Inleiding

Het GeoLink® Precision spuitsysteem bepaalt automatisch de gebruiksdosis en het spuitgebied. Het systeem controleert het bespoten oppervlak, de voertuigsnelheid en het totale volume gespoten materiaal. U stelt het doelvolume per te bespuiten oppervlakte-eenheid in en vervolgens zorgt het spuitsysteem automatisch dat de stroom wordt aangepast aan de voertuigsnelheid en dat het daadwerkelijke volume materiaal per bespoten oppervlak continu wordt weergegeven.

Lees deze handleiding zorgvuldig, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze kunt gebruiken en onderhouden. De informatie in deze handleiding kan u en anderen helpen letsel en schade te voorkomen. Hoewel Toro veilige producten ontwerpt en fabriceert, blijft u verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van de machine. U kunt op www.Toro.com rechtstreeks contact met Toro opnemen om informatie over producten en accessoires te verkrijgen, een verkoper te vinden of uw product te registreren.

Als u service, originele Toro-onderdelen of aanvullende informatie nodig hebt, kunt u contact opnemen met een erkende Service Dealer of met de klantenservice van Toro. U dient hierbij altijd het modelnummer en het serienummer van het product te vermelden.

Er worden in deze handleiding een aantal mogelijke gevaren en een aantal veiligheidsberichten genoemd met de volgende veiligheidssymbolen (Figure 1), die duiden op een gevaarlijke situatie die zwaar lichamelijk letsel of de dood tot gevolg kan hebben als u de veiligheidsvoorschriften niet in acht neemt.

g000502

Er worden in deze handleiding twee woorden gebruikt om uw aandacht op bijzondere informatie te vestigen. Belangrijk attendeert u op bijzondere technische informatie en Opmerking duidt algemene informatie aan die bijzondere aandacht verdient.

Waarschuwing

CALIFORNIA

Proposition 65 Warning

Gebruik van dit product kan leiden tot blootstelling aan chemische stoffen waarvan de Staat Californië weet dat ze kanker, geboorteafwijkingen en andere schade aan het voortplantingssysteem veroorzaken.

Veiligheid

Lees deze Gebruikershandleiding en zorg ervoor dat u deze begrijpt voordat u de aansturingscomputer in gebruik neemt.

  • Bewaar deze instructies bij de Gebruikershandleiding van de gazonspuitmachine.

  • Iedereen die deze apparatuur bedient moet altijd makkelijk toegang hebben tot deze gebruiksaanwijzingen.

  • Lees deze instructies en de aanwijzingen in de Gebruikershandleiding van de gazonspuitmachine zorgvuldig door. Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bediening en weet hoe u de machine moet gebruiken.

  • Laat nooit kinderen of personen die de instructies niet kennen, de machine gebruiken.

  • Spuit nooit als er mensen, met name kinderen, en huisdieren in de buurt zijn.

  • Chemicalin kunnen schadelijk zijn voor mensen, dieren, planten, de bodem of andere eigendommen. Voorkom persoonlijk letsel en milieuvervuiling:

    • Gebruik de juiste chemische stof voor de klus.

    • Volg de gebruiksaanwijzingen van de fabrikant op de verpakkingen van de chemicalin op. Verwerk de chemicalin zoals aanbevolen.

    • Verwerk de chemicalin zorgvuldig.

    • Draag alle benodigde beschermende kleding.

    • Werk alleen in goed geventileerde ruimtes met chemicalin.

    • Rook nooit tijdens het werken met chemicalin.

    • Voer verpakkingen en ongebruikte chemicalin op de juiste manier af.

  • Onthoud dat de gebruiker of bediener verantwoordelijk is voor ongevallen of schade aan andere personen of hun eigendommen.

Algemeen overzicht van de machine

g204997
g204996
g204995
g205645
g205646

Schermhelderheid-toetsen

Pas de schermhelderheid van de bedieningseenheid aan met de pictogrammen van de SCHERMHELDERHEID (Figure 7).

  • Druk op de (-) SCHERMHELDERHEID-toets om de helderheid te verlagen.

  • Druk op de (+) SCHERMHELDERHEID-toets om de helderheid te verhogen.

  • Druk op de HELDERHEIDSMODUS-toets voor 1 van de volgende mogelijkheden:

    • Auto (de helderheid van het scherm wordt aangepast met behulp van de lichtsensor in de bedieningseenheid)

    • Dagmodus (vooringestelde helderheid voor het werken bij helder daglicht)

    • Nachtmodus (vooringestelde helderheid voor het werken bij weinig daglicht)

g030694

Aan-/uit-knop

Important: Het systeem schakelt IN bij het starten van de machine. U heeft de aan/uit-knop niet nodig om het systeem op te starten.

  • Bij normaal bedrijf start u het spuitsysteem van de X-30 OP met het contactsleuteltje in de stand LOPEN.

    Note: Indien u het X-30 spuitsysteem opnieuw moet opstarten, kunt u de knop aan de achterkant van het bedieningspaneel indrukken (Figure 8).Het scherm en de lichtbalk beginnen te knipperen wanneer het systeem ingeschakeld wordt.

  • Schakel het spuitsysteem van de X-30 UIT met het contactsleuteltje in de stand UIT.

    Note: In noodgevallen kunt u het spuitsysteem van de X-30 uitschakelen met de aan-/uit-knop achteraan de bedieningseenheid (Figure 8).

Note: Als het bedieningspaneel op de juiste manier wordt uitgeschakeld blijven de gegevens in het geheugen van de ECU bewaard.

Note: Druk de rode knop niet in, dat leidt tot een reset van het systeem.

g030693

Hulpknop

Met de hulpknop kunt u de namen van de pictogrammen op het huidige scherm weergeven (Figure 7). Als u op de hulpknop drukt verschijnt er uitleg over het bedieningselement (Figure 9). Druk nogmaals op de hulpknop om de hulp-pictogrammen te laten verdwijnen.

g203343

USB-vrijgaveknop

Gebruik de USB-VRIJGAVEKNOP voordat u een usb-apparaat van de bedieningseenheid van de X-30 koppelt (Figure 7).

Note: De USB-poort (niet weergegeven) bevindt zich aan de linkerkant van het bedieningspaneel.

Schermopname/home-knop

Om de home-knop te gebruiken drukt u op de SCHERMOPNAME/HOME-knop. Met deze knop kunt u het scherm 'opruimen' of snel teruggaan naar de informatie op het operationele scherm.

Om een schermopname te maken houd u de SCHERMOPNAME/HOME-knop ingedrukt, het schermbeeld wordt dan op de USB-stick opgeslagen.

Knoppen annuleren/bevestigen

Gebruik deze knoppen om ingevoerde data of een selectie te annuleren of te bevestigen. Als ze weergegeven worden, moet u 1 van deze knoppen indrukken om het scherm te kunnen verlaten (Figure 10).

g030695

Kleurcodes werktuig

Deze codes verwijzen naar de stand en de richting van het voertuig en het werktuig.

De kleurcode van het werktuig geeft de status van de producttoepassing weer en heeft de volgende betekenis (Figure 11):

  • Rood – de spuitboomsectie is uitgeschakeld.

  • Blauw – de spuitboomsectie is onderdrukt (ingeschakeld maar geen stroming, meestal vanwege lage snelheid of druk).

  • Geel – de spuitboomsectie is ingeschakeld maar er is doelbewust geen stroming (meestal omdat de automatische besturing dit stopt).

  • Groen – de spuitboomsectie is ingeschakeld en er is stroming.

    g031203

Het is belangrijk dat de gebruiker de volgende afkortingen begrijpt:

  • WAAS (Wide Area Augmentation System): systeem om de positie te corrigeren (ontwikkeld door de US Federal Aviation Administration voor gebruik in de luchtvaart, verbetert de nauwkeurigheid en beschikbaarheid van het GPS-signaal).

  • RTK (Real Time Kinematic) – RTK Network – verzameling basisstations die positie-gegevens naar een server sturen, via het Internet. GPS-gestuurde machines met RTK-correctie wisselen gegevens uit met de server. Ze versturen positie-informatie en ontvangen correctie-informatie via het mobiele telefoonnetwerk. Op basis van de positie-gegevens van het basisstation berekent de server de positiecorrectie-gegevens en stuurt die naar de machine. De gecorrigeerde GPS-positie heeft een nauwkeurigheid van 1 tot 2cm.

  • GLONASS (Global Navigation Satellite System (Russian GNSS)) – Hiermee kan de GPS-ontvanger naast GPS ook het Russische satellietnavigatiesysteem gebruiken.

Gebruiksaanwijzing

De computer in de automatische bediening van de spuitboomsecties (Automatic Section Controller, ASC) regelt de dosis aan de hand van de snelheid van de machine. U stelt de gewenste hoeveelheid per oppervlakte-eenheid in en de ASC regelt de stroming automatisch binnen het betreffende snelheidsbereik van de machine. De volumestroom die verspoten wordt verschijnt op het display. Het bedieningspaneel geeft ook de bespoten oppervlakte, machinesnelheid en totaal verspoten volume weer.

Het GeoLink-systeem heeft 2 GPS-opties:

  • Het GPS-systeem gebruikt WAAS met RTK-correctie (positiecorrectie-gegevens verzonden via het mobiele telefoonnetwerk).

  • Het GPS-systeem gebruikt alleen WAAS (dus geen correctie) voor positie en hulp.

Als het GeoLink-systeem WAAS gebruikt met RTK is de positiebepaling bij het spuiten nauwkeuriger en biedt het bedieningspaneel extra mogelijkheden.

Note: Controleer of de spuitmachine juist gekalibreerd is voordat u begint te spuiten.

Note: Verzeker dat het InfoCenter op GeoLink is ingesteld voordat u begint te spuiten.

De verschillende weergavemodussen

Welke spuitbedieningsorganen, opties en instellingen beschikbaar zijn, is afhankelijk van de weergavemodus die u gebruikt. De weergavemodus hangt af van het toegangsniveau dat is gekozen in het Instellingen-scherm.

  • Easy Mode/Eenvoudige modus – bedoeld voor algemene spuitwerkzaamheden, beschikbaar voor alle gebruikers.

  • Standard Mode/Standaard modus – bedoeld voor het instellen van werkzaamheden, aangeven van begrenzingen, kalibratie en algemene spuitwerkzaamheden. Deze modus kan met een wachtwoord worden beveiligd en er kunnen extra functies van het GeoLink-systeem mee worden ingesteld. De standaard modusinformatie is in videoformaat.Zie de video's op de USB-stick die met het GeoLink-systeem is meegeleverd of op www.Toro.com.

    Note: Gebruik de standaard modus bij het aangeven van de begrenzing van het te bespuiten gebied.

  • Expert Mode/Expert modus – bedoeld voor de dealer bij het onderzoeken en oplossen van problemen met het systeem. Deze modus is beveiligd met een wachtwoord en wordt gebruikt voor klantenondersteuning.

g204034

Het display inschakelen

  1. Verzeker dat het gehele GeoLink-systeem is gemonteerd.

  2. Start de machine en wacht enkele seconden tot de console ingeschakeld wordt.

    Note: Met de groene knop schakelt u de voeding van het display in en uit. Als u de weergavecomputer uitschakelt, heeft dat geen gevolgen voor de in de computer opgeslagen gegevens.

    Note: Met de rode knop kunt u het display resetten; hierbij kunnen niet-opgeslagen gegevens verloren gaan. Reset het display alleen als het vastloopt of niet op de normale manier kan worden uitgeschakeld. Reset het display niet, tenzij er zich een probleem voordoet.

Betekenis van de ledlampen

g030700
  • Led-lichtbalk – Wanneer de console wordt opgestart, wordt de lichtbalk eerst rood, dan groen en vervolgens blauw.

  • Lichtsensor – Helpt om de helderheid van het display te bepalen in de AUTOMATISCHE modus.

  • Status-led van consolebatterij – Hierna volgt een algemene verklaring van de kleurcodes van de led voor de batterijstatus.

    • Led is groen – De consolebatterij is volledig opgeladen.

    • Led is geel – De consolebatterij is gedeeltelijk opgeladen.

    • Led is rood – De consolebatterij is leeg.

    • Led knippert in het blauw – De consolebatterij wordt opgeladen.

  • Status-led toevoer – Hierna volgt een algemene verklaring van de kleurcodes van de status-led voor de stroomtoevoer.

    • Led is groen – Stroomtoevoer ok

    • Led is geel – Lage stroomtoevoer

    • Led is rood – Stroomtoevoer heel klein of uitgeschakeld

Het aanraakscherm gebruiken

U kunt de informatie over het spuitsysteem oproepen en wijzigen door de betreffende pictogrammen op het scherm aan te raken.

  • Selecteer een schermpictogram om de scherminformatie weer te geven.

  • Als u een bepaald pictogram aanraakt, worden nog meer opties weergegeven.

  • Kies de gewenste opties.

  • Bevestig de nieuwe weergave (Figure 10).

Taalkeuze en accepteren van de licentie-overeenkomst

Na het beginscherm verschijnt het scherm voor de taalkeuzen en het accepteren van de licentie-overeenkomst (EULA, end user license agreement).

  1. Indien nodig kunt u het taal-pictogram indrukken om een andere taal te kiezen (Figure 14).

    Note: De taal die in dit scherm wordt gekozen wordt dan overal in de gebruikersinterface gebruikt. U kunt de taal ook wijzigen via de gebruikersinstellingen.

    g206709
  2. Ga in de taalkeuzelijst naar de gewenste taal, kies deze, en druk op Ja (Figure 15).

    Wanneer u de bedieningseenheid opstart, staat deze in de gekozen taal.

    g203217
  3. Lees de EULA (Figure 14).

    Scroll naar de onderkant van het scherm. Het JA-pictogram wordt dan groen (Figure 14).

  4. Druk op het JA-pictogram om naar het Home-scherm te gaan (Figure 14).

De hoofdschakelaar gebruiken.

Met de hoofdschakelaar op het scherm kunt u het spuitsysteem inschakelen (Figure 16). Deze schakelaar werkt niet als de spuitboomschakelaars of de voetschakelaar uitgeschakeld zijn.

g203807

De hoofdschakelaar geeft de status van het systeem weer en heeft de volgende kleurcodes:

  • Groen – Betekent dat het systeem klaar is en dat de spuitbediening ingeschakeld is en werkt.

  • Wit – De spuitbediening staat in stand-by.

  • Rood – Betekent dat het systeem niet klaar is en dat de spuitbediening uitgeschakeld is en niet kan worden gebruikt.

Als het pictogram van de hoofdschakelaar rood is kunt u op het pictogram drukken om de status van de schakelaar en het aantal actieve alarms weer te geven (Figure 17).

g205202

U kunt altijd op het bevestigings-pictogram (Figure 17) drukken om naar het hoofdscherm te gaan en de nodige stappen te nemen.

De correcte maateenheden selecteren

U kunt kiezen uit de volgende opties: metrisch, imperiaal (VS) en imperiaal (VK). Er is een onderscheid tussen de opties imperiaal (Verenigde Staten) en imperiaal (Verenigd Koninkrijk) omdat gallons en fluid ounces niet evenveel zijn in de VS en in het VK.

  1. Druk op het instellings-pictogram in het hoofdscherm (Figure 18).

    g204035
  2. Druk op het gebruikers-pictogram (Figure 19).

    g031187
  3. Druk op het regio-pictogram (Figure 20).

  4. Druk op het eenheden-pictogram (Figure 20).

  5. Kies de gewenste eenheden en spuitdosis en druk dan op het bevestigings-pictogram (Figure 20).

    g204046

De Easy mode (eenvoudige modus) gebruiken

De Easy mode wordt gebruikt voor het spuiten van gebieden met duidelijke grenzen. U kunt de werkzaamheden oproepen en het spuitgebied weergeven.

g206363

De verschillende spuitmethodes

Pictogram automatische besturing van de spuitboomsecties (ASC)
instellingBeschrijving
ASC AANGeoLink stuurt de afzonderlijke spuitdoppen aan.
ASC UITDe gebruiker stuurt de spuitdoppen aan in groepen met de schakelaars voor links, midden en rechts.
ASC ONDERDRUKT (MANUELE MODUS)De gebruiker stuurt de spuitdoppen aan in groepen met de schakelaars voor links, midden en rechts.
Pictogram gebiedsgrens
InstellingBeschrijving
GEBIEDSGRENSGeoLink schakelt de spuitdoppen in als de spuitmachine de grens van het aangegeven spuitgebied bereikt.
GeoLink schakelt de spuitdoppen uit als de spuitmachine een uitgesloten gebied binnen het aangegeven spuitgebied bereikt.
GeoLink schakelt de spuitdoppen uit als de spuitmachine buiten de grenzen van het aangegeven spuitgebied komt.
GeoLink schakelt de spuitdoppen uit als er overlappend zou worden gespoten.
ONBEPERKTGeoLink stuurt de spuitdoppen niet aan op basis van de grenzen van het spuitgebied of uitgesloten gebieden.
GeoLink schakelt de spuitdoppen uit als er overlappend zou worden gespoten.
Gebiedsgrens uitgeschakeld De gebruiker van de spuitmachine schakelt de spuitdoppen links, midden en rechts handmatig aan en uit.
GeoLink stuurt de spuitdoppen niet aan.
GeoLink voorkomt overlappend spuiten niet.
Pictogram dosisregeling
instellingBeschrijving
Automatisch (Auto)GeoLink regelt de dosis op basis van de dosis ingesteld voor het huidige karwei, of de dosis ingesteld met het bedieningspaneel.
HandmatigU regelt de dosis tijdens het spuiten.

Spuiten met een gebiedsgrens

Hiermee kan een gebied, met een bepaalde grens, worden bespoten of juist niet worden bespoten, de grens wordt naar behoefte ingesteld. U kunt de grenzen aangeven in de standaard modus.

Bij het spuiten met gebiedsgrenzen zijn er de volgende mogelijkheden:

  • Het GeoLink-systeem stuurt de spuitdoppen aan op basis van de begrenzing, en voorkomt overlapping (dubbele bespuiting).

  • Het GeoLink-systeem regelt de dosis.

  1. Kies het pictogram Automatische besturing van de spuitboomsecties (ASC pictogram) en het pictogram besturing spuitsysteem om deze schermen te bereiken (Figure 22).

  2. Zet het ASC-pictogram op AAN, zet de begrenzing op GEBIEDSGRENS, en zet de dosis op AUTO (Figure 22).

    g209112

Spuiten met een onbeperkte gebiedsgrens

Hiermee kan een willekeurig gebied worden bespoten, zonder begrenzing.

Bij deze methode zijn er de volgende mogelijkheden:

  • Het GeoLink-systeem stuurt de spuitdoppen aan om overlapping te voorkomen, maar zonder gebiedsgrens.

  • Het GeoLink-systeem regelt de dosis.

  1. Kies het pictogram automatische besturing van de spuitboomsecties en het pictogram besturing spuitsysteem (Figure 23).

  2. Zet het ASC-pictogram op AAN, zet de begrenzing op UNLIMITED/ONBEPERKT, en zet de dosisregeling op AUTO (Figure 23).

    g209115

Spuiten met alleen dosisregeling

Bij deze methode zijn er de volgende mogelijkheden:

  • De gebruiker stuurt de secties van de spuitbomen aan.

  • Het GeoLink-systeem regelt de dosis.

  1. Kies het pictogram automatische besturing van de spuitboomsecties en het pictogram besturing spuitsysteem (Figure 24).

  2. Zet het ASC pictogram op UIT en zet de dosisregeling op AUTO (Figure 24).

    g209114

Handmatig spuiten

Bij deze methode zijn er de volgende mogelijkheden:

  • De gebruiker stuurt de secties van de spuitbomen aan.

  • De gebruiker regelt de dosis.

  1. Kies het pictogram automatische besturing van de spuitboomsecties en het pictogram besturing spuitsysteem (Figure 25).

  2. Zet het ASC pictogram op INHIBITED (MANUAL MODE)/ONDERDRUKT (HANDBEDIENING), en zet de dosisregeling op AUTO (Figure 25).

    g209113

Maken van een nieuw product en instellen van het tankvolume

Note: Verzeker dat de geschikte maateenheden zijn gekozen. Raadpleeg het hoofdstuk De juiste maateenheden selecteren in de Gebruikershandleiding.

Maken van een nieuw product

  1. Vul de tank met water.

  2. Druk op het pictogram besturing spuitsysteem en maximaliseer het bedieningspaneel van de spuitmachine (Figure 26).

    g031295
  3. Druk op het pictogram PRODUCT-CONFIGURATIE (Figure 26).

    De dialoog voor de product-configuratie verschijnt.

  4. In het scherm product-configuratie, druk op de PRODUCT SELECTION LIST/PRODUCTKEUZE LIJST (Figure 27).

    g206711
  5. Druk op het pictogram NEW PRODUCT/NIEUW PRODUCT en dan op het pictogram bevestigen (Figure 27).

    De wizard nieuw product instellen verschijnt.

  6. In stap1 van de dialoog voor een nieuw product drukt u op en dan op het pictogram volgende (Figure 28).

    g204240
  7. Druk op het pictogram PRODUCT NAME/PRODUCTNAAM, voer de productnaam in met het toetsenbord op het display, en druk op het pictogram bevestigen (Figure 29).

    g204241
  8. In stap2 van de dialoog voor een nieuw product drukt u op het pictogram VOLGENDE (Figure 30).

    g204328
  9. In stap 3 van de dialoog voor een nieuw product stelt u de standaard dosis in:

    • Stel de stap in waarmee de vooringestelde dosissen (preset 1 en 2) worden verhoogd/verlaag door het indrukken van de pictogrammen PRODUCT RATE INCREMENT/DOSISSTAP VERHOGEN (Figure 31).

      g204244
      1. Gebruik het numerieke gedeelte van het toetsenbord om de verhogingsstap van de 2 preset dosissen aan te passen (Figure 32).

        g204317
      2. Druk op het pictogram bevestigen (Figure 32).

    • Druk op PRODUCT RATE PRESET 1/PRODUCTDOSIS PRESET 1 of PRODUCT RATE PRESET 2/PRODUCTDOSIS PRESET 2 om de vooringestelde dosissen te kiezen (Figure 31).

      1. Gebruik het numerieke toetsenbord om de spuitdosis in te stellen (Figure 32).

        g205038
      2. Druk op het pictogram bevestigen (Figure 32).

  10. In stap4 van de dialoog voor een nieuw product drukt u op het pictogram bevestigen (Figure 34).

    g206757
  11. In het productconfiguratie venster drukt u op het pictogram bevestigen om de gegevens van het nieuwe product op te slaan (Figure 34).

Instellen van het producttankvolume

  1. Druk op het pictogram TANK FILL/TANKVULLING icon (Figure 38).

    g204246
  2. Druk op het pictogram VOLUME (Figure 35).

  3. Gebruik het numerieke toetsenbord om 1 van de volgende in te voeren:

    Note: Druk op WAARDE VERHOGEN of WAARDE VERLAGEN om de productvolume preset in te voeren.

    g204276
    • Als u het uiteindelijke productvolume aan de tank toevoegt (zoals water en chemicalin), voer dan het totale volume in van het product dat u aan de tank toevoegt, druk op het pictogram bevestigen, en druk op het pictogram bevestigen in het venster voor de tankvulling (Figure 37).

      Note: Het volume van het water en het product moet kleiner of gelijk zijn aan de ingestelde tankcapaciteit.

      g204242
    • Als u in stappen chemicalin aan het water toevoegt, voer dan het volume water in de tank in, druk op het pictogram bevestigen, en ga dan naar stap 4.

      Note: Het volume van het water en het product moet kleiner of gelijk zijn aan de ingestelde tankcapaciteit.

  4. Als u de chemicalin in stappen aan het water toevoegt, druk dan op het pictogram VOLUME INCREMENTS/VOLUME-TOENAME (Figure 39).

    g204245
  5. Gebruik het numerieke toetsenbord voor het invoeren van de toenamestap van het productvolume (b.v. chemicalin aan water) bij het toevoegen van product aan de tank, en druk dan op het pictogram bevestigen (Figure 39).

    Voorbeeld: Stap van 19, 114 of 208liter.

  6. Als u in stappen chemicalin aan het water toevoegt, voeg het product dan toe aan de tank en druk op het pictogram INCREMENT AMOUNT OF PRODUCT/PRODUCT TOENAMESTAP (Figure 39).

    g204243
  7. Als u een productcombinatie mengt, herhaal stap 6 dan naar behoefte (Figure 39).

    Note: Als u de tank geheel vult met product of water dan kunt u op het pictogram FILL TANK TO CAPACITY/TANK GEHEEL VULLEN drukken (Figure 39).

  8. Druk op het pictogram bevestigen en druk op het pictogram bevestigen in het venster voor het vullen van de tank.

De eenvoudige modus gebruiken voor nieuw werk

Kiezen van de dosis en het werk een naam geven

  1. Start de machine en laat de sleutel in DRAAIMODUS.

  2. Open het pictogram 'regeling spuitsysteem' (Figure 40).

    g031532
  3. Ga in het scherm van de spuitbesturing na of de juiste preset dosis is gekozen.

  4. Als de gebruiksdosis niet correct is, wijzig deze dan met de pictogrammen van de voorinstellingen, of druk op de pictogrammen verhogen of verlagen om de gebruiksdosis stapsgewijs te veranderen, of selecteer het veld huidige gebruiksdosis en voer de dosis in met het toetsenbord (Figure 41 en Figure 42).

    g031494
    g205052
  5. Druk op het pictogram job-menu/werkmenu, rechtsboven op het scherm (Figure 43).

    g203547
  6. Voer een nieuwe naam in voor het werk of behoud de standaard tijdbenaming (Figure 43).

Kiezen van de spuitdop

  1. In het menu nieuw werk, kies het pictogram nozzle/spuitdop (Figure 44).

    g205214
  2. In de keuzelijst kiest u de spuitdop voor de dosis waarmee u gaat spuiten.

    Note: Als de spuitdop voor de gewenste dosis niet in de lijst staat kunt u de spuitdop toevoegen in het nozzle setup/spuitdop instellen scherm, zie Een spuitdop creren.

  3. Druk op het pictogram bevestigen (Figure 44).

Configureren van een nieuw werkterrein

  1. Druk op het pictogram job-menu/werkmenu (Figure 45).

    g031485
  2. Kies een van de werkterreinen

    1. Selecteer het werkterrein dat u gaat spuiten (b.v. fairways, greens of tees); zie Figure 45.

    2. Selecteer de terreinen die u niet wilt spuiten (bunkers, bomen, obstakels, enz.) (Figure 45).

    Note: Bekijk de standaardmodusvideo over het spuiten van een grens binnen een andere grens.

Bedienen van het spuitsysteem van de machine

  1. Zet de 3 schakelaars voor de boomsecties (op het bedieningspaneel van de machine) op AAN (Figure 46).

    g205685
  2. Druk de hoofdschakelaar van de machine in.

  3. Druk op het pictogram van de hoofdschakelaar (Figure 21) op het display van de bedieningseenheid (enkel Multi Pro 5800 spuitmachines).

  4. Rij naar het terrein dat u gaat spuiten.

    Note: Als ASC op FIELD BOUNDARY/TERREINGRENS staat en ASC is ingeschakeld begint de machine te spuiten zodra deze het actieve spuitterrein inrijdt.

Note: Op het scherm ziet u de zones die u gaat spuiten in het lichtgrijs, en zones die niet gespoten worden in het donkergrijs. Als het weergavescherm volledig lichtgrijs is, kunt u elk gebied spuiten.

De eenvoudige modus gebruiken voor bestaand werk

Note: Een werk wordt ingesteld in de standaardmodus. Verzeker dat de informatie van het vorige werk is gewist voordat u een bestaand werk herhaald.

  1. Start de machine en laat de sleutel in DRAAIMODUS.

  2. Open het pictogram 'regeling spuitsysteem' (Figure 47).

    g031532
  3. Controleer in het scherm 'regeling spuitsysteem' of de juiste gebruiksdosis geselecteerd is (gal/ac).

  4. Als de gebruiksdosis niet correct is, wijzig deze dan stapsgewijs met de voorinstellingen, of selecteer de huidige gebruiksdosis en voer handmatig een dosis in (Figure 48).

    g031494
  5. Druk op het pictogram field menu/veldmenu.

  6. Selecteer de naam van het bestaande veld (Figure 49).

    g203549
  7. Druk op het pictogram job-menu/werkmenu (Figure 50).

  8. Selecteer het bestaande werk (Figure 50).

    g206758
  9. Zet de 3 schakelaars voor de boomsecties (op het bedieningspaneel van de machine) op AAN (Figure 51).

    g205685
  10. Om te spuiten: druk het pictogram HOOFDSCHAKELAAR in op het scherm en rij het spuitterrein in (Figure 21).

    Note: De machine begint te spuiten wanneer ze het juiste spuitgebied inrijdt.

    Note: Op het weergavescherm zijn gebieden die moeten worden gespoten lichtgrijs, terwijl uitgesloten gebieden donkergrijs zijn. Als het weergavescherm volledig lichtgrijs is, kan elk gebied worden gespoten.

De standaardmodus gebruiken

g206364

Het kompas kalibreren

  1. Kies het pictogram ontvangerkalibratie (Figure 53).

  2. Kies het pictogram compass/kompas (Figure 53).

    g209223
  3. Rij met de machine 1 omwenteling in een cirkel (Figure 54).

  4. Druk op het pictogram volgende (Figure 53).

  5. Rij 92m in een rechte lijn. Zie figuur Figure 54.

    g209126
  6. Bevestig de kalibratie (Figure 53).

Een veld creren

Note: Creer 1 veld per terrein, met daarin alle veldgrenzen voor dat terrein.

  1. Druk op het pictogram field menu/veldmenu (Figure 55).

  2. Druk op het pictogram new-field/nieuw-veld.

  3. Kies field name/veldnaam, geef het veld een naam en druk op het pictogram bevestigen (Figure 55).

    g208216

Een spuitdop creren

  1. Zet het toegangsniveau op STANDARD/STANDAARD, zie De verschillende weergavemodussen.

  2. Druk op het pictogram setup/instellingen Graphic linksonder op het Home-scherm.

  3. Druk op het pictogram implement/werktuig, het pictogram boom/spuitboom en het pictogram nozzles/spuitdoppen (Figure 56).

    g204392
  4. In het nozzle setup/spuitdopinstellingen scherm, druk op het pictogram NEW NOZZLE/NIEUWE SPUITDOP aan de bovenkant van het scherm (Figure 56).

  5. In stap1 van dit scherm drukt u op het pictogram van de nieuwe spuitdop, aan de hand van de kleur of doorstroomhoeveelheid in de lijst van de fabriek (Figure 57).

    Note: In de tabel hieronder ziet u de spuitdoppen die Toro kan leveren. De instellingen zijn ISO-normen.

    Note: Spuitdop015 (lichtgroen) is niet dezelfde als spuitdop15 (donkergroen).Spuitdop03 (donkerblauw) is niet dezelfde als spuitdop10 (lichtblauw).

    g204393
    Spuitdoppen
    SpuitdopKleur spuitdopDoorstroomhoeveelheid
    Graphic 04Rood1,5lpm
    Graphic 05Bruin1,9lpm
    Graphic 06Grijs2,3lpm
    Graphic 08Wit3,0lpm
    Graphic 10Blauw3,8lpm
    Graphic 15Groen5,7lpm
  6. Druk op het pictogram NAAM SPUITDOP (Figure 58).

    g204394
  7. Voer de naam van de spuitdop in met het toetsenbord op het display en druk op het pictogram bevestigen (Figure 59).

    g204395
  8. In de dialoog nieuwe spuitdop instellen – stap2, druk op het pictogram bevestigen (Figure 59).

  9. In de dialoog nieuwe spuitdop instellen – stap3, druk op het pictogram bevestigen (Figure 59).

    g204396

Kalibreren van de vloeistofstroommeter

Door de klant te voorzien: maatbeker om de vloeistof op te vangen (bij voorkeur met een verdeling in 0,01liter).

Voorbereiden van de kalibratie

  1. Verzeker dat de sproeitank schoon is.

  2. Vul de sproeitank met minstens 570liter water.

  3. Zorg dat de spuitdoppen die u gaat testen in de actieve spuitstand staan (omlaag).

  4. Stel de parkeerrem in werking en start de motor.

    Note: Laat de motor en het hydraulische systeem 10minuten warmdraaien.

Doorspoelen voorafgaand aan de kalibratie

  1. Open het pictogram besturing spuitsysteem en klik op het pictogram rechtsboven (Figure 61).

  2. Zet de spuitmachine op handbediening.

  3. Zet de schakelaars van alle spuitbomen op AAN.

  4. Zet de gashendel op SNEL.

  5. Zet de hoofdschakelaar van de spuitbomen op AAN.

    Note: De hoofdschakelaar van de spuitbomen bevind zich op het bedieningspaneel van de machine.

  6. Schakel de spuitbomen in met de hoofdschakelaar.

  7. Verhoog of verlaag de pompsnelheid om de gewenste druk te bereiken.

  8. Schakel de spuitbomen uit met de hoofdschakelaar.

Uitvoeren van de opvangtest en invoeren van de gegevens

Note: De opvangtest in deze procedure moet door 2 personen worden uitgevoerd.

  1. Open het pictogram besturing spuitsysteem en klik op het pictogram maximaliseren rechtsboven (Figure 61).

    g211485
  2. Zet de schakelaars van alle spuitbomen op AAN.

  3. Zet de gashendel op SNEL.

  4. Zet de hoofdschakelaar van de spuitbomen op AAN.

  5. Kies het pictogram vloeistofstroommeter (Figure 61).

    Important: Verzeker dat de maatbeker onder de spuitdop staat.

  6. Verzeker dat de maatbeker onder de spuitdop staat voordat u de spuitbomen inschakelt (Figure 62).

    g211588
  7. Schakel de spuitbomen in met de hoofdschakelaar.

  8. Vang de vloeistof gedurende minstens 15seconden op bij 1 van de spuitdoppen (Figure 62).

    Note: De duur van de opvangtest hangt af van de inhoud van de maatbeker, maar langer is beter.

  9. Zet de hoofdschakelaar van de spuitbomen uit, zet de gashendel op langzaam, schakel de spuitpomp uit.

  10. Plaats de maatbeker op een horizontaal oppervlak en noteer het vloeistofvolume (Figure 63).

    Important: Plaats de maatbeker op een horizontaal oppervlak om het volume af te lezen.

    Important: Lees het vloeistofvolume in de maatbeker af op het laagste punt van de curve van het vloeistofoppervlak.

    Important: Kleine onnauwkeurigheden bij het aflezen van het vloeistofvolume in de maatbeker hebben een aanzienlijke invloed op de nauwkeurigheid van de kalibratie van de spuitmachine.

    g193829
  11. Vermenigvuldig de hoeveelheid vloeistof van de enkele spuitdop met het aantal spuitdoppen waarmee tijdens de opvangtest gespoten is. Druk de hoeveelheid uit in liter.

    Voorbeeld: 1,3literx 12 spuitdoppen = 15,6liter

  12. Voer de berekende hoeveelheid vloeistof in met het numerieke toetsenbord (Figure 64 en Figure 65).

    g211486
  13. Bevestig de kalibratiefactor voor de vloeistofstroom (Figure 65).

    g211487

Werkgegevens vastleggen

In het werkmenu kunt u specifieke werkinformatie met betrekking tot het gekozen gebied selecteren of instellen. Gebruik dit menu om informatie te bewaren en activiteiten vast te leggen en te rapporteren.

Werkgegevens vastleggen

  1. Selecteer het pictogram 'werk' (Figure 66).

  2. Selecteer het pictogram 'werkgegevens vastleggen' (Figure 66).

  3. Selecteer de gewenste categorien, voer de informatie in en bevestig.

    g031535

Werkopmerkingen vastleggen

Gebruik het opmerkingengebied om informatie vast te leggen voor een werk.

  1. Open het pictogram 'werkinformatie' (Figure 67).

    g203865
  2. Druk het pictogram job-notes/werkopmerkingen (Figure 67).

  3. Voer de informatie in en druk op het pictogram bevestigen.

Werkinformatie exporteren

Note: Verzeker dat het werk actief is voordat u de werkinformatie exporteert.

  1. Verwijder de kap van de USB-poort aan de linkerkant van het display (Figure 68).

    g206639
  2. Plaats een USB-stick in de USB-aansluiting (Figure 68).

  3. Druk op het pictogram job-menu/werkmenu (Figure 69).

    g031537
  4. Druk op het pictogram data-uitwisseling (Figure 69).

  5. Kies het pictogram Export job report/werkrapport exporteren (Figure 69).

  6. Schakel de volgende opties uit in het menu:

    • Auto adjust ranges/automatische aanpassing bereik

    • Taakgegevens

  7. Indien nodig, selecteer de create shape files/vormbestanden aanmaken optie.

    Note: Het vormbestand wordt opgeslagen in D:/Client/Farm/Field/CoverageShapefiles en D:/Client/Farm/Field/BoundaryShapefiles.

    Note: Hierbij wordt de werkinformatie bewaard op de USB-schijf.

    Note: Voordat u de USB-schijf verwijdert moet deze elektronisch vrijgeven, zie onderstaande stappen. Als u dit niet doet, kan het rapport verloren gaan of beschadigd raken.

  8. Druk op het pictogram eject USB/USB-vrijgave (Figure 70).

    g206663
  9. In de dialoog USB-vrijgave drukt u op het pictogram bevestigen, daarna verwijdert u de USB-schijf uit de monitor (Figure 70).

Het spuitsysteem instellen

Voordat u het GeoLink spuitsysteem gebruikt moeten de volgende handelingen worden uitgevoerd:

Note: De hoofdschakelaar van de machine zit op de volgende plaatsen; zie Figure 71 of Figure 72.

g205126
g205127

De machine klaarmaken

  1. Lees voordat u begint deze instructies.

  2. Sluit de toevoerslang aan op de anti-overloopslang en vul de tank tot de helft met schoon water.

    Important: Inspecteer en reinig alle onderdelen van het systeem voordat u gaat spuiten, inclusief de tank, de zeef, de pomp, de kleppen en de spuitdoppen.

  3. Start de motor; zie de Gebruikershandleiding van uw machine.

  4. Zet de gashendel maximaal open.

  5. Zet de schakelaars op het bedieningspaneel van de machine op UIT.

  6. Zorg ervoor dat u de juiste kalibratiewaarden hebt ingevoerd.

Activeren van de zelftestfunctie

  1. Gebruik de Test Speed/testsnelheid functie beschreven in de software handleiding van de Multi-Pro 5800 spuitmachine voor het testen van het spuitsysteem terwijl de machine stilstaat.

    Note: De zelftestfunctie simuleert snelheid zodat u het systeem kunt controleren terwijl de machine stilstaat. Deze functie schakelt zichzelf uit als de snelheidssensor detecteert dat het voertuig in beweging is.

    U kunt als volgt de zelftestfunctie instellen:

    1. Open het pictogram ASC (Auto-section controller/automatische besturing van de spuitbomen) (Figure 73).

      g203964
    2. Zet het pictogram ASC op UIT (Figure 73).

    3. Druk op het pictogram besturing spuitsysteem (Figure 74).

      g203966
    4. Druk op het pictogram venster wisselen voor het spuitbesturing menu.

      Het huidige home-scherm en het spuitbesturing menu verwisselen van plaats.

    5. Druk op het pictogram configuratie in het submenu spuitbesturing om het configuratie menu op te roepen (Figure 74).

      g203967
    6. Druk op het pictogram manual speed entry/snelheid handmatig invoeren (Figure 76).

      g203965
    7. Voer de gesimuleerde snelheid in met het numerieke toetsenbord en druk op het pictogram bevestigen (Figure 76).

  2. Druk op het pictogram venster wisselen om terug te gaan naar het spuitbesturing menu. (Figure 74).

  3. Voer de gewenste gebruiksdosis in aan de hand van de voorinstellingen, de plus- en min-pictogrammen of door het pictogram 'huidige richtwaarde gebruiksdosis' te selecteren (Figure 77).

    g204020

Een eerste systeemtest uitvoeren

Voer deze procedure uit voordat u het GeoLink-spuitsysteem gebruikt.

Note: Gebruik voor deze procedure alleen water.

  1. Rijd het voertuig op de gewenste sproeisnelheid terwijl de spuitbomen uit staan.

    U ziet de snelheid van het voertuig op het dashboard van de monitor.

  2. Op het bedieningspaneel van de machine: zet de hoofdschakelaar op AAN.

  3. Verzeker dat de schakelaars voor de spuitbomen rechts, midden en links op AAN staan.

  4. Zet de hoofdschakelaar van de spuitbomen op AAN.

    Note: Gebruik de hoofdschakelaar van de spuitbomen om alle spuitbomen tegelijk te bedienen.

  5. Zet de dosisregeling op AUTO.

    Note: Verzeker dat ASC op UIT staat of dat de begrenzing op UNLIMITED/ONBEPERKT staat.

  6. Kies de gewenste spuitdosis.

  7. Verhoog of verlaag de snelheid van het voertuig met 2km/u.

    Het spuitsysteem moet de doeldosering automatisch corrigeren.

    Note: Als het spuitsysteem de dosering niet aanpast, raadpleeg dan Activeren van de zelftestfunctie.

  8. Na het spuiten van een baan zet u de hoofdschakelaar van de spuitbomen op UIT.

    Note: Zo wordt ook de oppervlaktemeter uitgeschakeld.

  9. Controleer het bespoten oppervlak en het volume gespoten materiaal.

Terugstellen van de software configuratie

Important: Om de software configuratie terug te stellen moet u toegang hebben op Expert-niveau. Neem voor ondersteuning contact op met Toro NSN Technical Support, zie contactgegevens op de omslag.

Alarmen

De onderstaande tabel beschrijft de alarmen en betekenis daarvan.

Alarmen
AlarmBeschrijving
ASC 10 ECU firmware mismatchNeem contact op met Toro NSN Technical Support. Zie contactgegevens op de omslag.
Exclusion map distanceDe uitsluitingskaart bevindt zich te ver van de huidige GPS-positie.
FallbackDe gekozen GPS-correctiebron is niet beschikbaar en het systeem gebruikt tijdelijk een minder nauwkeurige bron.
Firmware version mismatch or out-of-dateNeem contact op met Toro NSN Technical Support. Zie contactgegevens op de omslag.
Incorrect rateHet werktuig staat op automatisch en de gewenste dosis wordt niet bereikt.
Invalid or obsolete profile loadedHet systeem werkt met een oud profiel voor het werktuig of voertuig.
Low resourcesDe systeembronnen (geheugen of opslagcapaciteit) worden voor meer dan 90% gebruikt.
No CommsHet bedieningspaneel kan niet communiceren met de automatische besturing van de spuitboomsecties (ASC).
No GPSEr wordt geen GPS-signaal ontvangen.
Parameter mismatchNeem contact op met Toro NSN Technical Support. Zie contactgegevens op de omslag.
Pressure highHet druksignaal is hoger dan de alarmwaarde.
Receiver disconnectedDe GPS-ontvanger reageert niet.
Requested rate is zeroDe automatische dosisregeling is ingeschakeld, de tank is ingeschakeld, de hoofdschakelaar is ingeschakeld en de gewenste dosis is nul.
Tank emptyHet berekende tankvolume is nul.
Tank lowDe tank is bijna leeg (ingestelde percentage van de inhoud).

Tips voor bediening en gebruik

RTK-ontvangst verbeteren

Vertraag de machine wanneer u een zone nadert waarvan u weet dat de RTK-ontvangst er gehinderd wordt.

De manuele bediening gebruiken

De druk voor de slanghaspel en het mengen van chemicalin verhogen doet u met behulp van de manuele bediening.

De gebruiksdosis verbeteren voor de dosis

Stel de PWM voor mengen (vooringestelde mengwaarde) in op ongeveer 0,69bar boven de drukrichtwaarde.

Snelheid behouden

Rijd met een constante snelheid in een rechte lijn.

Maken van een backup-bestand van de grenzen

Sla een backup-bestand met alle veldgrenzen op in een andere locatie. Sla de grenzen op door een USB-stick te plaatsen, het pictogram inventory-manager/inventarisbeheer te kiezen, en de in Figure 78 getoonde opties te kiezen.

g208796

Onderhoud

Aanbevolen onderhoudsschema

OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
Every 200 hours
  • Reinig de vloeistofstroommeter (vaker bij gebruik van bevochtigbaar poeder).
  • Vloeistofstroommeter reinigen

    1. Het volledige spuitsysteem grondig uitspoelen en aftappen.

    2. Verwijder de stroommeter en spoel deze af met schoon water.

    3. Verwijder de borgring aan de stroomopwaartse kant (Figure 79).

      g012934
    4. Reinig de turbine en de turbinenaaf om metaalvijlsel en bevochtigbaar poeder te verwijderen.

    5. Controleer de turbinebladen op slijtage.

      Note: Houd de turbine in uw hand en laat deze draaien. De turbine moet vrij kunnen draaien en mag niet te veel aanlopen. Als de turbine niet vrij draait, moet u deze vervangen.

    6. Zet de vloeistofstroommeter in elkaar.

    7. Breng de sensor aan tot deze de onderkant van de behuizing licht raakt.

    8. Draai voorzichtig de borgmoeren van de sensor vast.

    9. Gebruik lichte luchtdruk (0,34bar) om ervoor te zorgen dat de turbine vrij draait. Als de turbine niet vrij draait, geef dan de zeskantige pal aan de onderkant van de turbinenaaf 1/16 draai tot de turbine vrij draait.

    Het scherm van het display reinigen

    U kunt het scherm indien nodig reinigen met milde zeep en water.

    Note: Gebruik geen glasreiniger of reiniger met oplosmiddelen.

    Problemen, oorzaak en remedie

    Note: Als de computer van de console niet werkt of gerepareerd dient te worden, kunt u het systeem besturen met het middelste bedieningspaneel.

    Voor veel fouten verschijnt een foutcode of probleemcode. U kunt de fouten ook op het scherm bekijken. De onderstaande fouten komen regelmatig voor en kunt u zelf oplossen. Andere fouten of aanhoudende problemen moet u samen met de foutboodschap en eventueel een code meedelen aan uw dealer.

    ProblemPossible CauseCorrective Action
    U1066
    1. Het kompas is niet geijkt.
    1. Het kompas ijken.
    U1067
    1. Er is een nieuw voertuig gedetecteerd.
    1. Het kompas ijken.
    U1082
    1. De usb-schijf heeft minder dan 1% resterende opslagruimte.
    1. Het geheugengebruik bevestigen in de miniweergave. Mogelijk moet u oude bestanden verwijderen of overdragen met de inventarismanager.
    U3001
    1. De bestandsoverdracht is mislukt.
    1. Nogmaals proberen het bestand te exporteren of te importeren van het USB-apparaat.
    U6905
    1. Er is een onbekend machinetype bepaald.
    1. Teruggaan naar het hoofdinstellingenmenu en de instellingen van het voertuig controleren.
    Het bedieningspaneel van de machine toont een crash rapport.
    1. Het bedieningspaneel is op de verkeerde manier uitgeschakeld.
    1. Wis het crash rapport met inventarisbeheer. Schakel het bedieningspaneel altijd uit met de contactschakelaar.
    ProblemPossible CauseCorrective Action
    De voeding naar het display werkt niet.
    1. De stekkers zijn niet juist aangekoppeld.
    2. De zekering van het display is doorgebrand.
    3. De aansluitingen van de accu zitten los.
    1. Controleren of de stekkers juist zijn aangekoppeld achteraan het display.
    2. Zekering vervangen.
    3. Maak de aansluitingen van de accu goed vast.
    De monitor is vastgelopen.
    1. De software werkt niet goed.
    1. De groene knop achteraan het display ingedrukt houden tot de voorste ledlampjes gaan knipperen.
    De spuitmachine spuit niet.
    1. De voetschakelaar staat uit.
    2. De schakelaars van de console tussen de stoelen staan uit.
    3. Er worden geen werk of grenzen aangemaakt.
    4. Er is een verkeerde spuitdop geselecteerd in het instellingenmenu van de spuitbediening.
    1. Controleren of de voetschakelaar is ingeschakeld.
    2. De schakelaars van de console aanzetten.
    3. Een werk en een grens creren.
    4. In het instellingenmenu van de spuitbediening de spuitdop selecteren die overeenkomt met de spuitdoppen die in gebruik zijn.
    Het alarm 'geen GPS' is geactiveerd.
    1. Het display is niet juist aangesloten op de GPS-ontvanger.
    2. De machine staat onder bomen of andere obstakels.
    1. De stekkers juist verbinden.
    2. De machine verbinding laten maken nadat u onder het obstakel vandaan bent gereden.
    De spuitmachine spuit buiten grenzen.
    1. De automatische sectieregeling (ASC) staat op onbeperkt.
    1. Stel de automatische sectieregeling (ASC) in op de stand veldgrens.
    U kunt geen grenzen definiren.
    1. Het display is niet ingesteld op standaardmodus.
    2. Er is geen veld gecreerd.
    1. Het gebruikersprofiel naar standaardmodus schakelen.
    2. Een veld creren.
    De machine wordt niet afgebeeld op het scherm.
    1. Het displayscherm is verplaatst.
    1. Het pictogram 'kaart centreren' selecteren op het hoofdscherm.
    Er knipperen geen lampen op de GPS-ontvanger die op de rolbeugel is gemonteerd.
    1. De GPS-ontvanger krijgt geen voeding.
    1. Verzeker dat connectors goed gekoppeld zijn.
    De druk is niet hoog genoeg.
    1. Er wordt een verkeerde spuitdopmaat gebruikt.
    2. De spuitdop-afmeting op het display komt niet overeen met de spuitdoppen op de spuitbomen.
    3. De menginstelling is te laag.
    1. De tabel raadplegen om een spuitdop met de juiste maat te selecteren.
    2. Verzeker dat de spuitdop-afmeting gekozen met het bedieningspaneel overeenkomt met de spuitdoppen op de spuitbomen.
    3. De menginstelling aanpassen totdat u de gewenste druk hebt verkregen.
    De lampjes van de ASC10 besturing lichten niet op.
    1. De ASC 10 krijgt geen voeding.
    1. Verzeker dat connectors goed gekoppeld zijn.
    De snelheid wordt niet weergegeven terwijl de machine rijdt.
    1. Het kompas is niet geijkt.
    2. De ontvanger heeft geen satellietontvangst.
    3. Het voertuig rijdt trager dan 1,1km/u.
    1. IJk het kompas.
    2. Wegrijden van obstakels die een goede ontvangst belemmeren en wachten tot de ontvanger satellieten gevonden heeft.
    3. Verhoog de snelheid tot meer dan 1,1km/u.
    Er is condensatie in het display.
    1. Het display wordt te warm in direct zonlicht en de helderheid op 100%.
    1. Stel de helderheid in op 85% en laat het display opwarmen.