radiateur met perslucht reinigen (geen water gebruiken).Onder zeer stoffige en vuile omstandigheden moet de radiateur vaker gereinigd worden.
  • Het peil van de hydraulische vloeistof controleren.
  • Maak het werktuig schoon.
  • Om de 50 bedrijfsuren
  • Vet in de smeernippels van de lagers en lagerbussen spuiten.Spuit vaker vet in de smeernippels van de lagers en lagerbussen bij stoffige of vuile omstandigheden.
  • Controleer de aansluitingen van de accukabels.
  • De bandenspanning controleren.
  • Reinigen van de condensor (spoel) van de airconditioning. Reinig de condensor (spoel) van de airconditioning vaker onder erg stoffige of vuile omstandigheden.
  • Om de 100 bedrijfsuren
  • Controleer de spanning van de riem van de wisselstroomdynamo.
  • Controleren van de spanning van de riem van de airconditioning-compressor.
  • Om de 150 bedrijfsuren
  • Motorolie verversen en filter vervangen.
  • Om de 200 bedrijfsuren
  • Slangen en afdichtingen van koelsysteem controleren. Vervangen als deze gebarsten of gescheurd zijn.
  • Wielmoeren aandraaien.
  • Om de 250 bedrijfsuren
  • Reinig de luchtfilters in de cabine.Reinig de luchtfilters in de cabine en vervang ze als ze gescheurd of heel erg vuil zijn.
  • Om de 400 bedrijfsuren
  • Luchtfilter onderhoudsbeurt geven. (Geef het luchtfilter een onderhoudsbeurt wanneer de luchtfilterindicator rood is. Dit moet vaker gebeuren in uiterst stoffige of vuile omstandigheden).
  • Brandstoffilterbus vervangen.
  • De brandstofleidingen en aansluitingen controleren.
  • Om de 800 bedrijfsuren
  • Ververs de hydraulische vloeistof en vervang de filter.
  • De motorklepspeling controleren. Raadpleeg de gebruikershandleiding van de motor.
  • Om de 1500 bedrijfsuren
  • Vervang loszittende slangen.
  • Om de 2 jaar
  • Brandstoftank aftappen en reinigen.
  • Koelsysteem schoonspoelen en koelvloeistof vervangen.
  • Important: Raadpleeg de Gebruikershandleiding van de motor voor verdere onderhoudsprocedures. Daarnaast is een uitvoerige onderhoudshandleiding verkrijgbaar bij een erkende Toro-dealer.

    Note: Om een elektrisch of hydraulisch schema van uw machine te verkrijgen, kunt u terecht op www.Toro.com.

    Controlelijst Dagelijks Onderhoud

    Kopieer deze pagina ten behoeve van gebruik bij routinecontroles.

    Gecontroleerde itemVoor week van:
    maandagdinsdagwoensdagdonderdagvrijdagzaterdagzondag
    Werking van interlockschakelaars controleren.       
    Werking van de remmen controleren.       
    Motoroliepeil controleren.       
    Peil van de koelvloeistof controleren.       
    Brandstoffilter/waterafscheider aftappen.       
    Luchtfilter, stofkap en ontluchtingsventiel controleren.       
    Controleren of motor ongewone geluiden maakt.2       
    Radiateur en scherm controleren op vuil       
    Controleren op ongewone geluiden tijdens het gebruik.       
    Het oliepeil van het hydraulische systeem controleren.       
    Hydraulische slangen en leidingen op schade controleren.       
    Controleren op lekkages.       
    Brandstofpeil controleren.       
    De bandenspanning controleren.       
    Werking van instrumenten controleren.       
    Maaihoogte-instelling controleren.       
    Alle smeernippels smeren.2       
    Beschadigde lak bijwerken.       
    Indicator voor verstopping in luchtfilter controleren3       

    1Controleer de gloeibougie en de spuitmonden van de injector als de machine moeilijk start of buitensporig veel rook afgeeft, of als de motor ongelijkmatig loopt.

    2 Onmiddellijk na elke wasbeurt, ongeacht het voorgeschreven interval

    3Als de indicator rood is

    Aantekening voor speciale aandachtsgebieden:

    Controle uitgevoerd door:
    ItemDatumInformatie
       
       
       
       
       
       

    Voorzichtig

    Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen.

    Verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert.

    decal120-0259

    Procedures voorafgaande aan onderhoud

    Veiligheidmaatregelen voor onderhoudswerkzaamheden

    • Doe het volgende voordat u de machine gaat afstellen, schoonmaken of repareren:

      • Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

      • Zet de gashendel op stationair – laag.

      • Schakel de maaidekken uit.

      • Breng de maaidekken omlaag.

      • Zorg dat de tracie in neutraal staat.

      • Stel de parkeerrem in werking.

      • Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

      • Wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen.

      • Laat de onderdelen van de machine afkoelen voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert.

    • Als de maaidekken in de transportstand staan, breng dan een positieve mechanische vergrendeling aan (indien voorhanden) voordat u de machine onbeheerd achterlaat.

    • Voer indien mogelijk geen onderhoudswerkzaamheden uit als de motor draait. Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen.

    • Plaats de machine of onderdelen ervan op assteunen indien dit nodig is.

    • Haal voorzichtig de druk van onderdelen met opgeslagen energie.

    De machine klaar maken voor onderhoud

    1. Zorg ervoor dat de aftakas is uitgeschakeld.

    2. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    3. Stel de parkeerrem in werking.

    4. Laat indien nodig maaidek(ken) zakken.

    5. Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand gekomen zijn.

    6. Draai het contactsleuteltje naar de stand STOP en haal het sleuteltje uit het contact.

    7. Laat de onderdelen van de machine afkoelen voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert.

    De steunstang van de motorkap gebruiken

    1. Ontgrendel de motorkap.

    2. Til de motorkap omhoog tot u de steun achter de buis van het frame kunt plaatsen (Figuur 31).

    3. Laat de motorkap zakken tot de steunstang zich voor de buis van het frame bevindt en ertegen rust.

    4. Om de motorkap omlaag te brengen, tilt u deze eerst op tot u de stang boven de buis van het frame kunt tillen. Laat vervolgens de motorkap zakken.

    5. Maak de sluitingen van de motorkap vast.

      g015806

    Smering

    Lagers en lagerbussen smeren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 50 bedrijfsuren
  • Vet in de smeernippels van de lagers en lagerbussen spuiten.Spuit vaker vet in de smeernippels van de lagers en lagerbussen bij stoffige of vuile omstandigheden.
  • De machine is voorzien van smeerpunten die u regelmatig moet smeren met nr. 2 lithium vet. Pomp vet in de smeernippels onmiddellijk na elke wasbeurt, ongeacht het voorgeschreven interval.

    1. Veeg de smeernippels schoon zodat er geen ongerechtigheden kunnen binnendringen in het lager of de lagerbus (Figuur 33).

    2. Spuit het vet in de nippels.

    3. Veeg overtollig vet weg.

    g197547

    Note: Om bij de smeernippels van de achterste stuurkoppeling te komen, dient u het opslagcompartiment te verwijderen.

    Note: Krik de machine van de grond en ondersteun ze met kriksteunen om het vet beter in zowel de hoge als de lage lagerbussen van de koppelpen te laten lopen. Het vet moet zowel boven- als onderaan uit de asgietstukken/-lagerbussen van alle vier de koppelpennen komen (Figuur 34).

    g026734

    Note: De levensduur van lagers kan worden bekort door verkeerde wasmethoden. Was de machine niet als deze nog heet is en richt een hogedruk- of hogevolumespuit nooit op de lagers of pakkingen.

    Onderhoud motor

    Veiligheid van de motor

    • U moet de motor afzetten voordat u het oliepeil controleert of het carter bijvult met olie.

    • Verander de snelheid van de toerenregelaar niet en laat de motor het maximale toerental niet overschrijden.

    Onderhoud van het luchtfilter

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 400 bedrijfsuren
  • Luchtfilter onderhoudsbeurt geven. (Geef het luchtfilter een onderhoudsbeurt wanneer de luchtfilterindicator rood is. Dit moet vaker gebeuren in uiterst stoffige of vuile omstandigheden).
  • Controleer de luchtfilterbehuizing op schade die een luchtlek kan veroorzaken. Vervang een beschadigd luchtfilter. Controleer het gehele luchtinlaatsysteem op lekken, beschadiging of losse slangklemmen.

    Geef het luchtfilter uitsluitend een onderhoudsbeurt als de onderhoudsindicator (Figuur 34) dit aangeeft. Als u het luchtfilter vervangt voordat dit nodig is, wordt alleen maar de kans vergroot dat er vuil in de motor komt als u het filter verwijdert.

    Important: Zorg ervoor dat het deksel goed vastzit en de luchtfilterbehuizing helemaal afsluit.

    1. Maak de sluiting los waarmee het deksel van het luchtfilter is bevestigd aan het luchtfilterhuis (Figuur 34).

      g014183
    2. Verwijder het deksel van de luchtfilterbehuizing. Voordat u het filter verwijdert, moet u met schone en droge perslucht onder lage druk (2,76 bar) grote hoeveelheden aangekoekt vuil verwijderen dat tussen de buitenkant van het filter en de filterbus zit. Gebruik geen perslucht onder hoge druk, omdat hierdoor vuil via the filter in het inlaatkanaal kan worden geblazen.

      Note: Deze reiniging voorkomt dat er vuil in de inlaat terechtkomt als u het filter verwijdert.

    3. Verwijder en vervang het filter.

      Important: Reinig nooit een gebruikt element omdat dit kan leiden tot beschadiging van de filtermedia. Inspecteer het nieuwe filter op transportschade en controleer het uiteinde van het filter (dit moet goed aansluiten) en de filterbehuizing. Een beschadigd element mag niet worden gebruikt. Plaats het nieuwe filter door de buitenring van het element aan te drukken om dit vast te zetten in de filterbus. Druk niet op het flexibele middendeel van het filter.

    4. Reinig de opening van de vuiluitlaat in het afneembare deksel.

    5. Verwijder de rubberen uitlaatklep van het deksel, maak de holte schoon en plaats de klep terug.

    6. Monteer het deksel met de rubberen uitlaatklep naar beneden gericht, in een stand tussen ongeveer 5 tot 7 uur gezien vanaf het uiteinde.

    7. Maak de sluiting vast.

    Het motoroliepeil controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Oliepeil controleren.
  • Het carter van de motor is in de fabriek gevuld met olie; het oliepeil moet echter worden gecontroleerd voor- en nadat u de motor voor de eerste keer start.

    De carterinhoud is ongeveer 5,2 liter met filter.

    Gebruik hoogwaardige motorolie die voldoet aan de volgende specificaties:

    • Vereiste onderhoudsclassificatie van API: CH-4, CI-4 of hoger.

    • Aanbevolen olie: SAE 15W-40 (boven -18 °C)

    • Alternatieve olie: SAE 10W-30 of 5W-30 (voor alle temperaturen)

    Toro Premium motorolie is verkrijgbaar bij uw dealer met een viscositeit van 15W-40 of 10W-30.

    1. Voer de voorbereiding voor het onderhoud uit, zie De machine klaar maken voor onderhoud.

    2. Open de motorkap.

    3. Verwijder de peilstok en veeg deze schoon. Plaats daarna de peilstok weer terug (Figuur 35).

      g014916
    4. Haal de peilstok eruit en controleer het oliepeil. Het oliepeil moet tot aan de FULL-markering staan.

    5. Als het oliepeil beneden de VOL-markering staat, verwijdert u de vuldop (Figuur 35) en vult u bij met olie totdat het oliepeil de VOL-markering op de peilstok bereikt. Niet te vol vullen.

      Important: Zorg ervoor dat het oliepeil tussen de markeringen voor het minimum- en het maximumpeil op de peilstok staat. De motor kan defect raken als er te veel of te weinig olie in het carter is terwijl de motor draait.

    6. Plaats de vuldop en sluit de kap.

    Motorolie verversen en filter vervangen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 50 bedrijfsuren
  • Motorolie verversen en filter vervangen.
  • Om de 150 bedrijfsuren
  • Motorolie verversen en filter vervangen.
    1. Verwijder de aftapplug (Figuur 36) en laat de olie in een opvangbak lopen.

      g014185
    2. Als er geen olie meer naar buiten stroomt, plaatst u de aftapplug terug.

    3. Verwijder het oliefilter (Figuur 36).

    4. Smeer een dun laagje schone olie op de pakking van het nieuwe filter.

    5. Plaats het nieuwe filter op het filtertussenstuk. Draai het oliefilter rechtsom totdat de rubberen pakking contact maakt met het filtertussenstuk. Draai het filter vervolgens nog eens ½ slag.

      Important: Draai het filter niet te vast.

    6. Het carter met olie vullen, zie Het motoroliepeil controleren.

    De gashendel afstellen

    1. Beweeg de gashendel vooruit naar de voorkant van de opening van het besturingspaneel en vervolgens ongeveer 3 mm terug naar de vrijloopstand SNEL.

    2. Controleer de stand van de toerenregelaar op de brandstofinjectiepomp. De toerenregelaar moet contact maken met de schroef die het toerental begrenst als de gashendel zich in de (vergrendelde) stand SNEL bevindt (Figuur 37).

      g014391
    3. Indien nodig kunt u de stand van de kabelborgmoeren van de gashendel zo aanpassen dat de toerenregelaar contact maakt met de schroef die het toerental begrenst wanneer de gashendel zich in de (vergrendelde) stand SNEL bevindt (Figuur 37).

    4. Zorg ervoor dat de kabelborgmoeren na de afstelling volledig vastgedraaid worden.

    Onderhoud brandstofsysteem

    Note: Zie Aanbevolen brandstof voor de aanbevolen brandstof

    Gevaar

    In bepaalde omstandigheden zijn dieselbrandstof en brandstofdampen uiterst ontvlambaar en explosief. Brand of explosie van brandstof kan brandwonden of materiële schade veroorzaken.

    • Gebruik een trechter of tuit; brandstof uitsluitend in de open lucht bij een afgezette of koude motor bijvullen. Eventueel gemorste brandstof opnemen.

    • Vul de brandstoftank niet helemaal. Vul de brandstoftank tot aan de onderkant van de vulbuis.

    • Rook nooit als u aan het werken bent met benzine en blijf uit de buurt van open vuur of plaatsen waar de kans bestaat dat benzinedampen door een vonk kunnen ontbranden.

    • Bewaar de brandstof in schone, veilige en goedgekeurde containers en zorg dat de dop op zijn plaats blijft.

    Onderhoud van de waterafscheider

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 400 bedrijfsuren
  • Brandstoffilterbus vervangen.
  • Verwijder dagelijks het water of ander vuil uit de waterafscheider (Figuur 38).

    1. Plaats een schone opvangbak onder het brandstoffilter.

    2. Draai de aftapplug onder de filterbus los (Figuur 38).

      g014392
    3. Reinig de omgeving van de plaats waar de filterbus wordt gemonteerd.

    4. Verwijder de filterbus en reinig de plaats waar deze wordt gemonteerd.

    5. Smeer schone olie op de pakking van de filterbus.

    6. Monteer de filterbus met de hand totdat de pakking contact maakt en draai deze vervolgens nog een halve slag verder.

    7. Draai de aftapplug onder de filterbus vast.

    Het brandstofsysteem ontluchten

    U moet het brandstofsysteem ontluchten voordat u de motor start, indien zich één van de volgende situaties heeft voorgedaan:

    • Eerste keer starten van een nieuwe machine

    • De motor is gestopt omdat de brandstof op was.

    • Er zijn onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd aan onderdelen van het brandstofsysteem; bijvoorbeeld er is een nieuw filter gemonteerd, de waterafscheider heeft een onderhoudsbeurt gekregen, enz.)

    1. Voer de voorbereiding van het onderhoud uit; zie Bandenspanning controleren en controleer of de brandstoftank minstens halfvol is.

    2. Open de motorkap en zet deze vast met de steunstang.

    3. Draai de ontluchtschroef op de brandstofinjectiepomp open (Figuur 39) met een sleutel van 12 mm.

      g003993
    4. Draai het contactsleuteltje naar de stand AAN. De elektrische brandstofpomp begint te werken. Hierbij komt er lucht bij de ontluchtschroef naar buiten. Laat het sleuteltje op AAN staan totdat er een volle straal brandstof bij de schroef naar buiten komt.

    5. Zet de ontluchtschroef weer vast en draai het sleuteltje op UIT.

    Note: De motor zou moeten starten wanneer u deze procedure uitgevoerd hebt. Indien de motor echter niet start, kan er lucht tussen de injectiepomp en de injectors zitten; zie Brandstofinjectors ontluchten.

    Brandstofinjectors ontluchten

    Note: Deze procedure mag uitsluitend worden toegepast als het brandstofsysteem is ontlucht met behulp van de normale ontluchtingsprocedures en de motor niet start; zie Het brandstofsysteem ontluchten.

    1. Draai de leidingconnector naar spuitstuk Nr. 1 en de houder los (Figuur 40).

      g003973
    2. Draai het sleuteltje op AAN en bekijk hoe de brandstof om de connector stroomt. Draai het sleuteltje op UIT wanneer u een ononderbroken straal brandstof ziet.

    3. Draai de leidingconnector goed vast.

    4. Herhaal stappen 1 tot en met 3 voor de andere mondstukken.

    Brandstoftank reinigen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 2 jaar
  • Brandstoftank aftappen en reinigen.
  • De brandstoftank moet om de 2 jaar worden afgetapt en gereinigd. Verwijder en reinig ook de inline-zeven nadat u de tank hebt afgetapt. Gebruik schone dieselbrandstof om de tank uit te spoelen.

    Important: Tap de tank af en reinig deze als het brandstofsysteem vervuild raakt of wanneer u de machine voor langere tijd gaat stallen.

    Brandstofleidingen en aansluitingen controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 400 bedrijfsuren
  • De brandstofleidingen en aansluitingen controleren.
  • Inspecteer de brandstofleidingen op slijtage, beschadigingen, afgeschuurde plekken of loszittende verbindingen.

    Onderhoud elektrisch systeem

    Veiligheid van het elektrisch systeem

    • Koppel de accu af voordat u reparaties aan de machine verricht. Maak eerst de minpool van de accu los en daarna de pluspool. Bevestig eerst de pluspool van de accu en daarna de minpool.

    • Laad de accu op in een open, goed geventileerde ruimte, uit de buurt van vonken en open vuur. Haal de oplader uit het stopcontact voordat u de accu aan- of loskoppelt. Draag beschermende kleding en gebruik geïsoleerd gereedschap.

    Waarschuwing

    Accuklemmen, accupolen en dergelijke onderdelen bevatten lood en loodverbindingen. Van deze stoffen is bekend dat ze kanker en schade aan de voortplantingsorganen veroorzaken. Was altijd uw handen nadat u met deze onderdelen in aanraking bent geweest.

    Onderhoud van de accu

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 50 bedrijfsuren
  • Controleer de aansluitingen van de accukabels.
  • Houd de bovenkant van de accu goed schoon. Indien de machine wordt opgeslagen in een zeer hete omgeving, zal de accu sneller ontladen dan wanneer de machine in een koele omgeving wordt opgeslagen.

    Houd de bovenkant van de accu schoon door deze af en toe te reinigen met een borstel die in een oplossing van ammoniak of natriumbicarbonaat is gedompeld. Spoel de bovenkant na het reinigen af met water. Verwijder nooit de vuldoppen als u de accu reinigt.

    De accukabels moeten stevig op de accupolen zitten zodat ze goed contact maken.

    Als er op de accupolen corrosie ontstaat, moet u de kabels losmaken, de min (-) kabel eerst, en de klemmen en polen afzonderlijk schoonkrabben. Zet de kabels vast, de plus (+) kabel eerst, en smeer de accupolen in met vaseline.

    Waarschuwing

    Accupolen of metalen gereedschappen kunnen kortsluiting maken met metalen onderdelen van de machine, waardoor vonken kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen en lichamelijk letsel veroorzaken.

    • Zorg ervoor dat bij het verwijderen of installeren van de accu de accupolen niet in aanraking komen met metalen onderdelen van de machine.

    • Voorkom dat metalen gereedschappen kortsluiting veroorzaken tussen de accupolen en metalen onderdelen van de machine.

    Opslag van de accu

    Als u de machine langer dan 30 dagen stalt, moet u de accu verwijderen en volledig opladen. U moet de accu apart opslaan of in de machine laten zitten. De accukabels mogen niet aangesloten zijn op de accu als u deze in het voertuig laat zitten. Sla de accu op in een koele omgeving om te voorkomen dat de accu snel ontlaadt. Om te voorkomen dat de accu bevriest, moet deze volledig zijn opgeladen. Het soortelijk gewicht van een volledig opgeladen batterij is 1,265-1,299.

    Zekeringen controleren

    Als de machine stopt of als er andere problemen met het elektrische systeem zijn, moet u de zekeringen controleren. Haal telkens één zekering eruit en controleer of deze is doorgebrand. Als u een zekering moet vervangen, dient u altijd een zekering van hetzelfde type en hetzelfde ampère te plaatsen als de zekering die u vervangt, omdat anders schade aan het elektrische systeem kan ontstaan (op de sticker naast de zekeringen vindt u een schema waarop elke zekering met het vereiste ampère staat aangegeven).

    De zekeringen van de tractie-eenheid bevinden zich onder de stoel (Figuur 41).

    g014186

    De cabinezekeringen bevinden zich in de zekeringdoos op de cabineheadliner (Figuur 42).

    g028467

    Onderhoud aandrijfsysteem

    Bandenspanning controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 50 bedrijfsuren
  • De bandenspanning controleren.
  • Zorg ervoor dat de voor- en achterbanden de voorgeschreven spanning hebben. De correcte spanning is 1,72 bar in de achterbanden en 1,03 bar in de voorbanden. Als de machine over een cabine beschikt, dienen zowel de voor- als de achterbanden opgepompt te worden tot 1,72 bar. Een ongelijke bandenspanning kan leiden tot onregelmatige maairesultaten. De bandenspanning kan het best bij koude banden worden gecontroleerd.

    g001055

    Corrigeren van het verlopen van de uitlijning van de besturing

    1. Druk de schakelaar voor de besturingsselectie (Figuur 44) naar achteren voor vierwielbesturing.

      g014390
    2. Op een verharde of aarden ondergrond draait u het stuur naar links of rechts en blijft u draaien tot alle vier de wielen stoppen met draaien. De wieluitlijning zou nu automatisch gesynchroniseerd moeten worden.

      Important: Als u deze procedure uitvoert op gras, zou dat kunnen leiden tot beschadiging van het gras onder de draaiende banden.

    Onderhoud koelsysteem

    Veiligheid van het koelsysteem

    • Motorkoelvloeistof inslikken kan vergiftiging veroorzaken; buiten het bereik van kinderen en huisdieren houden.

    • Als u hete, onder druk staande koelvloeistof over u heen krijgt of in aanraking komt met een hete radiateur of omliggende delen, kunt u ernstige brandwonden oplopen.

      • Laat de motor altijd minstens 15 minuten afkoelen voordat u de radiateurdop losdraait.

      • Gebruik een doek als u de radiateurdop verwijdert en draai de dop langzaam open om de stoom te laten ontsnappen.

    Het koelsysteem controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Koelvloeistofpeil controleren.
  • Gevaar

    Een draaiende ventilator of een draaiende aandrijfas kan letsel veroorzaken.

    • Gebruik de machine nooit zonder dat de kappen zijn geplaatst.

    • Houd uw vingers, handen en kleding uit de buurt van draaiende ventilatoren en drijfriemen.

    • Zet de motor af en verwijder het contactsleuteltje alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.

    Het koelsysteem bevat een oplossing die half uit water, half uit permanente ethyleenglycol-antivries bestaat. Controleer elke dag vóór het starten van de motor het koelvloeistofpeil in de expansietank. De inhoud van het koelsysteem is 7,5 liter.

    1. Controleer het koelvloeistofpeil in de expansietank (Figuur 45). Het koelvloeistofpeil behoort tussen de markeringen op de zijkant van de tank te staan.

    2. Als het koelvloeistofpeil te laag staat, verwijdert u de dop van de expansietank en vult u het systeem bij. Niet te vol vullen.

    3. Plaats de dop van de expansietank terug.

      g014268

    Radiateur reinigen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Radiateur met perslucht reinigen (geen water gebruiken).Onder zeer stoffige en vuile omstandigheden moet de radiateur vaker gereinigd worden.
  • Om de 200 bedrijfsuren
  • Slangen en afdichtingen van koelsysteem controleren. Vervangen als deze gebarsten of gescheurd zijn.
  • Om de 1500 bedrijfsuren
  • Vervang loszittende slangen.
  • Om de 2 jaar
  • Koelsysteem schoonspoelen en koelvloeistof vervangen.
  • Reinig de radiateur om te voorkomen dat de motor oververhit raakt.

    Note: Als het maaidek of de motor wordt uitgeschakeld ten gevolge van oververhitting moet u eerst controleren of er een buitensporig grote hoeveelheid aangekoekt vuil op de ventilator van de radiateur zit.

    1. Open de motorkap en zet vast met de steunstang.

    2. Draai de flensmoer los die het reinigingsdeksel aan de onderkant van het achterframe houdt (Figuur 46). Draai het deksel naar de zijkant zodat het reinigingsgat in het frame zichtbaar is.

      g014515
    3. Reinig de radiateur met perslucht onder lage druk (3,45 bar). Doe dit vanaf de ventilatorzijde van de radiateur (geen water gebruiken). Reinig vervolgens op dezelfde manier vanaf de voorkant van de radiateur, opnieuw vanaf de ventilatorzijde.

    4. Nadat de radiateur grondig is gereinigd verwijdert u vuil uit het kanaal onderaan de radiateur en rond het frame.

    5. Reinig het motorcompartiment en de verbindingsstang van de rem.

    6. Sluit het reinigingsdeksel en zet de flensmoer vast.

    7. Sluit de motorkap.

    Onderhouden remmen

    De bedrijfsremmen afstellen

    Stel de bedrijfsremmen af als de rempedalen meer dan 25 mm 'speling' hebben of als de remmen niet naar behoren functioneren. Met speling wordt de afstand bedoeld die het rempedaal wordt ingetrapt voordat er remweerstand wordt gevoeld.

    Note: Gebruik de speling van de wielmotor om de trommels heen en weer te bewegen om te controleren of deze voor en na het afstellen vrij kunnen bewegen.

    1. Om de speling op de rempedalen te verkleinen, draait u de remmen vast. Draai hiervoor de voorste moer op het draadeinde van de remkabel los (Figuur 47).

      g011616
    2. Draai de achterste moer vast om de kabel naar achteren te halen totdat de rempedalen 1,27 tot 1,9 cm speling hebben voordat de wielen blokkeren.

    3. Draai de voorste moeren aan en controleer of beide kabels de remmen gelijktijdig in werking stellen.

    Parkeerrem afstellen

    Als u de parkeerrem niet kunt inschakelen, moet u de pal van de rem afstellen.

    1. Draai de 2 schroeven los waarmee de pal van de parkeerrem is bevestigd aan het frame (Figuur 48).

      g011617
    2. Trap het pedaal van de parkeerrem naar voren totdat de remvergrendeling de rempal geheel vastgrijpt (Figuur 48).

    3. Draai de 2 schroeven vast om de afstelling te borgen.

    4. Trap op het rempedaal om de parkeerrem vrij te zetten.

    5. Controleer de afstelling en stel nogmaals af indien dit nodig is.

    Onderhoud riemen

    Riem van wisselstroomdynamo controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 10 bedrijfsuren
  • Controleer de spanning van de riem van de wisselstroomdynamo.
  • Om de 100 bedrijfsuren
  • Controleer de spanning van de riem van de wisselstroomdynamo.
    1. Open de motorkap en zet vast met de steunstang.

    2. Controleer de spanning van de riem van de wisselstroomdynamo door deze (Figuur 49) midden tussen de poelies van de wisselstroomdynamo en de krukas in te drukken met een kracht van 10 kg.

      g014188

      De riem moet een speling van 11 mm hebben. Als de speling niet correct is, gaat u verder met stap. In geval van een correcte speling bent u klaar met de procedure.

    3. Draai de bout los waarmee de beugel aan de alternator (Figuur 49) en de scharnierbout van de alternator is bevestigd.

    4. Plaats een rolkoevoet tussen de wisselstroomdynamo en de motor en wrik de wisselstroomdynamo los.

    5. Als de juiste spanning is verkregen, draait u de wisselstroomdynamo, de beugel en de ankerbouten vast om de afstelling te borgen.

    Onderhoud bedieningsysteem

    De tractie-aandrijving afstellen voor de neutraalstand

    Note: Als de hydraulische vloeistof, tractiemotoren of slangen van de machine onlangs vervangen zijn, dient u lucht die in het systeem gevangen zit te verwijderen voordat u deze procedure uitvoert. Dit doet u door de machine gedurende enkele minuten in vooruit en achteruit te gebruiken en nadien de vloeistof zoals vereist bij te vullen.

    Note: De machine mag op een vlakke ondergrond niet kruipen als u het tractiepedaal loslaat.

    1. Plaats de machine op een horizontaal vlak, stel de parkeerrem in werking, laat de maai-eenheid neer en zet de motor af.

    2. Krik de achterkant van de machine op tot de achterbanden vrijkomen van de vloer van de werkplaats. Ondersteun de machine met assteunen om te voorkomen dat de machine valt.

      Note: Bij modellen met vierwielaandrijving moeten ook de voorwielen vrijkomen van de grond en ondersteund worden door assteunen.

      Waarschuwing

      De motor moet lopen opdat u deze afstelling kunt uitvoeren. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken.

      Houd uw gezicht, handen, voeten en andere lichaamsdelen uit de buurt van hete delen van de motor en draaiende onderdelen.

    3. Start de motor, stel de gashendel in op LANGZAAM en controleer in welke richting de achterwielen draaien.

      Important: Zorg ervoor dat het tractiepedaal zich in de NEUTRALE stand bevindt.

      • Als de linkerachterband draait, draait u de borgmoeren van de regelstang van de transmissie aan de linkerkant losser (Figuur 50).

        Note: Het voorste uiteinde van de regelstang heeft linkse draad. De achterkant van de stang, die verbonden is met de transmissie, heeft rechtse draad.

        g026002
      • Als de linkerachterband achteruit draait, verlengt u de stang door deze langzaam tegen de wijzers van de klok in (gezien van de voorkant) te draaien tot de linkerachterband stopt met draaien of deze lichtjes achteruit draait.

      • Als de linkerachterband vooruit draait, verkort u de stang door deze langzaam met de wijzers van de klok mee (van de voorkant gezien) te draaien tot de linkerachterband stopt met draaien.

    4. Zet de gashendel op SNEL. Controleer of het wiel nog steeds niet beweegt of minimaal achteruit kruipt. Indien nodig afstellen.

    5. Draai de contramoeren vast.

    6. Ga indien nodig op dezelfde manier te werk voor de rechterachterband. Gebruik hiervoor de regelstang van de transmissie aan de rechterkant.

    7. Zet de motor af, haal de assteunen weg en laat de machine neer op de grond.

    8. Maak een proefrit met de machine om er zeker van te zijn dat deze niet kruipt.

    Maximumsnelheid instellen

    1. Schakel de aftakas uit, laat het tractiepedaal naar de NEUTRAALSTAND komen en stel de parkeerrem in werking.

    2. Zet de gashendel op LANGZAAM, schakel de motor uit, verwijder het sleuteltje uit het contact en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat.

    3. Draai de contramoer op de aanslagbout voor het tractiepedaal los (Figuur 51).

      g014893
    4. Draai de aanslagbout helemaal in (van het tractiepedaal weg).

    5. Druk met de hand het tractiepedaal helemaal naar voren. Oefen lichte druk uit tot het pedaal stopt en houd het in die positie vast.

      Note: Druk niet te hard op het pedaal als u het naar helemaal naar voor duwt.

    6. Controleer met de stoel omhooggeklapt of u de koppeling niet overbelast: verzeker u ervan dat de transmissie niet beweegt wanneer u het pedaal tot aan de stop induwt.

    7. Draai de aanslagbout losser (in de richting van het tractiepedaal) totdat de afstand tussen de kop van de aanslagbout en de onderkant van het tractiepedaal 1,5 mm is.

    8. Draai de contramoer vast om de aanslagbout vast te zetten.

    9. Om de snelheid in achteruit aan te passen, kunt u de aanslagbout voor achteruit verstellen. Wilt u de snelheid in achteruit verhogen, draai dan de aanslagbout vaster. Om trager achteruit te rijden, draait u de bout losser.

    Onderhoud hydraulisch systeem

    Het reservoir is in de fabriek gevuld met ongeveer 17 liter hoogwaardige transmissie-/hydraulische vloeistof voor tractoren. Aanbevolen wordt het reservoir bij te vullen met de volgende hydraulische vloeistof:

     Toro Premium Transmission/hydraulische tractorvloeistof (verkrijgbaar in emmers van 19 liter of vaten van 208 liter. Raadpleeg de onderdelencatalogus of uw Toro-dealer voor de onderdeelnummers.)

    Andere vloeistoffen: Als er geen Toro-vloeistof verkrijgbaar is, kunt u Mobil® 424 hydraulische vloeistof gebruiken.

    Note: Toro aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade die wordt veroorzaakt door gebruik van verkeerde vervangende vloeistoffen.

    Note: Veel hydraulische vloeistoffen zijn bijna kleurloos, zodat het moeilijk is lekkages op te sporen. Er is een rode kleurstof voor de vloeistof in het hydraulisch systeem verkrijgbaar in flesjes van 20 ml. Een flesje is voldoende voor 15 tot 22 liter hydraulische vloeistof. U kunt deze kleurstof bestellen bij een erkende Toro-dealer (onderdeelnr. 44-2500).

    Veiligheid van het hydraulische systeem

    • Controleer of alle hydraulische slangen en leidingen in goede staat verkeren en alle hydraulische aansluitingen en fittings stevig vastzitten voordat u druk zet op het hydraulische systeem.

    • Houd lichaam en handen uit de buurt van kleine lekgaten of spuitmonden waaruit onder hoge druk hydraulische vloeistof ontsnapt.

    • U kunt lekken in het hydraulische systeem opsporen met behulp van karton of papier.

    • Hef alle druk in het hydraulische systeem op veilige wijze op, voordat u werkzaamheden gaat verrichten aan het hydraulische systeem.

    • Waarschuw onmiddellijk een arts als er hydraulische vloeistof is geïnjecteerd in de huid. Geïnjecteerde vloeistof moet binnen enkele uren operatief worden verwijderd door een arts.

    Hydraulische vloeistof controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Het peil van de hydraulische vloeistof controleren.
    1. Parkeer de machine op een vlakke ondergrond, stel de parkeerrem in werking, laat het maaidek zakken, schakel de motor uit en verwijder het contactsleuteltje uit het contact.

    2. Laat het tractiepedaal naar de NEUTRAALSTAND komen en start de motor. Laat de motor lopen bij het laagst mogelijk toerental om alle lucht uit het systeem te verwijderen. Schakel de aftakas niet in.

    3. Hef het maaidek op om de hefcilinders naar buiten te schuiven, zet de motor af en verwijder het sleuteltje.

    4. Verwijder de vuldop voor hydraulische vloeistof (Figuur 52) van de vulbuis.

    5. Verwijder de peilstok en veeg deze af met een schone doek (Figuur 52).

    6. Schroef de peilstok helemaal in de vulbuis, haal hem er vervolgens weer uit en controleer het vloeistofpeil (Figuur 52).

      Als het peil niet tussen de markeringen op de peilstok staat, moet u hoogwaardige hydraulische vloeistof bijvullen totdat het peil binnen die markeringen komt te staan. Niet te vol vullen.

    7. Plaats de peilstok terug en schroef de vuldop met de hand vast op de vulbuis.

    8. Controleer alle slangen en aansluitingen op lekkages.

      g014190

    Hydraulische vloeistof verversen en de filter vervangen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 200 bedrijfsuren
  • Ververs de hydraulische vloeistof en vervang de filter.
  • Om de 800 bedrijfsuren
  • Ververs de hydraulische vloeistof en vervang de filter.
    1. Schakel de aftakas uit, laat het tractiepedaal naar de NEUTRAALSTAND komen en stel de parkeerrem in werking.

    2. Zet de gashendel in de stand LANGZAAM, schakel de motor uit, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat.

    3. Plaats een grote bak onder het hydraulische reservoir en de versnellingsbak en verwijder de aftappluggen om alle hydraulische vloeistof weg te laten lopen (Figuur 53).

      g014393
    4. Reinig de omgeving van het hydraulische vloeistoffilter en verwijder het (Figuur 53).

    5. Monteer direct een nieuw hydraulisch vloeistoffilter.

    6. Plaats de aftappluggen van het hydraulische reservoir en de versnellingsbak terug.

    7. Vul het reservoir tot het correcte niveau (ongeveer 17 liter); zie Hydraulische vloeistof controleren.

    8. Start de motor en controleer op olielekkages. Laat de motor ongeveer 5 minuten lopen en zet deze daarna af.

    9. Controleer na 2 minuten het peil van de hydraulische vloeistof; zie Hydraulische vloeistof controleren.

    Onderhoud van de cabine

    Het sproeiervloeistofreservoir monteren

    1. Voer de voorbereiding voor het onderhoud uit, zie De machine klaar maken voor onderhoud.

    2. Open de motorkap en zoek het sproeiervloeistofreservoir (Figuur 54).

      g028438
    3. Vul het reservoir indien nodig met sproeiervloeistof.

    4. Sluit de motorkap.

    Reinigen van de luchtfilters in de cabine

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 250 bedrijfsuren
  • Reinig de luchtfilters in de cabine.Reinig de luchtfilters in de cabine en vervang ze als ze gescheurd of heel erg vuil zijn.
    1. Verwijder de schroeven en de roosters van boven de luchtfilters in en achter de cabine (Figuur 55).

      g028378
      g028379
    2. Reinig de filters door er schone, olievrije perslucht door te blazen.

      Important: Als er in een filter een gat, scheur of andere beschadiging zit, moet deze worden vervangen.

    3. Installeer de filters en het rooster en zet ze vast met de duimschroeven.

    Reinigen van de condensor (spoel) van de airconditioning

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 50 bedrijfsuren
  • Reinigen van de condensor (spoel) van de airconditioning. Reinig de condensor (spoel) van de airconditioning vaker onder erg stoffige of vuile omstandigheden.
    1. Voer de voorbereiding voor het onderhoud uit, zie De machine klaar maken voor onderhoud.

    2. Trek de 4 nokken van het scherm van de airconditioning uit (Figuur 57) en verwijder het scherm van de bovenkant van de cabine.

      g033067
    3. Maak de connector en kabel van de ventilators los (Figuur 58).

      g033068
    4. Verwijder de 2 knoppen waarmee het ventilatorpaneel en de ventilators zijn bevestigd in de cabine (Figuur 58) en verwijder deze eenheid.

    5. Reinig het scherm, de airconditioning-kanalen, ventilators en ventilatorpaneel met lucht onder lage druk, niet meer dan 2,76 bar.

      Important: Maak de condensor niet schoon met water omdat vocht op deze onderdelen vuil en stof aantrekt, en het reinigen van de onderdelen bemoeilijkt.

    6. Monteer het ventilatorpaneel en de ventilators in de cabine met de 2 knoppen die u in stap 4 heeft verwijderd.

    7. Sluit de ventilatorkabel weer aan, u heeft deze losgemaakt in stap 3.

    8. Monteer het scherm van de airconditioning in de opening aan de bovenkant van de cabine en zet deze vast met de 4 nokken.

    Reiniging

    De cabine reinigen

    Important: Wees voorzichting in de buurt van de afdichtingen en verlichting van de cabine (Figuur 59). Als u een hogedrukreiniger gebruikt, hou de spuitstok dan minstens 0,6 m van de machine vandaan. Richt de hogedrukreiniger niet rechtstreeks op de afdichtingen en verlichting van de cabine of onder de overhang aan de achterzijde.

    g034330

    Afvalverwijdering

    Motorolie, accu's, hydraulische vloeistof en motorkoelvloeistof verontreinigen het milieu. Verwijder deze stoffen volgens de plaatselijke voorschriften.

    Stalling

    Onderhoud van de motor

    1. Tap de motorolie af uit het carter en plaats de aftapplug weer terug.

    2. Verwijder het oliefilter en gooi het weg. Plaats een nieuw filter.

    3. Vul de motor met ongeveer 3,8 liter van de aanbevolen motorolie; zie Motorolie verversen en filter vervangen.

    4. Start de motor en laat deze 2 minuten stationair lopen.

    5. Tap de dieselbrandstof af uit de brandstoftank, de brandstofleidingen, de pomp, het filter en de waterafscheider. Spoel de brandstoftank om met schone dieselbrandstof en sluit alle brandstofleidingen aan.

    6. Zorg ervoor dat het luchtfilter grondig wordt gereinigd en een onderhoudsbeurt krijgt.

    7. Plak de luchtfilterinlaat en de uitlaat af met weerbestendige afplakband.

    8. Controleer de olievuldop en de tankdop om er zeker van te zijn dat deze goed vastzitten.

    Onderhoud van de machine

    1. Reinig de machine, het werktuig en de motor grondig en let daarbij speciaal op de volgende punten:

      • Radiateur en radiateurscherm

      • Onder het werktuig

      • Onder de kappen van het werktuig

      • Aftakas

      • Alle smeernippels en draaipunten

      • Achter het bedieningspaneel en in de bedieningskast

      • Ruimte onder de stoelplaat en de bovenkant van de transmissie

    2. Controleer de bandenspanning, stel deze indien nodig bij, zie Bandenspanning controleren.

    3. Verwijder, slijp en balanceer de messen van het maaidek. Monteer de messen en draai de bevestigingen van de messen vast met een torsie van 115 tot 149 Nāˆ™m.

    4. Controleer of alle bevestigingen vastzitten; zet ze vast indien nodig.

    5. Smeer of olie alle smeernippels, draaipunten en de pennen van de omloopklep van de transmissie. Neem overtollig vet op.

    6. Plaatsen waar de lak is bekrast, beschadigd of geroest, moeten licht geschuurd en bijgewerkt worden. Eventuele deuken in de metalen carrosserie uitdeuken.

    7. Verricht de volgende onderhoudswerkzaamheden aan de accu en de kabels:

      1. Haal de accuklemmen los van de accupolen.

      2. Reinig de accu, de klemmen en de polen met behulp van een staalborstel en een oplossing van zuiveringszout (natriumbicarbonaat).

      3. Smeer een dun laagje Grafo 112X-vet (Toro onderdeelnr. 505-47) of petrolatum op de kabelklemmen en de accupolen om corrosie te voorkomen.

      4. Laad de accu om de 60 dagen gedurende 24 uur langzaam op om loodsulfatie van de accu te voorkomen.