Inleiding

Deze machine is een zitmaaier met draaiende messen bedoeld voor gebruik door professionele bestuurders in commerciële toepassingen. De machine is voornamelijk ontworpen voor het maaien van gras van goed onderhouden gazons in parken, sportvelden en golfbanen. De machine is niet ontworpen voor het maaien van lage struiken, het maaien van gras en andere begroeiing langs de snelweg, of voor gebruik in de landbouw.

Lees deze informatie zorgvuldig door, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze moet gebruiken en onderhouden en om schade aan de machine en letsel te voorkomen. U bent verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van de machine.

Neem rechtstreeks contact op met Toro via www.toro.com voor trainingsmaterialen over productveiligheid en -bediening, informatie over accessoires, om een verdeler te zoeken of om uw product rechtstreeks te registreren.

Als u service, originele Toro onderdelen of aanvullende informatie nodig hebt, kunt u contact opnemen met een erkende servicedealer of met de klantenservice van Toro. U dient hierbij altijd het modelnummer en het serienummer van het product te vermelden. Het model- en serienummer bevinden zich op een plaatje dat zich links op het frame onder de voetsteun bevindt. U kunt de nummers noteren in de ruimte hieronder.

Deze handleiding wijst u op mogelijke gevaren en bevat veiligheidswaarschuwingen die u kunt herkennen aan het waarschuwingspictogram (Figuur 1), dat wijst op een gevaar dat ernstig letsel of de dood kan veroorzaken indien u nalaat de voorgeschreven maatregelen te treffen.

g000502

Er worden in deze handleiding twee woorden gebruikt om uw aandacht op bijzondere informatie te vestigen. Belangrijk attendeert u op bijzondere technische informatie en Opmerking duidt algemene informatie aan die bijzondere aandacht verdient.

Dit product voldoet aan alle relevante Europese richtlijnen; zie voor details de aparte productspecifieke conformiteitsverklaring.

Waarschuwing

CALIFORNIË

Proposition 65 Waarschuwing

De uitlaatgassen van de dieselmotor van dit product bevatten bestanddelen waarvan bekend is dat ze kanker, geboorteafwijkingen of andere schade aan de voortplantingsorganen kunnen veroorzaken.

Als de machine zonder goed werkende vonkenvanger of goed onderhouden brandveilige motor wordt gebruikt in een bosgebied of op een met dicht struikgewas of gras begroeid terrein, handelt de bestuurder in strijd met de bepalingen van sectie 4442 of 4443 van de Wet op de Openbare Hulpbronnen (Public Resources Code) van de Staat Californië.

Veiligheid

Deze machine is ontworpen in overeenstemming met de EN-norm ISO 5395:2013 en B71.4-2012 van het ANSI (American National Standards Institute).

Algemene veiligheid

Dit product kan handen of voeten afsnijden en voorwerpen uitwerpen. Volg altijd alle veiligheidsinstructies op om ernstig letsel te voorkomen.

Dit product gebruiken voor andere doeleinden dan het bedoelde gebruik kan gevaarlijk zijn voor u of voor omstanders.

  • Lees deze Gebruikershandleiding en zorg ervoor dat u deze begrijpt voordat u de motor start. Zorg ervoor dat alle gebruikers van dit product weten hoe het te gebruiken en dat ze de waarschuwingen begrijpen.

  • Houd handen en voeten uit de buurt van de bewegende onderdelen van de machine.

  • Gebruik de machine enkel als de nodige schermen en andere beveiligingsmiddelen aanwezig zijn en naar behoren werken.

  • Blijf uit de buurt van afvoeropeningen. Houd omstanders op een veilige afstand van de machine.

  • Laat geen kinderen het werkgebied betreden. Laat kinderen nooit de machine bedienen.

  • Schakel de machine en de motor uit voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert, bijtankt of de machine vrijmaakt.

Onjuist gebruik of onderhoud van deze machine kan letsel tot gevolg hebben. Om het risico op letsel te vermijden, dient u zich aan de volgende veiligheidsinstructies te houden en altijd op het veiligheidssymbool te letten, dat betekent Voorzichtig, Waarschuwing of Gevaar – instructie voor persoonlijke veiligheid. Niet-naleving van deze instructies kan leiden tot lichamelijk of dodelijk letsel.

In de relevante onderdelen in deze handleiding vindt u bijkomende veiligheidsinformatie.

Geluidsniveau

Deze machine heeft een geluidsniveau van 105 dBA met een onzekerheidswaarde (K) van 1 dBA.

Het geluidsniveau werd bepaald volgens de procedures in EN 11094.

Geluidsdruk

Deze machine oefent een geluidsdruk van 93 dBA uit op het gehoor van de bestuurder (met een onzekerheidswaarde (K) van 1 dBA).

De geluidsdruk is vastgesteld volgens de procedures in EN ISO 5395:2013.

Voorzichtig

Langdurige blootstelling aan lawaai tijdens het gebruik van de machine kan leiden tot gehoorverlies.

Draag geschikte gehoorbescherming als u de machine langere tijd gebruikt.

Trillingsniveau

Hand-arm

Gemeten trillingsniveau voor de rechterhand = 2,1 m/s2

Gemeten trillingsniveau voor de linkerhand = 2,4 m/s2

Onzekerheidswaarde (K) = 1,18 m/s2

De gemeten waarden zijn bepaald volgens de procedures in EN ISO 5395:2013.

Gehele lichaam

Gemeten trillingsniveau = 0,9 m/s2

Onzekerheidswaarde (K) = 0,45 m/s2

De gemeten waarden zijn bepaald volgens de procedures in EN ISO 5395:2013.

Veiligheids- en instructiestickers

Graphic

Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers.

decal93-6681
decal93-6689
decal93-7272
decal93-7818
decal106-6754
decal106-6755
decal110-0986
decal110-8921
decal117-2718
decal117-0169
decal117-4764
decal120-4158
decalbatterysymbols
decal125-8754
decal125-2927
decal104-1086
decal133-2930
decal133-2931

Montage

Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.

De stand van de bedieningsarm aanpassen

U kunt de stand van de bedieningsarm aanpassen voor uw comfort.

  1. Draai de 2 bouten los waarmee de bedieningsarm is vastgezet aan de bevestigingsbeugel (Figuur 2).

    g031681
  2. Draai de bedieningsarm in de gewenste positie en zet de 2 bouten weer vast.

De transportblokken en -pennen verwijderen

  1. Verwijder de transportblokken uit de maaidekken en werp de blokken weg.

  2. Verwijder de transportpennen uit de armen van de maaidekken en werp de pennen weg.

    Note: De transportpennen stabiliseren de maaidekken tijdens het transport; verwijder de pennen voordat u de machine in gebruik neemt.

De rolschrapers afstellen (optioneel)

De optionele achterrolschraper werkt het beste bij een gelijkmatige opening van 0,5 tot 1 mm tussen de schraper en de rol.

  1. Draai de smeernippel en de montageschroef los (Figuur 3).

    g011346
  2. Schuif de schraper omhoog of omlaag tot er een opening van 0,5 tot 1 mm is tussen de stang en de rol.

  3. Bevestig de smeernippels en schroef deze vast met 41 Nāˆ™m. Schroef beide onderdelen om de beurt steeds een klein stukje verder vast.

De mulchplaat installeren (optioneel)

  1. Zorg dat er zich geen vuil bevindt in de montage-openingen van de achterwand en linkerzijwand van de kamer.

  2. Plaats de mulchplaat in de achteropening en bevestig deze met 5 flenskopbouten (Figuur 4).

    g011347
  3. Controleer of de mulchplaat de punt van de messen niet raakt en niet in het oppervlak van de achterwand van de kamer steekt.

    Gevaar

    Gebruik van het mes met een hoge wiek in combinatie met de mulchplaat kan het mes doen breken, wat lichamelijk of dodelijk letsel kan veroorzaken.

    Gebruik geen messen met een hoge wiek in combinatie met de mulchplaat.

De machine gebruiksklaar maken

De bandenspanning controleren

Controleer vóór gebruik de bandenspanning; zie De bandenspanning controleren.

Important: Zorg ervoor dat alle banden steeds de juiste bandenspanning hebben; hierdoor kan de machine optimale maaiprestaties leveren en goed functioneren. Pomp de banden niet te zacht op.

Vloeistofniveaus controleren

  1. Controleer het peil van de motorolie voordat u de motor start; zie Het motoroliepeil controleren.

  2. Controleer het peil van de hydraulische olie voordat u de motor start; zie Hydraulische vloeistof controleren.

  3. Controleer het koelsysteem voordat u de motor start; zie Het koelsysteem controleren.

De machine smeren

Smeer de machine voor gebruik; zie Lagers en lagerbussen smeren. Als de machine niet goed is gesmeerd, zullen belangrijke onderdelen hierdoor voortijdig slijten of defect raken.

Algemeen overzicht van de machine

Parkeerrem

Om de parkeerrem in werking te stellen, (Figuur 5) moet u het rempedaal intrappen en de bovenkant naar voren drukken om het te vergrendelen. Om de parkeerrem uit te schakelen, trapt u het rempedaal in totdat de vergrendeling van de parkeerrem wordt ingetrokken.

g003955

Tractiepedaal

Het tractiepedaal (Figuur 5) regelt de beweging vooruit en achteruit. Om vooruit te rijden, moet u de bovenkant van het pedaal intrappen en om achteruit te rijden de onderkant van het pedaal. De rijsnelheid hangt af van hoever het pedaal wordt ingetrapt. Voor de maximale onbelaste rijsnelheid trapt u het pedaal volledig in terwijl de gashendel op SNEL staat.

Om te stoppen, laat u het tractiepedaal opkomen en weer terugkeren in de middelste stand.

Begrenzer voor maaisnelheid

Als de begrenzer voor de maaisnelheid (Figuur 5) is omhooggeklapt, kunt u de maaisnelheid regelen en de maaidekken inschakelen. Met elk afstandsstuk kunt u de maaisnelheid met ongeveer 0,8 km/u wijzigen. Hoe meer afstandsstukken u plaatst, des te lager zal de maaisnelheid zijn. Om de machine in de transportstand te zetten, klapt u de snelheidsbegrenzer terug en kunt u met de maximale transportsnelheid rijden.

Rempedaal

Trap het rempedaal in (Figuur 5) om de machine te stoppen.

Pedaal voor stuurverstelling

Om het stuur in uw richting te kantelen, moet u het pedaal intrappen (Figuur 5), de stuurkolom naar u toe trekken in een positie die voor u het meest comfortabel is, en uw voet van het pedaal halen.

Toerentalschakelaar

Met de toerentalschakelaar (Figuur 6) kunt u het toerental op 2 manieren veranderen. Tik op de schakelaar om het toerental in stappen van 100 tpm te verhogen of verlagen. Hou een van de zijden van de schakelaar ingedrukt om de motor automatisch in hoog of laag stationair te schakelen.

g021208

Contactschakelaar

De contactschakelaar (Figuur 6) heeft 3 standen: UIT, AAN/VOORVERWARMEN en START.

Maai-/hefhendel

Met deze hendel (Figuur 6) kunt u de maaidekken omhoog brengen en neerlaten om te maaien en de messen starten en tot stilstand brengen als de maaidekken in de maaistand zijn gezet. Als u met de dekken omlaag begint en de aftakasaandrijving en de begrenzer voor maaisnelheid in werking zijn, schakelt deze hendel de dekken in.

Schakelaar van koplampen

Zet de schakelaar omlaag om de koplampen te ontsteken(Figuur 6).

Activerings-/blokkeringsschakelaar

De activerings-/blokkeringsschakelaars (Figuur 6) worden in combinatie met de maai-/hefhendel gebruikt om de maaidekken te bedienen. De maaidekken kunnen niet worden neergelaten als de maai-/hefhendel in de TRANSPORTSTAND staat.

InfoCenter

Het InfoCenter lcd-scherm toont informatie zoals de bedrijfsmodus en diverse diagnostieken en andere informatie over de machine (Figuur 6).

Indicator verstopping hydraulisch filter

Laat de motor lopen bij een normale bedrijfstemperatuur en kijk op de indicator (Figuur 7); deze moet in de groene zone staan. Als de indicator in de rode zone staat, moeten de hydraulische filters worden vervangen.

g031683

Aansluitpunt

Het aansluitpunt is geschikt voor 12 V elektrische apparaten (Figuur 8).

g031682

Instelknoppen bestuurdersstoel

Met de stoelverstelhendel (Figuur 9) kunt u de stoel naar voren en naar achteren schuiven. Met de instelhendel voor het gewicht kunt u de stoel aan uw gewicht aanpassen. De meter voor de instelling van het gewicht geeft aan wanneer de stoel is ingesteld voor uw gewicht. Met de instelhendel voor de hoogte kunt u de stoel aan uw lengte aanpassen.

g003954

Het InfoCenter lcd-scherm gebruiken

Het InfoCenter lcd-scherm toont informatie over uw machine, onder meer de bedrijfsstatus en allerlei diagnostische informatie (Figuur 10). Het InfoCenter beschikt over een welkomstscherm en hoofdscherm. U kunt te allen tijde heen en weer gaan tussen het welkomstscherm en het hoofdscherm door een willekeurige welke knop in het InfoCenter te bedienen en dan op de richtingspijl te drukken.

g020650
  • Linkerknop, knop toegang tot menu/terug – druk op deze knop om naar de menu's van het InfoCenter te gaan. De knop dient om het huidige menu te verlaten.

  • Middelste knop – gebruik deze knop om naar beneden door menu's te bewegen.

  • Rechterknop – gebruik deze knop als een pijl naar rechts aangeeft dat er nog andere opties in het menu zijn.

Note: De knoppen kunnen verschillende functies vervullen afhankelijk van wat op dat moment nodig is. Voor elke knop is er een pictogram dat de huidige functie weergeeft.

Verklaring van pictogrammen in het InfoCenter

SERVICE DUEGeeft aan wanneer gepland onderhoud moet worden uitgevoerd
GraphicMotortoerental/status – het toerental van de motor
GraphicUrenteller
GraphicInformatiepictogram
GraphicSnel
GraphicLangzaam
GraphicBrandstofpeil
GraphicStationair herstel vereist
GraphicDe gloeibougies werken
GraphicHef de maaidekken op
GraphicLaat de maaidekken neer
GraphicNeem plaats op de bestuurdersstoel
GraphicDe parkeerrem in werking is gesteld
GraphicHet bereik is hoog (transport)
GraphicNeutraalstand
GraphicHet bereik is laag (maaien)
GraphicKoelvloeistoftemperatuur (°C of °F)
GraphicTemperatuur (heet)
GraphicDe aftakas is ingeschakeld
GraphicNiet toegestaan
GraphicDe motor starten
GraphicZet de motor af
GraphicMotor
GraphicContactschakelaar
GraphicDe maaidekken worden omlaag gebracht
GraphicDe maaidekken worden omhoog gebracht
GraphicPIN-code
GraphicCAN-bus
GraphicInfoCenter
GraphicSlecht of mislukt
GraphicGloeilamp
GraphicUitvoer van TEC-controller of bedieningskabel in kabelboom
GraphicSchakelaar
GraphicLaat de schakelaar los
GraphicWijzigen in de aangegeven status
Symbolen worden vaak gecombineerd in zinnen. Hier volgen enkele voorbeelden 
GraphicZet de machine in neutraal
GraphicMotor weigert te starten
GraphicMotor uitgeschakeld
GraphicMotorkoelvloeistof is te heet
GraphicMelding opstapeling van as in DPF Zie Regeneratie van het DPF voor meer informatie.
GraphicGa zitten of schakel de parkeerrem in werking

De menu's gebruiken

Druk in het hoofdscherm op de menuknop om naar het InfoCenter menusysteem te gaan. U gaat naar het hoofdmenu. Raadpleeg de volgende tabellen voor een overzicht van de opties die u hebt in de menu's:

Hoofdmenu
Menu-optieBeschrijving
StoringenHet menu Storingen bevat een lijst met de recente machinestoringen. Raadpleeg de Onderhoudshandleiding of uw Toro dealer voor meer informatie over het menu Storingen en de informatie die het bevat.
OnderhoudHet menu Onderhoud bevat informatie over de machine, zoals bedrijfsurentellers en andere cijfergegevens van die aard.
DiagnostiekHet menu Diagnostiek geeft de status van elke machineschakelaar, sensor en bedieningsoutput aan. U kunt dit menu gebruiken om sommige problemen op te lossen. In het menu ziet u namelijk welke onderdelen in- en uitgeschakeld zijn.
InstellingenIn het menu Instellingen kunt u het InfoCenter-scherm configureren en aan uw voorkeuren aanpassen.
MachineIn het menu Machine ziet u het modelnummer, het serienummer en de versie van de software op uw machine.
Onderhoud
Menu-optieBeschrijving
HoursHet totale aantal bedrijfsuren van de machine, motor en aftakas, alsook het aantal uren dat de machine getransporteerd is geweest en de tijd tot het volgende onderhoudsinterval.
CountsEen overzicht van talrijke tellingen die de machine heeft uitgevoerd.
Diagnostisch systeem
Menu-optieBeschrijving
Cutting UnitsGeeft de invoer, bepalende factoren en uitvoer voor het optillen en neerlaten van de maaidekken aan.
Hi/Low RangeGeeft de invoer, bepalende factoren en uitvoer voor het rijden in de transportmodus aan.
PTOGeeft de invoer, bepalende factoren en uitvoer voor het inschakelen van het aftakascircuit aan.
Engine RunGeeft de invoer, bepalende factoren en uitvoer voor het inschakelen van de motor aan.
Instellingen
Menu-optieBeschrijving
EenhedenBepaalt de eenheden die gebruikt worden in het InfoCenter. De opties zijn Engels of metrisch
TaalBepaalt de taal die gebruikt wordt in het InfoCenter*.
Schermverlichting lcdDe helderheid van het lcd-scherm.
Contrast lcdHet contrast van het lcd-scherm.
Beveiligde menu'sGeeft een door uw bedrijf geautoriseerde persoon toegang tot de beveiligde menu's met een PIN-code.
TegengewichtBepaalt hoeveel tegengewicht op de maaidekken wordt gebruikt.
Auto stationairBepaalt hoeveel tijd er verstrijkt voordat de machine bij stationair draaien naar laag stationair schakelt.

* Alleen gebruikerstekst wordt vertaald. De schermen fouten, onderhoud en diagnostiek hebben betrekking op onderhoud. De titels worden weergegeven in de ingestelde taal, maar de menu-items zijn in het Engels.

Betreffende
Menu-optieBeschrijving
ModelHet modelnummer van de machine.
SerienummerHet serienummer van de machine.
Machine Controller RevisionDe softwareversie van de hoofdbedieningseenheid.
InfoCenter softwareversieDe softwareversie van het InfoCenter.
CAN-busDe status van de communicatiebus van de machine.

Beveiligde menu's

Er zijn 2 aanpasbare instellingen in het menu Settings van het InfoCenter: auto idle time delay en counterbalance. Gebruik het beveiligde menu om deze instellingen te vergrendelen.

Note: Bij levering van de machine is de oorspronkelijke code geprogrammeerd door uw distributeur.

Toegang tot de beveiligde menu's

Note: De standaard PIN-code van de machine is 0000 of 1234.Als u de PIN-code heeft gewijzigd en vergeten bent, neem dan contact op met uw erkende Toro distributeur voor hulp.

  1. Scroll in het HOOFDMENU met de middelste knop naar beneden tot het INSTELLINGENMENU en druk op de rechterknop (Figuur 11).

    g028523
  2. Scroll in het INSTELLINGENMENU met de middelste knop naar beneden tot het BEVEILIGDE MENU en druk op de rechterknop (Figuur 12A).

    g028522
  3. Om de PIN-code in te voeren drukt u op de middelste knop tot het eerste gewenste cijfer verschijnt, druk dan op de rechterknop om naar het volgende cijfer te gaan (Figuur 12B en Figuur 12C). Herhaal dit tot het laatste cijfer is ingevoerd en druk dan nogmaals op de rechterknop.

  4. Druk op de middelste knop om de PIN-code in te voeren (Figuur 12D).

    Wacht tot het rode controlelampje van het InfoCenter oplicht.

    Note: Als het InfoCenter de PIN-code accepteert en het beveiligde menu opent dan verschijnt "PIN" in de rechter bovenhoek van het scherm.

Note: Zet de contactschakelaar op UIT en dan op AAN om het beveiligde menu te vergrendelen.

In het beveiligde menu kunt u instellingen bekijken en wijzigen. Scroll in het beveiligde menu omlaag tot de optie Instellingen beveiligen. Wijzig de instelling met de rechterknop. Als u Instellingen beveiligen op UIT zet kunt u de instellingen in het beveiligde menu bekijken en wijzigen zonder de PIN-code in te voeren. Als u Instellingen beveiligen op AAN zet worden de beveiligde opties verborgen en moet u de PIN-code invoeren om de instellingen in het beveiligde menu te wijzigen. Na het instellen van de PIN-code moet u de contactschakelaar op UIT zetten en dan terug op AAN om deze optie te activeren en op te slaan.

De instellingen van het beveiligde menu weergeven en veranderen

  1. Scroll in het beveiligde menu naar beneden tot u Instellingen beveiligen ziet.

  2. Om de instellingen te bekijken en veranderen zonder een PIN-code in te voeren, zet u met de rechterknop Instellingen beveiligen op UIT.

  3. Om de instellingen te bekijken en veranderen met een PIN-code, stelt u met de linkerknop Instellingen beveiligen in op AAN. Stel vervolgens de PIN-code in, en draai het contactsleuteltje UIT en daarna weer AAN.

Het tegengewicht instellen

  1. Ga in het menu Settings naar Counterbalance.

  2. Selecteer counterbalance door op de rechterknop te duwen en kies de gewenste instelling, low, medium of high.

Instelling automatisch stationair aanpassen

  1. Scroll in het instellingenmenu naar beneden tot u de functie Auto Stationair ziet.

  2. Druk op de rechterknop om de instelling voor automatisch stationair draaien te wijzigen; de mogelijke opties zijn 8, 10, 15, 20, 30 seconden of UIT.

Note: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.

Transportbreedte226 cm
Maaibreedte229 cm
Lengte320 cm
Hoogte218 cm
Inhoud brandstoftank51 liter
Transportsnelheid0 tot 16 km/uur
Maaisnelheid0 tot 13 km/uur
Nettogewicht)* * inclusief maaidekken en vloeistof1492 kg

Specificaties maaidek

Lengte86,4 cm
Breedte86,4 cm
Hoogte24,4 cm tot draagframe26,7 cm bij een maaihoogte van 1,9 cm34,9 cm bij een maaihoogte van 10,2 cm
Gewicht88 kg

Werktuigen/accessoires

Een selectie van door Toro goedgekeurde werktuigen en accessoires is verkrijgbaar voor gebruik met de machine om de mogelijkheden daarvan te verbeteren en uit te breiden. Neem contact op met een erkende servicedealer of distributeur of bezoek www.Toro.com voor een lijst van alle goedgekeurde werktuigen en accessoires.

Originele onderdelen van Toro zijn de beste waarborg van uw investering en het optimale prestatievermogen van uw Toro maaimachine. Om de betrouwbaarheid te verzekeren levert Toro reserve-onderdelen die volledig voldoen aan de technische specificaties van onze machines. Kies voor zekerheid originele Toro onderdelen.

Gebruiksaanwijzing

Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.

Voor gebruik

Veiligheidsinstructies voorafgaand aan het werk

Algemene veiligheid

  • U moet alle instructies op de machine en in de handleiding(en) lezen en begrijpen vóór u de machine in gebruik neemt, en deze instructies uitvoeren.

  • Laat kinderen of personen die geen instructie hebben ontvangen, de machine nooit gebruiken of onderhoudswerkzaamheden daaraan verrichten. Plaatselijke voorschriften kunnen nadere eisen stellen aan de leeftijd van degene die met de machine werkt. De eigenaar is verantwoordelijk voor de instructie van alle bestuurders en technici.

  • Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningsorganen en de veiligheidssymbolen, en weet hoe u de machine veilig kunt gebruiken. Zorg ervoor dat u weet hoe u de machine en de motor snel kunt stoppen.

  • Controleer of alle veiligheidsvoorzieningen zijn bevestigd en naar behoren werken. Deze omvatten, maar zijn niet beperkt tot: dodemansknoppen, veiligheidsschakelaars en -schermen, de rolbeugel, grasvanger of scherm van het uitworpkanaal en remmen. Gebruik de machine enkel als alle veiligheidsvoorzieningen aanwezig zijn en volgens de instructies van de fabrikant werken.

  • Controleer altijd de machine om zeker te zijn dat de messen, de mesbouten en het maaimechanisme vrij zijn van slijtage of beschadiging. Vervang versleten of beschadigde messen en bouten altijd als complete set om een goede balans te behouden.

  • Inspecteer het terrein waarop u de machine gaat gebruiken en verwijder voorwerpen die de machine kan uitwerpen.

  • Controleer of alle aandrijvingen in de NEUTRAALSTAND zijn, de parkeerrem in werking is gesteld en u zich in de bestuurderspositie bevindt voordat u de motor start.

Brandstofveiligheid

Gevaar

In bepaalde omstandigheden is brandstof uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van brandstof kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken.

  • Vul de brandstoftank in de open lucht wanneer de motor koud is. Eventueel gemorste brandstof opnemen.

  • Vul de brandstoftank nooit als de machine in een gesloten aanhanger staat.

  • Rook nooit wanneer u met brandstof bezig bent en houd de brandstof weg van open vlammen of vonken.

  • Brandstof in een goedgekeurd vat of blik en buiten bereik van kinderen bewaren. Koop nooit meer benzine dan u in 180 dagen kunt opmaken.

  • Gebruik de machine uitsluitend als het complete uitlaatsysteem is gemonteerd en naar behoren werkt.

Waarschuwing

Brandstof is schadelijk of dodelijk bij inname. Langdurige blootstelling aan dampen kan leiden tot ernstig letsel en ziekte.

  • Voorkom dat u dampen lange tijd inademt.

  • Houd uw handen en gezicht uit de buurt van het vulpistool en de opening van de brandstoftank.

  • Houd brandstof uit de buurt van ogen en huid.

  • Gebruik uitsluitend een goedgekeurd vat of blik voor de brandstof.

  • Nooit de brandstofdop verwijderen of brandstof toevoegen terwijl de motor loopt.

  • Vul brandstofvaten niet in een voertuig, vrachtwagen of op een aanhanger met kunststof beplating. Zet brandstofvaten altijd op de grond en uit de buurt van het voertuig voordat u de tank bijvult.

  • Laad de machine uit de vrachtwagen of aanhanger en vul deze bij met brandstof wanneer ze op de grond staat. Als dit niet mogelijk is, vul uw machine dan met een draagbaar vat in plaats van met een vulpistool.

  • Houd het vulpistool in contact met de rand van de benzinetank of het vat tot het tanken voltooid is. Gebruik geen vergrendeling voor het vulpistool.

  • Als u brandstof morst op uw kleding dient u zich onmiddellijk om te kleden.

  • Vul de brandstoftank tot de brandstof tot 25 mm vanaf de onderkant van de vulbuis reikt. Giet de brandstoftank niet te vol. Plaats de brandstofdop terug en maak hem stevig vast.

Het motoroliepeil controleren

Voordat u de motor start en de machine in gebruik neemt, moet u het oliepeil in het carter van de motor controleren; zie Het motoroliepeil controleren.

Het koelsysteem controleren

Voordat u de motor start en de machine gaat gebruiken, moet u het koelsysteem controleren; zie Het koelsysteem controleren.

Hydraulische vloeistof controleren

Voordat u de motor start en de machine gaat gebruiken, moet u het hydraulische systeem controleren; zie Hydraulische slangen en leidingen controleren.

Brandstoftank vullen

Brandstof

Important: Gebruik uitsluitend diesel met een extreem laag zwavelgehalte. Brandstof met een hoger gehalte zwavel beschadigt de dieseloxidatiekatalysator (DOC). Dit zal leiden tot operationele problemen en verkort de levensduur van de motoronderdelen.Als de onderstaande waarschuwingen niet worden opgevolgd kan dit leiden tot schade aan de motor.

  • Gebruik geen kerosine of benzine in plaats van dieselbrandstof.

  • Meng nooit kerosine of motorolie met de dieselbrandstof.

  • Bewaar de brandstof nooit in vaten die van binnen verzinkt zijn.

  • Voeg geen additieven toe aan de brandstof.

Diesel

Cetaangetal: 45 of hoger

Zwavelgehalte: ultralaag (< 15 ppm)

Brandstof

Diesel specificatieLocatie
ASTM D975VS
No. 1-D S15
No. 2-D S15
EN 590EU
ISO 8217 DMXInternationaal
JIS K2204 Grade No. 2Japan
KSM-2610Korea
  • Gebruik uitsluitend schone, verse diesel of biodiesel.

  • Koop brandstof in hoeveelheden die binnen 180 dagen kunnen worden gebruikt zodat u altijd verse brandstof heeft.

Gebruik zomerdieselbrandstof (nr. 2-D) bij temperaturen boven -7 °C en winterdieselbrandstof (nr. 1-D of nr. 1-D/2-D-mengsel) bij temperaturen beneden -7 °C.

Note: Gebruik van winterdieselbrandstof bij lage temperaturen biedt een lager vlampunt en een lager stolpunt. Dit vergemakkelijkt het starten en vermindert de kans dat de filters verstopt raken.Gebruik bij temperaturen boven -7 °C zomer- in plaats van winterdieselbrandstof om de brandstofpomp langer te laten meegaan en meer vermogen te ontwikkelen.

Biodiesel

Deze machine kan ook gebruik maken van een dieselmengsel tot maximaal B20 (20% biodiesel, 80% diesel).

Zwavelgehalte: ultralaag (< 15 ppm)

Biodiesel specificatie: ASTM D6751 of EN 14214

Gemengde brandstof specificatie: ASTM D975, EN 590, of JIS K2204

Important: Het aandeel diesel moet een ultralaag zwavelgehalte hebben.

Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:

  • Biodieselmengsels kunnen gelakte oppervlakken beschadigen.

  • Gebruik B5 (biodieselinhoud 5%) of mengsels met een lager percentage in koud weer.

  • Controleer afdichtingen, slangen en pakkingen, die in contact met brandstof komen, omdat zij in de loop der tijd hierdoor kunnen worden aangetast.

  • De kans bestaat dat een brandstoffilter na verloop van tijd verstopt raakt, nadat u bent overgestapt op een biodieselmengsel.

  • Neem contact op met uw erkende Toro distributeur als u informatie over biodiesel wenst.

Inhoud brandstoftank

Inhoud brandstoftank: 53 liter

Brandstof bijvullen

Note: Vul de brandstoftank na elk gebruik indien dit mogelijk is. Dit beperkt mogelijke condensvorming in de brandstoftank tot een minimum.

g031603g031599

Note: Vul de brandstoftank tot 6 tot 13 mm vanaf de onderkant van de vulbuis.

De bandenspanning controleren

OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer de bandenspanning.
  • De voor- en achterbanden moeten een spanning hebben van 0,83 tot 1,03 bar.

    Important: Zorg ervoor dat alle banden steeds voldoende bandenspanning hebben; hierdoor kan de machine optimale maaiprestaties leveren en goed functioneren. Pomp de banden niet te zacht op.Controleer de luchtdruk in alle banden voordat u de machine gebruikt.

    g001055

    De torsie van de wielmoeren controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na het eerste bedrijfsuur
  • Draai de wielmoeren vast met een torsie van 94 tot 122 N·m.
  • Na de eerste 10 bedrijfsuren
  • Draai de wielmoeren vast met een torsie van 94 tot 122 N·m.
  • Om de 250 bedrijfsuren
  • Draai de wielmoeren vast met een torsie van 94 tot 122 N·m.
  • Waarschuwing

    Indien de wielmoeren niet steeds zijn aangedraaid met de correcte torsie, kan dit leiden tot defecten of verlies van een wiel, waardoor lichamelijk letsel kan worden veroorzaakt.

    De torsie van de moeren van de voorwielen en achterwielen moet 94 tot 122 N·m bedragen. Haal de moeren aan na 1 bedrijfsuur, na de eerste 10 bedrijfsuren en vervolgens steeds na 250 bedrijfsuren.

    De maaihoogte instellen

    Important: Dit maaidek maait vaak ongeveer 6 mm lager dan een messenkooimaaier met dezelfde instelling. Mogelijk moet u de instelling van het maaidek met draaiende messen 6 mm hoger instellen dan de instelling van een messenkooimaaier in hetzelfde gebied.

    Important: U kunt beter bij de achterste maaidekken door het maaidek van de tractor te verwijderen. Als de machine is uitgerust met een Sidewinder®, beweeg de maaidekken dan naar rechts, verwijder het achterste maaidek en schuif het naar rechts eruit.

    1. Breng het maaidek omlaag tot op de grond, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact.

    2. Draai de bout los waarmee de maaihoogtebeugel aan de maaihoogteplaat is bevestigd (aan de voorzijde en de zijkanten); zie Figuur 15.

    3. Begin aan de voorzijde en verwijder de bout.

      g011344
    4. Verwijder het afstandsstuk terwijl u de maaikamer ondersteunt (Figuur 15).

    5. Verplaats de kamer naar de gewenste maaihoogte en plaats een afstandsstuk in de bijbehorende maaihoogte-opening en de sleuf (Figuur 16).

      g026184
    6. Plaats de getapte plaat op één lijn met het afstandsstuk.

    7. Draai de bout met de hand vast.

    8. Herhaal stap tot voor elke aanpassing.

    9. Draai alle 3 de bouten vast met een torsie van 41 N·m. Draai altijd eerst de voorste bout vast.

      Note: Voor aanpassingen van meer dan 3,8 cm moet u de maaihoogte mogelijk eerst op een hoogte ertussenin instellen om klemmen te voorkomen (bijvoorbeeld bij het veranderen van de maaihoogte van 3,1 cm naar de maaihoogte van 7 cm).

    De interlockschakelaars controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Werking van interlockschakelaars controleren.
  • Voorzichtig

    Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken.

    • Laat de interlockschakelaars ongemoeid.

    • Controleer elke dag de werking van de interlockschakelaars en vervang beschadigde schakelaars voordat u de machine weer in gebruik neemt.

    De interlockschakelaars zijn bedoeld om de machine uit te schakelen als u de stoel verlaat terwijl het tractiepedaal is ingetrapt. De bestuurder kan echter de stoel verlaten terwijl de motor loopt en het tractiepedaal in NEUTRAAL staat. Hoewel de motor blijft lopen als de aftakas is uitgeschakeld en het tractiepedaal niet is ingetrapt, dient u de motor af te zetten voordat u de bestuurdersstoel verlaat.

    1. Parkeer de machine op een horizontaal vlak, laat de maai-eenheid neer, zet de motor af en stel de parkeerrem in werking.

    2. Druk het tractiepedaal in. Draai het contactsleuteltje naar de stand AAN.

      Note: Als de motor aanslaat, is er een defect in het veiligheidssysteem. Verhelp dit defect voordat u de machine gebruikt.

    3. Draai het contactsleuteltje op AAN, sta recht uit de stoel en zet de schakelaar van de aftakas naar de stand AAN.

      Note: De aftakas mag niet in werking komen. Als de aftakas geactiveerd wordt, is er een defect in het veiligheidssysteem. Verhelp dit defect voordat u de machine gebruikt.

    4. Stel de parkeerrem in werking, draai het contactsleuteltje op AAN, start de motor en en zet het tractiepedaal uit de NEUTRAALSTAND.

      Note: Het InfoCenter geeft 'tractie geweigerd' weer en de machine mag niet bewegen. Als de machine toch beweegt, is er een defect in het veiligheidssysteem. Verhelp dit defect voordat u de machine gebruikt.

    De machine inrijden

    Om ervoor te zorgen dat het remsysteem optimaal functioneert, moet u de remmen gebruiksklaar maken (inrijden) voordat u het voertuig gaat gebruiken. Stel de voorwaartse tractiesnelheid in op 6,4 km/uur zodat deze overeenstemt met de achterwaartse tractiesnelheid. (Alle 8 afstandsstukken verplaatst naar de bovenkant van de maaitoerenregelaar.) Rij vooruit met de motor op hoog stationair en de maaitoerentalbegrenzer ingeschakeld en rem gedurende 15 seconden. Rij achteruit met de maximale snelheid voor achteruitrijden en rem gedurende 15 seconden. Herhaal dit 5 keer en wacht steeds 1 minuut tussen het voor- en achteruitrijden om te voorkomen dat de remmen oververhit raken. Mogelijk moet u de remmen afstellen wanneer u de machine ingereden hebt; zie Parkeerremmen afstellen.

    Een mes selecteren

    Standaard combinatievleugel

    Dit mes is ontworpen om het gras goed rechtop te zetten en te verspreiden in bijna alle omstandigheden. Als u minder hef- en verspreidcapaciteit nodig hebt, kunt u een ander mes overwegen.

    Eigenschappen: uitstekende hef- en verspreidingscapaciteiten voor de meeste omstandigheden.

    Gehoekte vleugel

    Dit mes levert de beste prestaties bij een lage maaihoogte-instelling tussen 1,9 en 6,4 cm.

    Eigenschappen:

    • De verspreiding blijft gelijkmatiger bij lagere maaistanden.

    • Voert minder afval naar links waardoor het terrein rond bunkers en fairways er beter verzorgd uitziet.

    • Minder vermogen nodig bij lagere maaistanden en dicht gras.

    Atomic mulchmes

    Dit mes is ontworpen voor uitstekende bladmulch-resultaten.

    Eigenschappen: uitstekende bladmulch-resultaten

    De instellingen van het tegengewicht veranderen

    Tijdens verschillende momenten in het maaiseizoen of als de gazoncondities variëren, moet de hoeveelheid tegengewicht op de maaidekken worden aangepast aan de condities.

    1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak, laat de maaidekken neer, zet de motor af, stel de parkeerrem in werking en verwijder het sleuteltje uit het contact.

    2. Ga in het InfoCenter-menu Settings naar Counterbalance.

    3. Selecteer counterbalance door op de rechterknop te duwen en kies de gewenste instelling: low, medium of high.

      Note: Verplaats de machine naar een testgebied zodra de aanpassing is voltooid en gebruik de machine met de nieuwe instelling. Door de nieuwe instelling van het tegengewicht kan de effectieve maaihoogte veranderd zijn.

    Het diagnoselampje

    De machine is uitgerust met een diagnoselampje dat aangeeft dat het elektronische besturingssysteem een storing gevonden heeft. Het diagnoselampje bevindt zich op het InfoCenter, boven het display (Figuur 17). Als de machine naar behoren werkt en het contactsleuteltje naar de stand AAN/LOPEN wordt gedraaid, zal het diagnoselampje kort branden om te tonen dat het werkt. Als een machinestoring wordt weergegeven, gaat het lampje branden als er een mededeling is. Als een foutmelding wordt weergegeven, knippert het lampje tot de storing is opgelost.

    g021272

    Werktuigen kiezen

    Optionele apparatuurconfiguraties

     Mes met gehoekte wiekMes met parallelle hoge wiek(Niet gebruiken met de mulchplaat)MulchplaatRolschraper
    Gras maaien: maaihoogte van 1,9 tot 4,4 cmAanbevolen voor de meeste toepassingenKan goede resultaten opleveren bij schraal of dun gras.Heeft bewezen verspreiding en het uiterlijk van gemaaide noordelijke grassoorten te verbeteren, die minstens drie keer per week worden gemaaid en waar minder dan 1/3 van de grassprieten wordt verwijderd.Niet gebruiken met het mes met parallelle high-lift-vleugelKan worden gebruikt als er aangekoekt gras op de rollen blijft zitten of zich grote platte kluiten gras vormen. De rollen kunnen bij bepaalde toepassingen kluitvorming bevorderen.
    Gras maaien: maaihoogte van 5 tot 6,4 cmAanbevolen voor dik of sappig grasAanbevolen voor schraal of dun gras
    Gras maaien: maaihoogte van 7 tot 10 cmKan goede resultaten opleveren bij dik gras.Aanbevolen voor de meeste toepassingen
    BladmulchAanbevolen voor gebruik met de mulchplaatNiet toegestaanAlleen gebruiken met de combinatievleugel of de gehoekte vleugel
    VoordelenGelijkmatige afvoer bij lage maaihoogte. Terrein rond bunkers en fairways ziet er beter verzorgd uit.Minder vermogen nodig.Zet gras beter rechtop en heeft een hogere afvoersnelheid.Dun of slap gras wordt opgenomen bij hoge maaistand.Vochtig of aankoekend maaisel wordt op effectieve wijze afgevoerd.Kan verspreiding en uiterlijk van gazon verbeteren bij bepaalde maaiwerkzaamheden.Zeer goed voor bladmulchen.Vermindert opeenhoping van maaisel op de rol bij bepaalde toepassingen.
    NadelenZet het gras niet goed rechtop in toepassingen met een hoge maaihoogte. Vochtig of aankoekend maaisel heeft de neiging zich op te hopen in de maaikamer, wat leidt tot een slechte maaikwaliteit en meer benodigd vermogen.Vereist meer vermogen bij sommige toepassingen Heeft de neiging bij lagere maaistanden pluggen te vormen in dik grasNiet gebruiken met de mulchplaatIndien u een te grote hoeveelheid gras probeert te verwijderen als de mulchplaat is gemonteerd, zal het gras zich ophopen in de maaikamer. 

    Tijdens gebruik

    Veiligheid tijdens het werk

    Algemene veiligheid

    • De eigenaar/gebruiker is verantwoordelijk voor ongelukken die hem/haar letsel kunnen toebrengen of materiële schade kunnen veroorzaken, en hij kan zulke ongelukken en beschadigingen voorkomen.

    • Draag geschikte kleding, zoals oogbescherming en gripvaste, stevige schoenen. Draag lang haar niet los en draag geen juwelen.

    • Inspecteer het terrein om na te gaan welke accessoires en werktuigen nodig zijn om de machine veilig en goed te gebruiken.

    • Houd lichaamsdelen, in het bijzonder uw handen en voeten, uit de buurt van alle bewegende onderdelen.

    • Gebruik de machine niet als u ziek, moe of onder de invloed van alcohol of drugs bent.

    • Richt de uitworp van de maaier niet op mensen of huisdieren.

    • Maai uitsluitend in de achteruitstand, als dat strikt noodzakelijk is. Als u dient te maaien in achteruitstand, kijk dan vóór en tijdens het achteruitrijden achter u en naar beneden om te voorkomen dat u kleine kinderen aanrijdt. Blijf waakzaam en zet de machine af als een kind het werkgebied betreedt.

    • Wees uiterst voorzichtig bij het naderen van blinde hoeken, struiken, bomen en andere objecten die het zicht kunnen belemmeren.

    • Maai niet in de buurt van steile hellingen, greppels of dijken. De machine kan plotseling omslaan als een wiel over de rand komt, of als de rand afbrokkelt.

    • Vervoer nooit passagiers op deze machine.

    • Gebruik de machine uitsluitend als het zicht goed is en bij geschikte weersomstandigheden. Gebruik de machine niet als het kan bliksemen.

    • Gebruik de machine niet op nat gras. Als de wielen hun grip verliezen, kan de machine gaan glijden.

    • Stop de machine en controleer de maaimessen als u een vreemd voorwerp heeft geraakt of als de machine abnormaal begint te trillen. Voer alle noodzakelijke reparaties uit voordat u de machine weer in gebruik neemt.

    • Stop de maaimessen wanneer u niet maait, vooral wanneer u over los terrein zoals grind rijdt.

    • Verminder uw snelheid en wees voorzichtig als u een bocht maakt of wegen en voetpaden oversteekt met de machine. Verleen altijd voorrang.

    • Schakel altijd de waarschuwingsknipperlichten in wanneer u op een openbare weg rijdt, behalve waar dat door de wet is verboden.

    • Schakel de aandrijving van het werktuig uit en stop de motor voordat u bijtankt of de maaihoogte wijzigt.

    • Zet de gashendel terug voordat u de motor afzet. Als de machine met een brandstofafsluitklep is uitgerust, draai deze dan dicht als u klaar bent met werken met de machine.

    • Laat de motor nooit lopen in een ruimte waar uitlaatgassen zich kunnen verzamelen.

    • Laat nooit een draaiende motor onbeheerd achter.

    • Doe het volgende voordat u de bestuurdersstoel verlaat:

      • Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

      • Schakel de aftakas uit en laat de werktuigen zakken.

      • Stel de parkeerrem in werking.

      • Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

      • Wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen.

    • Verander de instellingen van de motor niet en laat hem het maximale toerental niet overschrijden. De motor met te hoog toerental laten draaien kan de kans op lichamelijk letsel vergroten.

    • De machine niet gebruiken als sleepvoertuig.

    • Gebruik alleen door The Toro® Company goedgekeurde accessoires en werktuigen.

    Bescherming van de rolbeugel

    • Verwijder de rolbeugel niet van de machine.

    • Zorg dat u de veiligheidsgordel draagt en deze in een noodgeval snel kunt losmaken.

    • Doe altijd de veiligheidsgordel om.

    • Let goed op dat er voldoende ruimte boven de machine is (denk aan takken, deuropeningen, elektrische kabels) voordat u onder zulke objecten door rijdt. Zorg dat u ze niet raakt.

    • Houd de rolbeugel in deugdelijke staat door deze regelmatig grondig te controleren op beschadiging, en zorg dat alle bevestigingsmateriaal stevig is vastgedraaid.

    • Een beschadigde rolbeugel dient vervangen te worden. Probeer niet om deze te repareren of te wijzigen.

    • Eventuele veranderingen aan een rolbeugel moeten worden goedgekeurd door The Toro® Company.

    De machine veilig gebruiken op hellingen

    • Verminder uw snelheid en wees extra voorzichtig op hellingen. Rij op hellingen in de aanbevolen richting. De toestand van het gras kan van invloed zijn op de stabiliteit van de machine.

    • Vermijd starten, stoppen of bochten maken op een helling. Als de wielen grip verliezen, moet u de maaimessen uitschakelen en de heuvel langzaam in een rechte lijn afrijden.

    • Maak geen scherpe bochten met de machine. Wees voorzichtig als u de machine achteruitrijdt.

    • Als u de machine op een helling gebruikt, moeten de maaidekken te allen tijde neergelaten zijn.

    • Vermijd bochten maken op hellingen. Als u toch een bocht moet maken, doe dit indien mogelijk langzaam en voorzichtig hellingafwaarts.

    • Wees extra voorzichtig als u de machine gebruikt met werktuigen; deze kunnen de stabiliteit van de machine beïnvloeden. Volg de aanbevelingen voor het gebruik van de machine op een helling in deze Gebruikershandleiding.

    De motor starten en uitschakelen

    Important: Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht voordat u de motor start als u deze voor de eerste keer start, als de motor is afgeslagen omdat de brandstof op was, of als er onderhoudswerkzaamheden aan het brandstofsysteem zijn uitgevoerd.

    Motor starten

    1. Neem plaats op de bestuurdersstoel. Haal uw voet van het tractiepedaal zodat deze in de NEUTRAALSTAND komt. Stel de parkeerrem in werking, zet de toerentalschakelaar op de MIDDELSTE stand en controleer de activerings-/blokkeringsschakelaar op BLOKKEREN is gezet.

    2. Draai het contactsleuteltje naar de stand DRAAIEN.

    3. Als het indicatielampje van de gloeibougie dooft, draait u het contactsleuteltje op START. Laat het sleuteltje direct los als de motor start en laat het weer terugkeren naar DRAAIEN.

    4. Laat de motor op een laag stationair toerental lopen totdat deze is opgewarmd.

    De motor afzetten

    1. Zet alle bedieningsorganen in de NEUTRAALSTAND, stel de parkeerrem in werking, zet de schakelaar van het motortoerental op LAAG STATIONAIR en laat de motor op een laag stationair toerental lopen.

      Important: Laat de motor 5 minuten stationair lopen voordat u deze afzet of nadat de machine volledig belast is gebruikt. Indien u dit nalaat, kunnen er problemen met een turbo-dieselmotor ontstaan.

    2. Draai het contactsleuteltje op UIT en verwijder het sleuteltje.

    Gras maaien met de machine

    Note: Het maaien van gras op een snelheid waarop de motor wordt belast draagt bij aan de regeneratie van het DPF.

    1. Breng de machine naar het werkterrein.

    2. Indien mogelijk moet de toerentalschakelaar op stationair - hoog worden gezet.

    3. Schakel de aftakashendel in.

    4. Druk het tractiepedaal naar voren en rij de machine langzaam over het maaigebied.

    5. Breng de maaidekken omlaag zodra de voorste maaidekken zich boven het maaigebied bevinden.

    6. Maai het gras zo dat de bladen op een hoge snelheid kunnen maaien en het maaisel uitwerpen, en een hoge maaikwaliteit verkregen wordt.

      Note: Als de maaisnelheid te hoog is kan de maaikwaliteit verminderen. Verminder de rijsnelheid van de machine of verminder de maaibreedte om weer terug te keren naar het stationair - hoog toerental.

    7. Als de maaidekken het uiteinde van het maaigebied bereikt hebben moeten ze geheven worden.

    8. Maak een druppelvormige bocht om de machine snel voor de volgende baan uit te lijnen.

    Regeneratie van het DPF

    Het dieselparticulaarfilter (DPF) is een onderdeel van het uitlaatsysteem. De oxidatie-katalysator van het DPF vermindert de hoeveelheid schadelijke gassen en het roetfilter vangt het roet in de uitlaatgassen op.

    Bij de regeneratie van het DPF wordt het roet in het filter verbrand door de hitte van de uitlaatgassen. Hierbij wordt het roet omgezet tot as en worden de kanalen van het filter schoongemaakt zodat de gefilterde uitlaatgassen door het DPF kunnen stromen.

    De computer van de motor bepaalt de mate van roetopbouw door de tegendruk van het DPF te meten. Een te hoge tegendruk betekent dat het roet in het filter niet verbrand wordt tijdens het normale bedrijf van de motor. Hou rekening met het volgende om roetopbouw in het DPF te voorkomen:

    • Passieve regeneratie wordt continu uitgevoerd zolang de motor loopt. Laat de motor indien mogelijk met vol toerental lopen tijdens de regeneratie van het DPF.

    • Als de tegendruk te hoog wordt zal de motorcomputer via het InfoCenter aangeven als er aanvullende processen (ondersteunde en reset regeneratie) worden uitgevoerd.

    • Laat deze processen volledig afronden voordat u de motor afzet.

    Hou bij het gebruik en onderhoud van uw machine rekening met de werking van het DPF. Een belaste motor bij een stationair - hoog toerental produceert meestal uitlaatgassen die heet genoeg zijn voor de regeneratie van het DPF.

    Important: Minimaliseer de tijd dat de motor stationair loopt, of dat u de machine op een laag toerental laat lopen, om de opbouw van roet in het filter te beperken.

    Voorzichtig

    Gedurende de DPF regeneratie met geparkeerde machine of herstel regeneratie is de uitlaattemperatuur hoog (ongeveer 600°C). De hete uitlaatgassen kunnen gevaar opleveren voor u of anderen.

    • Laat de motor nooit in een afgesloten ruimte lopen.

    • Zorg dat er geen brandbaar materiaal is in de buurt van het uitlaatsysteem.

    • Raak nooit enig onderdeel van een heet uitlaatsysteem aan.

    • Blijf nooit in de buurt van de uitlaat van de machine staan.

    Roetopbouw in het DPF

    • Na verloop van tijd bouwt zich roet op in het DPF. De computer van de motor bewaakt de roetopbouw in het DPF.

    • Als er teveel roetopbouw is geeft de computer aan dat regeneratie van het DPF nodig is.

    • Hierbij wordt het roet in het DPF verbrand tot as.

    • De computer geeft niet alleen een waarschuwing maar verlaagt het motorvermogen ook, afhankelijk van de mate van roetopbouw.

    Motor-waarschuwingen - roetopbouw

    NiveauFoutcodeMotorvermogenAanbevolen actie
    Niveau 1 Motorwaarschuwing
    g213866
    De computer vermindert het motorvermogen tot 85%Voer zo snel mogelijk een geparkeerde regeneratie uit, zie Geparkeerde regeneratie
    Niveau 2 Motorwaarschuwing
    g213867
    De computer vermindert het motorvermogen tot 50%Voer zo snel mogelijk een herstel regeneratie uit, zie Herstel regeneratie

    As-opbouw in het DPF

    • De lichtere as wordt via het uitlaatsysteem naar buiten geblazen, de zwaardere as bouwt zich op in het in roetfilter.

    • Deze as is een overblijfsel van het regeneratieproces. Na verloop van tijd bouwt de as die niet met de uitlaatgassen naar buiten wordt geblazen zich op in het DPF.

    • De computer van de motor berekent de hoeveelheid as in het DPF.

    • Als er een zekere hoeveelheid as is opgebouwd in het DPF stuurt de computer van de motor deze informatie naar het InfoCenter als een bestuurdersadvies of een motorstoring.

    • Dit bestuurdersadvies en de storingsmelding geven aan dat het DPF onderhoud nodig heeft.

    • De computer geeft niet alleen een waarschuwing maar verlaagt het motorvermogen ook, afhankelijk van de mate van as-opbouw.

    InfoCenter bestuurdersadviezen en motor-waarschuwingen - as-opbouw

    NiveauAdvies of foutcodeVermindering van het toerentalMotorvermogenAanbevolen actie
    Niveau 1 Bestuurdersadvies
    g213865
    Geen100%Laat de onderhoudswerkplaats weten dat het InfoCenter Advies #179 toont.
    Niveau 2 Motorwaarschuwing
    g213863
    GeenDe computer vermindert het motorvermogen tot 85%Geef het DPF een onderhoudsbeurt, zie Onderhoud van de dieseloxidatiekatalysator (DOC) en roetfilter
    Niveau 3 Motorwaarschuwing
    g213864
    GeenDe computer vermindert het motorvermogen tot 50%Geef het DPF een onderhoudsbeurt, zie Onderhoud van de dieseloxidatiekatalysator (DOC) en roetfilter
    Niveau 4 Motorwaarschuwing
    g214715
    Toerental voor maximum koppel + 200 tpmDe computer vermindert het motorvermogen tot 50%Geef het DPF een onderhoudsbeurt, zie Onderhoud van de dieseloxidatiekatalysator (DOC) en roetfilter

    Soorten DPF-regeneratie

    DPF-regeneratie terwijl de machine in bedrijf is:

    Soort regeneratieWanneerProces
    PassiefGedurende normaal bedrijf van de machine, bij een hoog toerental of hoge motorbelastingHet InfoCenter toont geen pictogram tijdens passieve regeneratie.
    Tijdens de passieve regeneratie gebruikt het DPF de hete uitlaatgassen voor het oxideren van schadelijke uitstoot en het verbranden van roet tot as.
    Zie Passieve regeneratie van het DPF.
    Assist/ondersteundVanwege een laag toerental, lage motorbelasting, of als de computer een hoge tegendruk meet in het DPFAls het ondersteunde/reset regeneratie pictogram Graphic wordt weergegeven op het InfoCenter wordt een ondersteunde regeneratie uitgevoerd.
    Gedurende ondersteunde regeneratie regelt de computer de gasklep om de uitlaattemperatuur te verhogen en ondersteunde regeneratie mogelijk te maken.
    Zie Ondersteunde regeneratie van het DPF.
    ResetWordt alleen uitgevoerd na ondersteunde regeneratie indien de computer merkt dat de ondersteunde regeneratie de hoeveelheid roet niet voldoende heeft verminderdAls het ondersteunde/reset regeneratie pictogram Graphic wordt weergegeven op het InfoCenter wordt een regeneratie uitgevoerd.
    Tevens elke 100 uur om de sensormetingen te resetten
    Gedurende reset regeneratie regelt de computer de gasklep en de brandstofinjectie om de uitlaattemperatuur te verhogen.
    Zie Reset regeneratie.

    Voor de onderstaande soorten regeneratie moet de machine worden geparkeerd:

    Soort regeneratieWanneerProces
    GeparkeerdEr is roet opgebouwd door lang werken bij een laag toerental of lage motorbelasting. Kan ook worden veroorzaakt door ongeschikte olie of brandstof.Als het geparkeerde regeneratie pictogram Graphic wordt weergegeven op het InfoCenter is regeneratie nodig.
    De computer meet de tegendruk veroorzaakt door de roetopbouw en verzoekt om een geparkeerde regeneratie
     • Voer de geparkeerde regeneratie zo snel mogelijk uit om een herstel regeneratie te voorkomen.
    • Geparkeerde regeneratie duurt 30 tot 60 minuten.
    • De brandstoftank moet minstens ¼ gevuld zijn.
    • U moet de machine parkeren voor een herstel regeneratie.
    Zie Geparkeerde regeneratie.
    Recovery/herstelIs nodig als het verzoek om geparkeerde regeneratie niet is opgevolgd, het verdere gebruik leidt tot nog meer roetopbouw in het DPF dat al geparkeerde regeneratie nodig heeft.Als het herstel regeneratie pictogram Graphic wordt weergegeven op het InfoCenter is herstel regeneratie nodig.
    Neem contact op met een erkende Toro distributeur zodat een onderhoudsmonteur de herstel regeneratie kan uitvoeren.
    • Herstel regeneratie kan tot 4 uur duren.
    • De brandstoftank van de machine moet minstens ½ vol zijn.
    • U moet de machine parkeren voor een herstel regeneratie.
    Zie Herstel regeneratie.

    Passieve regeneratie van het DPF

    • Passieve regeneratie wordt uitgevoerd tijdens de normale werking van de motor.

    • Laat de motor tijdens het gebruik van de machine zo veel mogelijk op het maximale toerental lopen om de regeneratie van het DPF te helpen.

    Ondersteunde regeneratie van het DPF

    g214711
    • Het pictogram ondersteunde regeneratie verschijnt op het InfoCenter (Figuur 24).

    • De computer regelt de gasklep om de uitlaattemperatuur te verhogen en ondersteunde regeneratie mogelijk te maken.

    • Laat de motor tijdens het gebruik van de machine zo veel mogelijk op het maximale toerental lopen om de regeneratie van het DPF te helpen.

    • Het Graphic pictogram verschijnt op het InfoCenter tijdens de ondersteunde regeneratie.

    • Indien mogelijk: schakel de motor niet uit en verlaag het toerental niet tijdens de ondersteunde regeneratie.

      Important: Laat de machine de volledige ondersteunde regeneratie uitvoeren voordat u de motor afzet.

      Note: De ondersteunde regeneratie is voltooid als het Graphic pictogram op het InfoCenter verschijnt.

    Reset regeneratie

    g214711
    • Het pictogram ondersteunde/reset regeneratie verschijnt op het InfoCenter (Figuur 25).

    • De computer regelt de gasklep en de brandstofinjectie om de uitlaattemperatuur te verhogen.

      Important: Het pictogram ondersteunde/reset regeneratie geeft aan dat de uitlaattemperatuur van uw machine hoger kan zijn dan bij normaal bedrijf.

    • Laat de motor tijdens het gebruik van de machine zo veel mogelijk op het maximale toerental lopen om de regeneratie van het DPF te helpen.

    • Het Graphic pictogram verschijnt op het InfoCenter tijdens de reset regeneratie.

    • Indien mogelijk: schakel de motor niet uit en verlaag het toerental niet tijdens de reset regeneratie.

      Important: Laat de machine de volledige reset regeneratie uitvoeren voordat u de motor afzet.

      Note: De reset regeneratie is voltooid als het Graphic pictogram op het InfoCenter verschijnt.

    Geparkeerde regeneratie

    g214713
    • Het pictogram verzoek geparkeerde regeneratie verschijnt op het InfoCenter (Figuur 26).

    • Als geparkeerde regeneratie nodig is verschijnt op het InfoCenter Motorwaarschuwing SPN 3719, FMI 16 (Figuur 27) en de computer van de motor vermindert het vermogen tot 85%.

      g213866

      Important: Als u de geparkeerde regeneratie niet binnen 2 uur uitvoert vermindert de computer van de motor het vermogen tot 50%.

    • Geparkeerde regeneratie duurt 30 tot 60 minuten.

    • Met toestemming van uw werkgever kunt u de PIN-code invoeren om de geparkeerde regeneratie uit te voeren.

    Voorbereiden van een geparkeerde of herstel regeneratie

    1. Verzeker dat de brandstoftank minstens ¼ vol is.

    2. Parkeer de machine buiten, en op geruime afstand van brandbare materialen.

    3. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    4. Verzeker dat tractiebediening of rijhendels op NEUTRAAL staan.

    5. Indien van toepassing: laat de maai-eenheden zakken en schakel ze uit.

    6. Stel de parkeerrem in werking.

    7. Zet de gashendel op LAAG STATIONAIR .

    Uitvoeren van een geparkeerde regeneratie

    Note: Voor informatie over het openen van beveiligde menu's, zie Toegang tot de beveiligde menu's.

    1. Open het beveiligde menu en ontgrendel het beschermde submenu met instellingen (Figuur 28), zie Toegang tot de beveiligde menu's.

      g028523
    2. Ga naar het HOOFDMENU, druk op de middelste knop om te scrollen naar hetONDERHOUDSMENU, druk dan op de rechterknop om ONDERHOUD te kiezen (Figuur 29).

      Note: Het InfoCenter moet de PIN-indicator in de rechterbovenhoek tonen.

      g212371
    3. In het ONDERHOUD MENU drukt u op de middelste knop totdat de REGENERATIE VAN HET DPF optie verschijnt, druk dan op de rechterknop om de optie REGENERATIE VAN HET DPF te kiezen (Figuur 30).

      g212138
    4. Als het bericht “Initiate DPF Regen. Are you sure?” (DPF regeneratie starten. Bent u zeker?) verschijnt drukt u op de middelste knop (Figuur 31).

      g212125
    5. Als de temperatuur van de koelvloeistof temperatuur lager is dan 60°C verschijnt het bericht “Insure Graphic is running and above 60C/140F” (Figuur 32).

      Lees de temperatuur af op het display en laat de machine met vol gas lopen tot de temperatuur 60° bereikt,druk dan op de middelste knop.

      Note: Als de temperatuur van de koelvloeistof hoger is dan 60°C dan verschijnt dit bericht niet.

      g211986
    6. Zet de gashendel op LAAG STATIONAIR en druk op de middelste knop (Figuur 33).

      g212372
    7. De volgende berichten worden getoond als de geparkeerde regeneratie begint:

      1. “Initiating DPF Regen.” (Figuur 34).

        g212405
      2. Daarna “Waiting on Graphic” (Figuur 35).

        g212406
      3. De computer bepaalt of de regeneratie wordt uitgevoerd. Een van de volgende berichten verschijnt op het InfoCenter:

        • Als regeneratie mogelijk is verschijnt “Regen Initiated. Allow up to 30 minutes for completion” op het InfoCenter, wacht dan tot de machine de geparkeerde regeneratie heeft uitgevoerd (Figuur 36).

          g213424
        • Als de motorcomputer de regeneratie niet toestaat verschijnt “DPF Regen Not Allowed” op het InfoCenter (Figuur 37). Druk op de linkerknop om het Home-scherm te verlaten

          Important: Als niet alle voorwaarden voor de regeneratie vervuld zijn of de laatste regeneratie minder dan 50 uur geleden is verschijnt “DPF Regen Not Allowed”.

          g212410
    8. Gedurende de regeneratie gaat het InfoCenter naar het Home-scherm en toont de volgende pictogrammen:

      GraphicDe motor is koud - wachten.
      GraphicDe motor is warm - wachten.
      GraphicDe motor is heet - regeneratie wordt uitgevoerd (percentage voltooid).
    9. De geparkeerde regeneratie is voltooid als het bericht “Regen Complete” op het InfoCenter verschijnt. Druk op de linkerknop om het Home-scherm te verlaten (Figuur 38).

      g212404

    Herstel regeneratie

    • Als u geen aandacht schenkt aan het verzoek om geparkeerde regeneratie op het InfoCenter en de machine blijft gebruiken zal er zich een kritieke hoeveelheid roet opbouwen in het DPF.

    • Als een herstel regeneratie nodig is verschijnt op het InfoCenter motorwaarschuwing SPN 3719, FMI 16 (Figuur 39) en de motorcomputer vermindert het vermogen tot 85%.

      g213867

      Important: Als u de herstel regeneratie niet binnen 15 minuten uitvoert vermindert de motorcomputer het vermogen tot 50%.

    • Voer een herstel regeneratie uit als het motorvermogen lager wordt en geparkeerde regeneratie niet voldoende is om het roet uit het DPF te branden.

    • Herstel regeneratie kan tot 4 uur duren.

    • De herstel regeneratie moet door een monteur van de distributeur worden uitgevoerd, neem contact op met uw erkende Toro distributeur.

    Tips voor bediening en gebruik

    Vertrouwd raken met de machine

    Voordat u gaat maaien, moet u zich op een open terrein oefenen in het gebruik van de machine. De motor starten en uitschakelen. Rij de machine vooruit en achteruit. Breng de maaidekken omlaag en omhoog en schakel de maaidekken in en uit. Als u zich vertrouwd voelt met de machine, moet u zich oefenen in het helling opwaarts en afwaarts rijden bij verschillende snelheden.

    Maaien

    Draai het contactsleuteltje op AAN, start de motor en zet de gashendel in de stand SNEL. Zet de activerings-/blokkeringsschakelaar in de ACTIVERINGSSTAND en gebruik de maai-/hefhendel om de maaidekken te besturen. Om vooruit te rijden en het gras te maaien, moet u de tractiepedaal naar voren intrappen.

    Note: Laat de motor 5 minuten stationair lopen voordat u deze afzet of nadat de machine volledig belast is gebruikt. Indien u dit nalaat, kunnen er problemen met de turbocompressor ontstaan.

    Maaien als het gras droog is

    Maai laat in de ochtend om dauw te vermijden waardoor het gras op kluitjes bij elkaar gaat zitten, of laat in de middag om te voorkomen dat het directe zonlicht het gevoelige, pas gemaaide gras schaadt.

    De juiste maaihoogte-instelling voor de omstandigheden kiezen

    Verwijder bij het maaien ongeveer 2,5 cm of niet meer dan ā…“ van de grassprieten. Bij zeer lang, mals en dicht gras moet u wellicht de maaihoogte-instelling een stap omhoog zetten.

    Maaien met scherpe messen

    Een scherp mes snijdt het gras netjes af, zonder rukken of scheuren, zoals een bot mes wel zou doen. Als het gras inscheurt of kapot wordt getrokken, wordt het bruin aan de punten, waardoor het gras minder goed groeit en vatbaarder wordt voor ziekten. Controleer altijd of het mes in een goede conditie is en de wiek volledig aanwezig is.

    De toestand van de maaimessen controleren

    Controleer of de maaikamers in een goede staat zijn. Buig eventueel onderdelen van de maaikamer recht om ervoor te zorgen dat er voldoende ruimte is tussen de rand van het mes en de maaikamer.

    De maaikast controleren na gebruik

    Reinig de onderzijde van de maaikast om optimale resultaten te waarborgen. Als zich grasresten kunnen ophopen op de maaikast, zullen de maairesultaten verslechteren.

    De machine transporteren

    Zet de activerings-/blokkeringsschakelaar op Blokkeren en hef de maaidekken op in de transportstand. Zet de maai-/hefhendel in de Transportstand. Wees voorzichtig als u tussen objecten rijdt zodat u de machine of de maaidekken niet per ongeluk beschadigt. Wees extra voorzichtig wanneer u de machine op hellingen gebruikt. Rij langzaam en maak geen scherpe bochten om omkantelen te voorkomen. Om beter in balans te kunnen blijven tijdens het sturen, moeten de maaidekken zijn neergelaten tijdens het afdalen.

    Na gebruik

    Veiligheid na het werk

    Algemene veiligheid

    • Verwijder gras en vuil van de maaidekken, de aandrijvingen, de geluiddempers en de motor om brand te voorkomen. Veeg gemorste olie en brandstof op.

    • Zorg ervoor dat de brandstofafsluitklep is gesloten als u de machine stalt of transporteert.

    • Schakel de aandrijving van het werktuig uit als u de machine transporteert of niet gebruikt.

    • Laat de motor afkoelen voordat u de machine in een afgesloten ruimte stalt.

    • Stal de machine of het brandstofvat nooit in de buurt van een open vuur, vonken of een waakvlam zoals die van een boiler of een ander apparaat.

    Veiligheid tijdens het slepen

    • Sleep uitsluitend met een machine die is voorzien van een trekhaak. Bevestig materiaal dat wordt gesleept, uitsluitend aan het sleeppunt.

    • Volg de aanwijzing van de fabrikant op met betrekking tot de gewichtslimiet voor sleepwerktuigen en slepen op hellingen. Op een helling kan het gewicht van een gesleept werktuig ertoe leiden dat de wielen hun grip verliezen en de bestuurder de controle over de machine verliest.

    • Laat kinderen of andere personen nooit plaatsnemen in of op gesleepte werktuigen.

    • Rij langzaam en zorg voor voldoende afstand om te stoppen wanneer u de machine sleept.

    De bevestigingspunten zoeken

    • Voorkant van de machine : de opening in het rechthoekige blok, onder de asbuis, aan de binnenzijde van beide voorwielen (Figuur 40).

      g031851
    • Achterkant van de machine – Beide zijden van het achterframe van de machine(Figuur 41).

      g004555

    De machine duwen of slepen

    In noodgevallen kan de machine vooruit worden bewogen door de omloopklep in de regelbare hydraulische pomp in werking te stellen en de machine te duwen of te slepen.

    Important: U mag de machine niet sneller dan 3 tot 4,8 km per uur duwen of slepen omdat anders de transmissie kan worden beschadigd. De omloopklep moet open zijn als u de machine duwt of sleept.

    1. Zoek de omloopklep links van de hydrostaat (Figuur 42) en draai de bout 1½ slag om de klep te openen en de vloeistof inwendig om te leiden.

      Note: Omdat de vloeistof wordt omgeleid, kunt u de machine langzaam voortbewegen zonder dat de transmissie wordt beschadigd.

      g003995
    2. Sluit de omloopklep voordat u de motor start. Sluit de klep met een torsie van maximaal 7-11 N·m.

      Important: Als u de motor laat lopen met een geopende omloopklep, zal de transmissie oververhit raken.

    De machine transporteren

    • Wees voorzichtig als u de machine inlaadt op een aanhanger of een vrachtwagen of uitlaadt.

    • Gebruik een oprijplaat van volledige breedte bij het laden van de machine op een aanhanger of vrachtwagen.

    • Zet de machine goed vast met spanbanden, kettingen, kabels of touwen. Zowel de voorste als de achterste spanband moet naar beneden en naar de buitenkant van de machine lopen.

    Onderhoud

    Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker– en rechterzijde van de machine.

    Aanbevolen onderhoudsschema

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na het eerste bedrijfsuur
  • Draai de wielmoeren vast met een torsie van 94 tot 122 N·m.
  • Na de eerste 10 bedrijfsuren
  • Draai de wielmoeren vast met een torsie van 94 tot 122 N·m.
  • Spanning van de riem van de wisselstroomdynamo controleren.
  • Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer de bandenspanning.
  • Werking van interlockschakelaars controleren.
  • Oliepeil controleren.
  • Verwijder dagelijks water of ander vuil uit de waterafscheider.
  • Controleer het koelvloeistofpeil in de expansietank en verwijder vuil van het rooster, de oliekoeler en de voorkant van de radiateur.
  • Verwijder dagelijks het vuil van het scherm en de radiateur/oliekoeler (vaker bij gebruik in vuile omstandigheden).
  • Controleer het peil van de hydraulische vloeistof.
  • De hydraulische leidingen en slangen controleren op lekkages, kinken, loszittende steunen, slijtage, loszittende aansluitingen, slijtage door weersinvloeden en de inwerking van chemicaliën.
  • Om de 50 bedrijfsuren
  • Lagers en lagerbussen smeren. (Smeer onmiddellijk na elke wasbeurt, ongeacht het voorgeschreven interval.)
  • De accu controleren en reinigen.
  • Aansluitingen van de accukabels controleren.
  • Om de 100 bedrijfsuren
  • Slangen van koelsysteem controleren.
  • De conditie en de spanning van de wisselstroomdynamo/ventilator controleren.
  • Om de 250 bedrijfsuren
  • Draai de wielmoeren vast met een torsie van 94 tot 122 N·m.
  • Motorolie verversen en filter vervangen.
  • Om de 400 bedrijfsuren
  • Luchtfilter onderhoudsbeurt geven. (Geef het luchtfilters een onderhoudsbeurt wanneer de luchtfilterindicator rood is. Dit moet vaker gebeuren in uiterst stoffige of vuile omstandigheden.)
  • Brandstoffilter vervangen.
  • Brandstoffilterbus vervangen.
  • De leidingen en aansluitingen controleren op slijtage, beschadigingen of loszittende verbindingen,(of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden).
  • Om de 800 bedrijfsuren
  • Brandstoftank aftappen en reinigen.
  • Controleer het toespoor van de achterwielen.
  • De hydraulische vloeistof verversen.
  • Hydraulische filters vervangen (eerder als de onderhoudsintervalindicator in de rode zone staat).
  • Lagers in achterwielen smeren.
  • Om de 6000 bedrijfsuren
  • Demonteer het roetfilter van het DPF, maak het schoon en monteer het geheel weer.Maak het roetfilter schoon als motorstoring spn 3720 fmi 16, spn 3720 fmi 0, of spn 3720 fmi 16 op het InfoCenter verschijnt.
  • Vóór de stalling
  • Brandstoftank aftappen en reinigen.
  • Om de 2 jaar
  • Koelsysteem schoonspoelen en koelvloeistof vervangen.
  • Hydraulische tank aftappen en schoonspoelen.
  • Alle loszittende slangen vervangen.
  • Controlelijst voor dagelijks onderhoud

    Gelieve deze pagina te kopiëren ten behoeve van gebruik bij routinecontroles.

    Gecontroleerde itemVoor week van:
    Ma.Di.Wo.Do.Vr.Za.Zo.
    Werking van interlockschakelaars controleren.       
    Werking van de remmen controleren.       
    Het peil van de motorolie en de brandstof controleren.       
    Brandstoffilter/waterafscheider aftappen.       
    Controleer de blokkage-indicator van het luchtfilter.       
    Radiator en scherm controleren op rommel.       
    Controleren of motor ongewone geluiden maakt.1       
    Controleren op ongewone geluiden tijdens het gebruik.       
    Het vloeistofpeil van het hydraulische systeem controleren.       
    De indicator van het hydraulische filter controleren.2       
    Hydraulische slangen en leidingen op schade controleren.       
    Controleren op lekkages.       
    Controleer de bandenspanning.       
    Werking van instrumenten controleren.       
    Maaihoogte-instelling controleren.       
    Controleer de conditie van de maaimessen.       
    Controleren of de smeernippels moeten worden gesmeerd.3       
    Beschadigde lak bijwerken.       

    1. Controleer de gloeibougie en de spuitstukken van de injector, als de motor moeilijk start, buitensporig veel rook afgeeft of ongelijkmatig loopt.

    2. Controleren met draaiende motor en met de olie op bedrijfstemperatuur

    3. Onmiddellijk na elke wasbeurt, ongeacht de voorgeschreven interval

    Aantekening voor speciale aandachtsgebieden:

    Controle uitgevoerd door:
    ItemDatumInformatie
    1  
    2  
    3  
    4  
    5  
    6  
    7  
    8  

    Important: Raadpleeg de Gebruikershandleiding van de motor voor verdere onderhoudsprocedures.

    Note: Download het elektrische of hydraulische schema gratis op www.Toro.com; u kunt uw machine zoeken via de link Handleidingen op de hoofdpagina.

    Onderhoudsschema

    decal125-2927

    Voorzichtig

    Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen.

    Verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert.

    Procedures voorafgaande aan onderhoud

    Veiligheidmaatregelen voor onderhoudswerkzaamheden

    • Zorg ervoor dat alle onderdelen van de machine in goede staat verkeren en alle bevestigingselementen stevig vastzitten, in het bijzonder de bevestigingen van maaimessen. Vervang versleten of beschadigde stickers.

    • Laat personeel dat niet bekend is met de instructies, nooit onderhoudswerkzaamheden aan de machine uitvoeren.

    • Doe het volgende voordat u de machine gaat afstellen, schoonmaken of repareren:

      1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak.

      2. Schakel de aandrijvingen uit.

      3. Breng de maaidekken omlaag.

      4. Zet het tractiepedaal in de stand NEUTRAAL.

      5. Stel de parkeerrem in werking.

      6. Zet de gashendel op LAAG STATIONAIR.

      7. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

      8. Wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen.

    • Als u de machine parkeert, stalt of onbewaakt achterlaat, moet u de maaidekken neerlaten, tenzij u een betrouwbare mechanische vergrendeling gebruikt.

    • Voer indien mogelijk geen onderhoudswerkzaamheden uit aan de machine als de motor draait. Als u de motor moet laten draaien terwijl u onderhoudswerkzaamheden aan de machine uitvoert, dient u uw handen, voeten en andere lichaamsdelen, alsook uw kleding uit de buurt te houden van bewegende onderdelen, het uitwerpgebied van de maaier, en de onderkant van de maaidekken.

    • Raak geen onderdelen van de machine of werktuigen aan die tijdens het gebruik heet kunnen zijn geworden. Laat deze onderdelen eerst afkoelen voordat u ze afstelt of er onderhouds- of reparatiewerkzaamheden op uitvoert.

    • Plaats de machine en/of onderdelen ervan op assteunen indien dit nodig is.

    • Haal voorzichtig de druk van onderdelen met opgeslagen energie.

    • Neem contact op met uw Toro verdeler als er grote reparatiewerkzaamheden moeten worden uitgevoerd aan uw machine of als u hulp nodig hebt.

    • Gebruik ter vervanging uitsluitend originele onderdelen en accessoires van Toro. Gebruik ter vervanging nooit onderdelen en accessoires van andere fabrikanten, omdat dit gevaarlijk kan zijn. Dit kan ertoe leiden dat de garantie op het product komt te vervallen.

    De machine opkrikken

    Gebruik de volgende locaties om de machine op te krikken:

    • Voorkant van de machine – het rechthoekige blok, onder de asbuis, aan de binnenzijde van beide voorwielen (Figuur 44).

      g031850
    • Achterkant van de machine – rechthoekige asbuis op de achteras.

    Smering

    Lagers en lagerbussen smeren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 50 bedrijfsuren
  • Lagers en lagerbussen smeren. (Smeer onmiddellijk na elke wasbeurt, ongeacht het voorgeschreven interval.)
  • De machine is voorzien van smeerpunten die u regelmatig moet smeren met nr. 2 lithium vet. Smeer de machine ook onmiddellijk na elke wasbeurt.

    De smeerpunten en de hoeveelheden zijn:

    • Kruiskoppeling van aandrijfas van pomp (3) (Figuur 45)

      g003962
    • Cilinders van hefarmen van maaidek (2 elk) (Figuur 46)

      g011612
    • Draaipunten van hefarmen (1 elk) (Figuur 46)

    • Draaipunt draagframe van maaidek (1 elk) (Figuur 47)

      g011613
    • As van draaipunt van hefarmen (1 elk) (Figuur 48)

      g004157
    • Trekstang van achteras (2) (Figuur 49)

      g003987
    • Draaipunt van asbesturing (1) (Figuur 50)

      g004169
    • Kogelverbindingen van stuurcilinder (2) en achteras (1) (Figuur 51)

      g011614
    • Rempedaal (1) (Figuur 52)

      g011615
    • Lagers van spilas van maaidek (2 per maaidek) (Figuur 53)

      Note: U kunt beide smeernippels gebruiken: kies de nippel die het makkelijkst te bereiken is. Pomp vet in de nippel tot er vet aan de onderzijde van de asbehuizing verschijnt (aan de onderzijde van het dek).

      g008906
    • Lagers van achterrol (2 per maaidek) (Figuur 54)

      g008907

      Note: Controleer of de smeergroef in beide rolbevestigingen is uitgelijnd met de smeeropening in beide uiteinden van de rolas. Als hulp bij het uitlijnen van de groef en de opening bevindt zich verder een merkteken op één uiteinde van de rolas.

    Onderhoud motor

    Veiligheid van de motor

    U moet de motor afzetten voordat u het oliepeil controleert of het carter bijvult met olie.

    Onderhoud van het luchtfilter

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 400 bedrijfsuren
  • Luchtfilter onderhoudsbeurt geven. (Geef het luchtfilters een onderhoudsbeurt wanneer de luchtfilterindicator rood is. Dit moet vaker gebeuren in uiterst stoffige of vuile omstandigheden.)
  • Controleer het gehele luchtinlaatsysteem op lekken, beschadiging of losse slangklemmen. Gebruik geen beschadigd luchtfilter.

    Geef het luchtfilter uitsluitend een onderhoudsbeurt als de onderhoudsindicator dit aangeeft. Als u het luchtfilter vervangt voordat dit nodig is, wordt alleen maar de kans vergroot dat er vuil in de motor komt als u het filter verwijdert.

    Important: Zorg ervoor dat het deksel goed vastzit en de luchtfilterbehuizing helemaal afsluit.

    g031560g031351

    Motorolie verversen

    Olie specificaties

    Gebruik hoogwaardige motorolie met een laag asgehalte, die aan de volgende specificaties voldoet:

    • API service category CJ-4 of hoger

    • ACEA service category E6

    • JASO service category DH-2

    Important: Het gebruik van motorolie die niet voldoet aan API CJ-4 of hoger, ACEA E6, of JASO DH-2 kan leiden tot verstopping van het DPF of motorschade.

    Gebruik motorolie met de volgende viscositeit:

    • Voorkeursolie: SAE 15W-40 (above -17,8°C) 

    • Alternatieve olie: SAE 10W-30 of 5W-30 (voor alle temperaturen)

    Toro Premium motorolie is verkrijgbaar bij uw erkende Toro distributeur, met een viscositeit van 15W-40 of 10W-30. Zie de onderdelencatalogus voor de onderdeelnummers.

    Het motoroliepeil controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Oliepeil controleren.
  • Het carter van de motor is in de fabriek gevuld met olie; het oliepeil moet echter worden gecontroleerd voor- en nadat de motor voor de eerste keer wordt gestart.

    Important: Controleer het motoroliepeil dagelijks. Als de niveau van de motorolie hoger is dan het Vol-merkteken op de peilstok kan de olie verdund zijn met brandstof,in dat geval moet de olie vervangen worden.

    De beste tijd om de motorolie te controleren is wanneer de motor koud is voordat deze is gestart voor de dag. Als hij al heeft gedraaid, moet u de olie eerst terug laten lopen gedurende tenminste 10 minuten voordat u controleert. Als het olieniveau op of onder de bijvulmarkering 'Add' op de peilstok staat, vul dan olie bij om het olieniveau bij het Vol-merkteken 'Full' te brengen. Giet niet te veel olie in de motor.

    Important: Zorg ervoor dat het oliepeil tussen de merktekens voor het minimum en het maximum op de peilstok staat, de motor kan beschadigd worden indien deze te veel of te weinig olie bevat.

    1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak, zet de motor af, stel de parkeerrem in werking en verwijder het sleuteltje uit het contact.

    2. Motoroliepeil controleren (Figuur 56).

    g031558g031256

    Important: Zorg ervoor dat het oliepeil tussen de markeringen voor het minimum- en het maximumpeil op de peilstok staat. De motor kan defect raken als er te veel of te weinig olie in het carter is.

    Olievolume in het carter

    Ongeveer 5,2 liter inclusief het filter.

    Motorolie verversen en filter vervangen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 250 bedrijfsuren
  • Motorolie verversen en filter vervangen.
  • g031564g031400

    Important: Draai het filter niet te vast.

    Vul het carter met olie; zie Het motoroliepeil controleren.

    Onderhoud van de dieseloxidatiekatalysator (DOC) en roetfilter

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 6000 bedrijfsuren
  • Demonteer het roetfilter van het DPF, maak het schoon en monteer het geheel weer.Maak het roetfilter schoon als motorstoring spn 3720 fmi 16, spn 3720 fmi 0, of spn 3720 fmi 16 op het InfoCenter verschijnt.
    • Als advies op het InfoCenter verschijnt is het DPF binnenkort toe aan onderhoud van de dieseloxidatiekatalysator (DOC) en het roetfilter.

      g213865
    • Als motorstoring , , of op het InfoCenter (Figuur 59) verschijnt, maak het roetfilter dan schoon zoals hieronder beschreven:

      g214715g213864g213863
      1. Zie het hoofdstuk over de motor in de Onderhoudshandleiding voor informatie over de demontage en montage van de dieseloxidatiekatalysator (DOC) en roetfilter van het DPF.

      2. Neem contact op met uw erkende Toro distributeur voor vervangingsonderdelen of onderhoud van de dieseloxidatiekatalysator (DOC) en het roetfilter.

      3. Neem contact op met uw erkende Toro distributeur voor een reset van de ECU van de motor na montage van een schoon DPF.

    Onderhoud brandstofsysteem

    Onderhoud van het brandstoffilter

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 400 bedrijfsuren
  • Brandstoffilter vervangen.
  • Het brandstoffilter moet om de 400 bedrijfsuren worden vervangen.

    1. Maak de omgeving van de kop van het brandstoffilter schoon (Figuur 60).

      g021576
    2. Verwijder het filter en reinig het filterkopplaatsingsoppervlak (Figuur 60).

    3. Smeer de filterpakking met schone motorsmeerolie. Raadpleeg de Gebruikershandleiding van de motor voor meer informatie.

    4. Monteer de droge filterbus met de hand totdat de pakking contact maakt en draai deze vervolgens nog een halve slag verder.

    5. Start de motor en controleer op brandstoflekkage rond de filterkop.

    Onderhoud van de waterafscheider

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Verwijder dagelijks water of ander vuil uit de waterafscheider.
  • Om de 400 bedrijfsuren
  • Brandstoffilterbus vervangen.
  • g031561g031662

    Onderhoud van brandstofsysteem

    Brandstof aftappen uit de brandstoftank

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 800 bedrijfsuren
  • Brandstoftank aftappen en reinigen.
  • Vóór de stalling
  • Brandstoftank aftappen en reinigen.
  • De tank moet worden afgetapt en gereinigd als het brandstofsysteem vervuild raakt of wanneer de machine voor langere tijd wordt gestald. Gebruik schone brandstof om de tank uit te spoelen.

    Brandstofleidingen en aansluitingen controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 400 bedrijfsuren
  • De leidingen en aansluitingen controleren op slijtage, beschadigingen of loszittende verbindingen,(of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden).
  • Controleer deze op slijtage, beschadigingen of loszittende verbindingen.

    De brandstofaanzuigbuis gebruiken

    De brandstofaanzuigbuis bevindt zich in de brandstoftank en is voorzien van een rooster dat voorkomt dat er vuil in het brandstofsysteem komt. Verwijder de brandstofaanzuigbuis en reinig het rooster als dit nodig is.

    Onderhoud elektrisch systeem

    Veiligheid van het elektrisch systeem

    • Koppel de accu af voordat u reparaties aan de machine verricht. Maak eerst de minpool van de accu los en daarna de pluspool. Bevestig eerst de pluspool van de accu en daarna de minpool.

    • Accuzuur is giftig en kan brandwonden veroorzaken. Voorkom contact met uw huid, ogen en kleding. Bescherm uw gezicht, ogen en kleding als u werkzaamheden verricht aan de accu.

    • Accugassen kunnen ontploffen. Houd sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.

    • Laad de accu's op in een open, goed geventileerde ruimte, uit de buurt van vonken en open vuur. Haal de oplader uit het stopcontact voordat u de accu aan- of loskoppelt. Draag beschermende kleding en gebruik geïsoleerd gereedschap.

    • Gebruik geen hogedrukreiniger in de buurt van elektronische onderdelen.

    Waarschuwing

    Accuklemmen, accupolen en dergelijke onderdelen bevatten lood en loodverbindingen. Van deze stoffen is bekend dat ze kanker en schade aan de voortplantingsorganen veroorzaken. Was altijd uw handen nadat u met deze onderdelen in aanraking bent geweest.

    De zekeringen vinden

    Er zijn 8 zekeringen in het elektrische systeem. De zekeringhouder (Figuur 62) bevindt zich achter het inspectieluik op de bedieningsarm.

    g021219
    decal117-0169

    De toestand van de accu controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 50 bedrijfsuren
  • De accu controleren en reinigen.
  • Aansluitingen van de accukabels controleren.
  • Important: Voordat u laswerkzaamheden aan de machine verricht, moet u de minkabel loskoppelen van de accu om beschadiging van het elektrische systeem te voorkomen. U dient ook de motor, het InfoCenter en de bedieningsorganen van de machine loskoppelen voordat u laswerkzaamheden uitvoert op de machine.

    Note: Controleer de conditie van de accu elke week of om de 50 bedrijfsuren. Zorg ervoor dat de accuklemmen en de gehele accubehuizing schoon zijn omdat een vuile accu langzaam stroom afgeeft. Om de accu te reinigen, moet u de hele accubak wassen met een oplossing van natriumbicarbonaat en water. Omspoelen met schoon water. Smeer een dun laagje Grafo 112X-vet (Toro onderdeelnr. 505-47) of vaseline op de accupolen en de kabelklemmen om corrosie te voorkomen.

    Accu opladen

    Waarschuwing

    Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen.

    Rook niet in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu komen.

    Important: Houd de accu volledig geladen. Dit is vooral belangrijk om beschadiging van de accu te voorkomen bij temperaturen beneden 0 °C.

    1. Maak de buitenkant van de accubehuizing en de accupolen schoon.

      Note: Sluit de kabels van de acculader aan op de accupolen voordat u de lader aansluit op de voeding.

    2. Bepaal welke de plus- en de minpool van de accu is.

    3. Verbind de pluskabel van de acculader met de pluspool van de accu (Figuur 64).

      g003792
    4. Verbind de minkabel van de acculader met de minpool van de accu (Figuur 64).

    5. Sluit de acculader aan op de voeding en laad de accu op.

      Important: De accu niet te ver opladen.

    6. Zodra de accu volledig is opgeladen, maakt u de acculader los van de voeding en maakt u vervolgens de oplaadkabels los van de accuklemmen (Figuur 64).

    Onderhoud aandrijfsysteem

    De tractieaandrijving afstellen voor de neutraalstand

    De machine mag niet kruipen als het tractiepedaal niet is ingetrapt. Als de machine kruipt, moet u de tractieaandrijving als volgt afstellen:

    1. Plaats de machine op een vlakke ondergrond, draai het contactsleuteltje op UIT en breng de maaidekken omlaag tot op de grond.

    2. Krik de machine op tot alle banden vrijkomen van de vloer van de werkplaats. Zorg ervoor dat de machine steunt op de rustpunten van de krik om te voorkomen dat de machine per ongeluk valt.

    3. Draai de borgmoer op de afstelnok van de tractie, rechts van de hydrostaat, los (Figuur 65).

      g004147

      Waarschuwing

      De motor moet lopen zodat een laatste afstelling van de afstelnok van de tractie kan worden uitgevoerd. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken.

      Houd uw gezicht, handen, voeten en andere lichaamsdelen uit de buurt van de geluiddemper, andere hete onderdelen van de motor en draaiende onderdelen.

    4. Draai het contactsleuteltje op AAN, start de motor en draai de zeskantige moer van de nok in een van beide richtingen tot de wielen stoppen met draaien.

    5. Draai de borgmoer vast om de afstelling te borgen.

    6. Draai het contactsleuteltje naar de stand UIT, verwijder de assteunen en laat de machine zakken tot op de vloer van de werkplaats.

    7. Maak een proefrit met de machine om er zeker van te zijn dat deze niet kruipt.

    Toespoor achterwielen afstellen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 800 bedrijfsuren
  • Controleer het toespoor van de achterwielen.
    1. Draai het stuurwiel zodanig dat de achterwielen recht naar voren wijzen.

    2. Draai de contramoeren aan de uiteinden van de trommel van de tractiestang los (Figuur 66).

      Note: Het uiteinde van de trekstang met de groef op de buitenkant heeft een linkse draad.

      g031686
    3. Draai de trekstang. Gebruik hiervoor de sleutelgleuf.

    4. Meet de afstand bij de voorkant en achterkant van de achterwielen ter hoogte van de as.

      Note: De afstand aan de voorkant van de achterwielen mag niet meer dan 6 mm verschillen van die aan de achterkant van de wielen.

    5. Herhaal deze procedure als dit nodig is.

    Onderhoud koelsysteem

    Veiligheid van het koelsysteem

    Voorzichtig

    Als u hete, onder druk staande koelvloeistof over u heen krijgt of in aanraking komt met een hete radiateur of omliggende delen, kunt u ernstige brandwonden oplopen.

    • Verwijder de radiateurdop nooit als de motor heet is. Laat de motor minstens 15 minuten afkoelen of wacht totdat de radiateurdop zover is afgekoeld dat u deze kunt aanraken zonder uw hand te branden.

    • Raak nooit de radiateur en omliggende delen aan als deze heet zijn.

    Gevaar

    Voorkom inslikken van motorkoelvloeistof; dit kan vergiftiging veroorzaken.

    • Slik geen motorkoelvloeistof in.

    • Buiten bereik van kinderen en huisdieren houden.

    Het koelsysteem controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer het koelvloeistofpeil in de expansietank en verwijder vuil van het rooster, de oliekoeler en de voorkant van de radiateur.
  • Het koelsysteem bevat een mengsel met een 50/50 verhouding van water en permanente ethyleenglycol-antivries. De inhoud van het koelsysteem is 9,5 liter.

    Gevaar

    Draaiende ventilators en lopende drijfriemen kunnen letsel veroorzaken.

    • Gebruik de machine nooit zonder dat de kappen zijn geplaatst.

    • Houd vingers, handen en kleding uit de buurt van een draaiende ventilator en drijfriem.

    • Zet de motor af en verwijder het contactsleuteltje voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert.

    Voorzichtig

    Als de motor heeft gelopen, kan de hete koelvloeistof, die onder druk staat, ontsnappen indien de radiateurdop wordt verwijderd. Dit kan brandwonden veroorzaken.

    • Verwijder de radiateurdop nooit als de motor loopt.

    • Gebruik een doek als u de radiateurdop verwijdert en draai de dop langzaam open om de stoom te laten ontsnappen.

    1. Controleer het koelvloeistofpeil in de expansietank (Figuur 67).

      Note: Het koelvloeistofpeil behoort tussen de markeringen op de zijkant van de tank te staan.

      g021866
    2. Als het koelvloeistofpeil te laag staat, verwijdert u de dop van de expansietank en vult u het systeem bij. Niet te vol vullen.

    3. Plaats de dop van de expansietank terug.

    Het koelsysteem reinigen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Verwijder dagelijks het vuil van het scherm en de radiateur/oliekoeler (vaker bij gebruik in vuile omstandigheden).
  • Om de 100 bedrijfsuren
  • Slangen van koelsysteem controleren.
  • Om de 2 jaar
  • Koelsysteem schoonspoelen en koelvloeistof vervangen.
  • Verwijder dagelijks het vuil van het scherm en de radiateur/oliekoeler (vaker reinigen in vuile omstandigheden).

    1. Draai het contactsleuteltje op UIT en verwijder het sleuteltje.

    2. Verwijder grondig al het vuil dat zich rond het motorgedeelte bevindt.

    3. Maak de sluiting los en draai het achterscherm open (Figuur 68).

      g004138
    4. Reinig beide zijden van de radiateur en oliekoeler grondig Figuur 69) met perslucht.

      g022306
    5. Sluit het scherm en maak de sluiting vast.

    Onderhouden remmen

    Parkeerremmen afstellen

    Stel de remmen af als de rempedaal meer dan 25 mm speling heeft (Figuur 70), of als er meer remkracht nodig is. Met speling wordt de afstand bedoeld die het rempedaal wordt ingetrapt voordat er remweerstand wordt gevoeld.

    g026816

    Note: Gebruik de speling van de wielmotor om de trommels heen en weer te bewegen om te controleren of deze voor en na het afstellen vrij kunnen bewegen.

    1. Om de speling op de rempedalen te verkleinen, draait u de remmen vast. Draai hiervoor de voorste moer op het draadeinde van de remkabel los (Figuur 71).

      g031689
    2. Draai de achterste moer vast om de kabel naar achteren te halen totdat de rempedalen 0,63 tot 1,27 cm speling hebben (Figuur 70) voordat het wiel blokkeert.

    3. Draai de voorste moeren aan en controleer of beide kabels de remmen gelijktijdig in werking stellen. Zorg ervoor dat de kabelgeleiding niet draait tijdens het vastdraaien.

    Parkeerremvergrendeling afstellen

    Als de parkeerrem niet werkt of vergrendelt, moet de pal van de parkeerrem worden afgesteld.

    1. Draai de 2 schroeven los waarmee de pal van de parkeerrem is bevestigd aan het frame (Figuur 72).

      g031690
    2. Trap het pedaal van het parkeerrem naar voren totdat de remvergrendeling de rempal geheel vastgrijpt (Figuur 72).

    3. Draai de 2 schroeven vast om de afstelling te borgen.

    4. Trap op het rempedaal om de parkeerrem vrij te zetten.

    5. Controleer de afstelling en stel nogmaals af indien dit nodig is.

    Onderhoud riemen

    Onderhoud van de riem van de wisselstroomdynamo

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 10 bedrijfsuren
  • Spanning van de riem van de wisselstroomdynamo controleren.
  • Om de 100 bedrijfsuren
  • De conditie en de spanning van de wisselstroomdynamo/ventilator controleren.
    1. Bij een correcte spanning heeft de riem een speling van 10 mm als u halverwege tussen de poelies op de riem drukt met een kracht van 4,5 kg.

    2. Als de speling niet correct is (10 mm), moet u de montagebouten van de wisselstroomdynamo losdraaien (Figuur 73). Verhoog of verminder de spanning van de riem van de wisselstroomdynamo en draai de bouten vast. Controleer nogmaals de speling van de riem om zeker van te zijn dat de spanning correct is.

      g020537

    Onderhoud hydraulisch systeem

    Veiligheid van het hydraulische systeem

    Waarschuwing

    Hydraulische vloeistof die onder druk ontsnapt, kan door de huid heen dringen en letsel veroorzaken.

    • Controleer of alle hydraulische slangen en leidingen in goede staat verkeren en alle hydraulische aansluitingen en fittings stevig vastzitten voordat u druk zet op het hydraulische systeem.

    • Houd lichaam en handen uit de buurt van kleine lekgaten of spuitmonden waaruit onder hoge druk hydraulische vloeistof ontsnapt.

    • U kunt lekken in het hydraulische systeem opsporen met behulp van karton of papier.

    • Hef alle druk in het hydraulische systeem op veilige wijze op, voordat u werkzaamheden gaat verrichten aan het hydraulische systeem.

    • Waarschuw onmiddellijk een arts als er hydraulische vloeistof is geïnjecteerd in de huid.

    Het peil van de hydraulische vloeistof controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer het peil van de hydraulische vloeistof.
  • Het reservoir voor hydraulische vloeistof is in de fabriek gevuld met ongeveer 37,8 liter hoogwaardige hydraulische vloeistof. Controleer het peil van de hydraulische vloeistof voordat de motor voor het eerst wordt gestart, en vervolgens dagelijks. Aanbevolen wordt het reservoir bij te vullen met de volgende hydraulische vloeistof:

     Toro Premium All Season hydraulische vloeistof (verkrijgbaar in emmers van 18,9 liter of vaten van 208 liter. Raadpleeg de Onderdelencatalogus of uw Toro dealer voor de onderdeelnummers.)

    Andere vloeistoffen: Als de hydraulische vloeistof van Toro niet beschikbaar is, kunt u andere vloeistoffen gebruiken mits deze voldoen aan alle volgende materiaaleigenschappen en industriespecificaties: We raden af een synthetische vloeistof te gebruiken. Vraag uw smeermiddelenleverancier naar een geschikt product.

    Note: Toro aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade die wordt veroorzaakt door gebruik van verkeerde vervangende vloeistoffen. Gebruik daarom uitsluitend producten van gerenommeerde fabrikanten die garant staan voor de door hen aanbevolen vloeistoffen.

    ISO VG 46 slijtagewerende hydraulische vloeistof met hoge viscositeitsindex/laag stolpunt

     Materiaaleigenschappen:
      Viscositeit, ASTM D445cSt bij 40°C 44 tot 50
       cSt bij 100°C 7,9 tot 8,5
      Viscositeitsindex ASTM D2270140 tot 160
      Stolpunt, ASTM D97- 37 °C tot - 45 °C
      Industriespecificaties:Vickers I-286-S (kwaliteitsniveau), Vickers M-2950-S (kwaliteitsniveau), Denison HF-0

    Important: De ISO VG 46 Multigrade vloeistof blijkt een optimale werking te bieden bij een groot aantal temperatuuromstandigheden. Voor gebruik bij constant hoge omgevingstemperaturen van 18 °C tot 49 °C, kan ISO VG 68 hydraulische vloeistof zorgen voor betere prestaties.

    Hoogwaardige biologisch afbreekbare hydraulische vloeistof-Mobil EAL EnviroSyn 46H

    Important: Mobil EAL EnviroSyn 46H is de enige synthetische biologisch afbreekbare vloeistof die Toro heeft goedgekeurd. Deze vloeistof is compatibel met de elastomeren die worden gebruikt in hydraulische systemen van Toro, en is geschikt voor een groot aantal temperatuursomstandigheden. Deze vloeistof is compatibel met gangbare minerale olie, maar met het oog op maximale biologische afbreekbaarheid en goede prestaties moet het hydraulische systeem grondig met gewone vloeistof worden gespoeld. De vloeistof is verkrijgbaar in emmers van 19 liter of vaten van 208 liter bij een Mobil-leverancier.

    Note: Veel hydraulische vloeistoffen zijn bijna kleurloos, zodat het moeilijk is lekkages op te sporen. Er is een rode kleurstof voor de vloeistof in het hydraulisch systeem verkrijgbaar in flesjes van 20 ml. Eén flesje is voldoende voor 15 tot 22 l hydraulische olie. Bestel onderdeelnummer 44-2500 bij uw Toro-dealer.

    1. Plaats de machine op een egale ondergrond, laat de maaidekken zakken en draai het contactsleuteltje op UIT.

    2. Controleer het peil van de hydraulische vloeistof (Figuur 74).

      g031604g031605

    Hydraulische vloeistof verversen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 800 bedrijfsuren
  • De hydraulische vloeistof verversen.
  • Om de 2 jaar
  • Hydraulische tank aftappen en schoonspoelen.
  • Als de vloeistof verontreinigd raakt, moet u contact opnemen met uw plaatselijke Toro dealer omdat het systeem dient te worden schoongespoeld. Verontreinigde vloeistof ziet er in vergelijking met schone vloeistof melkachtig of zwart uit.

    1. Zet de motor af en til de motorkap op om de motor en de hydraulische vloeistof te laten afkoelen.

    2. Plaats een grote opvangbak onder de fitting aan de onderzijde van het hydraulische reservoir (Figuur 75).

      g004139
    3. Maak de slang los van de onderkant van de nippel en laat de hydraulische vloeistof in de opvangbak lopen.

    4. Monteer de slang als er geen hydraulische vloeistof meer naar buiten komt.

    5. Vul het reservoir met ongeveer 45 liter hydraulische vloeistof; zie Het peil van de hydraulische vloeistof controleren.

      Important: Gebruik uitsluitend de voorgeschreven typen hydraulische vloeistof. Andere vloeistoffen kunnen schade aan het systeem veroorzaken.

    6. Plaats de dop weer op het reservoir.

    7. Start de motor en gebruik alle hydraulische bedieningsorganen om de hydraulische vloeistof door het hele systeem te verspreiden. Controleer ook op lekkages.

    8. Zet de motor af.

    9. Controleer het peil van de hydraulische vloeistof en vul voldoende vloeistof bij totdat het peil de Vol-markering op de peilstok bereikt.

      Important: Niet te vol vullen.

    Hydraulische filters vervangen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 800 bedrijfsuren
  • Hydraulische filters vervangen (eerder als de onderhoudsintervalindicator in de rode zone staat).
  • Het hydraulische systeem is voorzien van een onderhoudsintervalindicator (Figuur 76). Laat de motor lopen en kijk op de indicator; deze moet in de Groene zone staan. Als de indicator in de rode zone staat, moeten de hydraulische filters worden vervangen.

    g031683

    Important: Als andere filters worden gebruikt, kan de garantie van bepaalde onderdelen komen te vervallen.

    1. Plaats de machine op een egale ondergrond, laat de maaidekken zakken, draai het contactsleuteltje op UIT, stel de parkeerrem in werking en verwijder het sleuteltje.

    2. Vervang de beide hydraulische filters (Figuur 77).

      g031625g031621
    3. Draai het contactsleuteltje op AAN, start de motor en laat hem ongeveer 2 minuten draaien om het systeem te ontluchten.

    4. Draai het contactsleuteltje op UIT en controleer op lekken.

    Hydraulische slangen en leidingen controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • De hydraulische leidingen en slangen controleren op lekkages, kinken, loszittende steunen, slijtage, loszittende aansluitingen, slijtage door weersinvloeden en de inwerking van chemicaliën.
  • Controleer dagelijks de hydraulische leidingen en slangen op lekkages, kinken, loszittende steunen, slijtage, loszittende aansluitingen, slijtage door weersinvloeden en de inwerking van chemicaliën. Voer alle noodzakelijke reparaties uit voordat u de machine weer in gebruik neemt.

    De druk in het hydraulische systeem testen.

    De testpoorten worden gebruikt om de druk in de hydraulische circuits te testen. Neem contact op met uw Toro dealer als u hulp nodig hebt.

    Functies van de hydraulische solenoïdeklep

    Raadpleeg onderstaande lijst voor een beschrijving van de verschillende functies van de solenoïdes in het verdeelstuk van het hydraulische systeem. Elke solenoïde moet worden geactiveerd om een functie in te schakelen.

    SolenoïdeFunctie
    PRV2Voorste maaicircuit
    PRV1Achterste maaicircuit
    PRVMaai-eenheden ophoog/omlaag brengen
    S1Maai-eenheden omlaag brengen
    S2Maai-eenheden omlaag brengen

    Onderhoud van het maaidek

    Het maaidek van de tractie-eenheid verwijderen

    1. Plaats de machine op een vlakke ondergrond, laat de maaidekken op de grond zakken, draai het contactsleuteltje op UIT en stel de parkeerrem in werking.

    2. Ontkoppel de hydraulische motor en verwijder deze van het dek (Figuur 78). Bedek de bovenzijde van de as zodat deze niet vuil wordt.

      g011351
    3. Verwijder de lynchpen waarmee het draagframe van het maaidek aan de draaipen van de hefarm is bevestigd (Figuur 79).

      g031691
    4. Rol het maaidek bij de tractie-eenheid vandaan.

    De maaidekken aan de tractie-eenheid bevestigen

    1. Plaats de machine op een vlakke ondergrond en draai het contactsleuteltje op UIT.

    2. Plaats het maaidek vóór de tractie-eenheid.

    3. Schuif het draagframe van het maaidek op de draaipen van de hefarm en zet vast met de borgpen (Figuur 79).

    4. Installeer de hydraulische motor op het dek (Figuur 78). Controleer of de O-ring zich op de juiste plaats bevindt en niet beschadigd is.

    5. Smeer de as.

    Onderhoud van de voorrol

    Controleer de voorrol op slijtage, wiebelen of klemmen. Voer onderhoud uit op de rol of de onderdelen ervan of vervang deze als u dergelijke zaken aantreft.

    De voorrol demonteren

    1. Verwijder de montagebout van de rol (Figuur 80).

    2. Sla een drevel door het uiteinde van de rolbehuizing en sla het lager aan de tegenovergelegen zijde eruit door beurtelings aan beide zijden van de binnenste loopring van het lager te tikken. Er moet een lipje van de binnenste loopring van 1,5 mm bloot komen te liggen.

      g011356
    3. Druk het tweede lager eruit.

    4. Controleer de rolbehuizing, de lagers en het afstandsstuk van het lager op schade (Figuur 80).

    5. Vervang beschadigde onderdelen en zet de rolconstructie weer in elkaar.

    De voorrol monteren

    1. Druk het eerste lager in de rolbehuizing (Figuur 80). Druk alleen op het buitenste loopvlak of druk evenwijdig op het binnen- en buitenloopvlak.

    2. Plaats het afstandsstuk (Figuur 80).

    3. Druk het tweede lager in de rolbehuizing (Figuur 80) en druk evenwijdig op het binnen- en buitenloopvlak totdat het binnenloopvlak in contact komt met het afstandsstuk.

    4. Plaats de rolconstructie in het maaidekframe.

      Important: Als de rolconstructie wordt bevestigd met een opening die groter is dan 1,5 mm zorgt dit voor een zijdelingse belasting van het lager. Dit kan leiden tot voortijdige slijtage van het lager.

    5. Controleer of er maximaal 1,5 mm speling is tussen de rolconstructie en de montagebeugels van het maaidekframe. Als de opening groter is dan 1,5 mm, plaats dan voldoende ringen met een diameter van ā…" om de speling aan te passen.

    6. Draai de bevestigingsbout vast met een torsie van 108 N·m.

    Stalling

    Voorbereidingen voor stalling

    De tractie-eenheid gebruiksklaar maken

    1. Reinig de tractie-eenheid, de maaidekken en de motor grondig.

    2. Controleer de bandenspanning. Breng alle banden op een spanning van 0,83 tot 1,03 bar.

    3. Controleer of alle bevestigingen vastzitten; zet ze vast indien nodig.

    4. Smeer alle smeer- en draaipunten. Neem overtollig vet op.

    5. Plaatsen waar de lak is bekrast, beschadigd of geroest, moeten licht geschuurd en bijgewerkt worden. Eventuele deuken in de metalen carrosserie uitdeuken.

    6. Verricht de volgende onderhoudswerkzaamheden aan de accu en de kabels:

      1. Haal de accuklemmen los van de accupolen.

        Note: Maak altijd eerst de minpool van de accu los en daarna de pluspool. Bevestig altijd eerst de pluspool van de accu en daarna de minpool.

      2. Reinig de accu, de klemmen en de polen met behulp van een staalborstel en een oplossing van zuiveringszout (natriumbicarbonaat).

      3. Smeer een dun laagje Grafo 112X-vet (Toro onderdeelnr. 505-47) of vaseline op de kabelklemmen en de accupolen om corrosie te voorkomen.

      4. Laad de accu om de 60 dagen 24 uur lang op om loodsulfatie van de accu te voorkomen.

    De motor gebruiksklaar maken

    1. Tap de motorolie af uit het carter en plaats de aftapplug weer terug.

    2. Verwijder het oliefilter en gooi het weg. Plaats een nieuw oliefilter.

    3. Vul het oliecarter met de aangegeven hoeveelheid motorolie.

    4. Draai het contactsleuteltje op AAN, start de motor en laat hem ongeveer 2 minuten stationair draaien.

    5. Draai het contactsleuteltje naar de stand UIT.

    6. Tap alle brandstof goed af uit de brandstoftank, de brandstofleidingen en het brandstoffilter/waterafscheider.

    7. Spoel de brandstoftank om met verse, schone dieselbrandstof.

    8. Zet alle onderdelen van het brandstofsysteem weer goed vast.

    9. Zorg ervoor dat het luchtfilter grondig worden gereinigd en een onderhoudsbeurt krijgt.

    10. Plak de luchtfilterinlaat en de uitlaat af met weerbestendige tape.

    11. Controleer de antivriesbescherming en vul zoveel bij als nodig is met het oog op de plaatselijk te verwachten minimumtemperatuur.

    Maaidek stallen

    Als het maaidek langere tijd wordt verwijderd van de tractie-eenheid, plaats dan een plug in de bovenzijde van de as om te voorkomen dat er vuil of water in de as terecht kan komen.