Inleiding

Dit multifunctionele werkvoertuig is voornamelijk bedoeld om mensen en ladingen materiaal te transporteren op kleine wegen en terrein. Dit product gebruiken voor andere doeleinden dan het bedoelde gebruik kan gevaarlijk zijn voor u of voor omstanders.

Lees deze informatie zorgvuldig door, zodat u weet hoe u dit product op de juiste wijze moet gebruiken en onderhouden en om letsel en schade aan de machine te voorkomen. U bent verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van de machine.

Ga naar www.Toro.com voor documentatie over productveiligheid en bedieningsinstructies, informatie over accessoires, hulp bij het vinden van een dealer of om uw product te registreren.

Als u service, originele Toro onderdelen of aanvullende informatie nodig hebt, kunt u contact opnemen met een erkende servicedealer of met de klantenservice van Toro. U dient hierbij altijd het modelnummer en het serienummer van het product te vermelden. De locatie van het plaatje met het modelnummer en het serienummer van het product is aangegeven op Figuur 1. U kunt de nummers noteren in de ruimte hieronder.

Important: U kunt met uw mobiel apparaat de QR-code op het plaatje met het serienummer (indien aanwezig) scannen om toegang te krijgen tot de garantie, onderdelen en andere productinformatie.

g236856

Er worden in deze handleiding een aantal mogelijke gevaren en een aantal veiligheidsberichten genoemd met de volgende veiligheidssymbolen (Figuur 2), die duiden op een gevaarlijke situatie die zwaar lichamelijk letsel of de dood tot gevolg kan hebben als u de veiligheidsvoorschriften niet in acht neemt.

g000502

Er worden in deze handleiding twee woorden gebruikt om uw aandacht op bijzondere informatie te vestigen. Belangrijk attendeert u op bijzondere technische informatie en Opmerking duidt algemene informatie aan die bijzondere aandacht verdient.

Dit product voldoet aan alle relevante Europese richtlijnen; zie voor details de aparte productspecifieke conformiteitsverklaring.

Als de machine zonder een goed werkende vonkenvanger, zoals omschreven in sectie 4442, of een goed onderhouden, brandveilige motor wordt gebruikt in een bosgebied of op een met dicht struikgewas of gras begroeid terrein, handelt de bestuurder in strijd met de bepalingen van sectie 4442 of 4443 van de Wet op de Openbare Hulpbronnen (Public Resources Code) van de Staat Californië.

De bij deze motor geleverde Gebruikershandleiding bevat informatie over het Environmental Protection Agency (EPA) in de Verenigde Staten en de California Emission Control Regulation voor emissiesystemen, onderhoud en garantie. Bestel vervangingsonderdelen bij de fabrikant van de motor.

Waarschuwing

CALIFORNIË

Proposition 65 Waarschuwing

De uitlaatgassen van de dieselmotor van dit product bevatten bestanddelen waarvan bekend is dat ze kanker, geboorteafwijkingen of andere schade aan de voortplantingsorganen kunnen veroorzaken.

Accuklemmen, accupolen en dergelijke onderdelen bevatten lood en loodverbindingen. Van deze stoffen is bekend dat ze kanker en schade aan de voortplantingsorganen veroorzaken. Was altijd uw handen nadat u met deze onderdelen in aanraking bent geweest.

Gebruik van dit product kan leiden tot blootstelling aan chemische stoffen waarvan de Staat Californië weet dat ze kanker, geboorteafwijkingen en andere schade aan het voortplantingssysteem veroorzaken.

Veiligheid

Deze machine werd ontworpen in overeenstemming met de vereisten van SAE J2258 (nov 2016).

Algemene veiligheid

Dit product kan lichamelijk letsel veroorzaken. Volg altijd alle veiligheidsinstructies op om ernstig letsel te voorkomen.

  • Lees de Gebruikershandleiding en verzeker dat u deze begrijpt voordat u de machine start. Zorg dat alle gebruikers van dit product weten hoe ze het dienen te gebruiken en dat ze de waarschuwingen begrijpen.

  • Geef uw volledige aandacht als u de machine gebruikt. Zorg ervoor dat u met niets anders bezig bent waardoor u kunt worden afgeleid, anders kan er letsel ontstaan of kan eigendom worden beschadigd.

  • Houd handen en voeten uit de buurt van de bewegende onderdelen van de machine.

  • Gebruik de machine enkel als de nodige schermen en andere beveiligingsmiddelen aanwezig zijn en naar behoren werken.

  • Laat geen omstanders of kinderen het werkgebied betreden. Laat kinderen nooit de machine bedienen.

  • Stop en schakel de machine uit en verwijder het contactsleuteltje voordat u onderhoud uitvoert of brandstof bijvult.

Onjuist gebruik of onderhoud van deze machine kan letsel tot gevolg hebben. Om het risico op letsel te verkleinen, dient u zich aan de volgende veiligheidsinstructies te houden en altijd op het veiligheidssymbool Graphic te letten, dat betekent Voorzichtig, Waarschuwing of Gevaar – instructie voor persoonlijke veiligheid. Niet-naleving van deze instructies kan leiden tot lichamelijk of dodelijk letsel.

Veiligheids- en instructiestickers

Graphic

Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of ontbrekende stickers.

decal99-7345
decal99-7952
decal106-6755
decal115-2412
decal115-7739
decal119-9727
decal120-0627
decal120-4837
decal121-9775
decal136-1164

Montage

Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.

Het stuurwiel monteren

Uitsluitend TC-modellen

Benodigde onderdelen voor deze stap:

Stuurwiel1
Kap1
Ring (½")1
  1. Verwijder (indien aanwezig) de kap van de naaf van het stuurwiel (Figuur 3).

  2. Verwijder de borgmoer (½") van de stuuras (Figuur 3).

  3. Schuif het stuurwiel en de ring (½") op de stuuras (Figuur 3).

  4. Bevestig het stuurwiel aan de as met behulp van de borgmoer (½") en draai deze vast met 27-34 N·m.

  5. Bevestig de kap op het stuurwiel (Figuur 3).

    g033840

De accu aansluiten

Uitsluitend TC-modellen

Waarschuwing

Een verkeerde geleiding van de accukabel kan schade aan de machine en de kabels tot gevolg hebben en vonken veroorzaken. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen, waardoor lichamelijk letsel kan ontstaan.

  • Maak altijd de minkabel (zwart) los van de accu voordat u de pluskabel (rood) losmaakt.

  • Sluit altijd eerst de pluskabel (rood) van de accu aan.

  1. Knijp in het accudeksel zodat de lipjes van de accubasis loskomen (Figuur 4).

    g228188
  2. Verwijder het accudeksel van de accubasis (Figuur 4).

  3. Sluit de pluskabel (rood) aan op de pluspool (+) van de accu en bevestig de kabel met de bouten en de moeren (Figuur 5).

    g228187
  4. Schuif de isolatiekap over de pluspool van de accu heen.

    Note: Het isolatorkapje voorkomt massasluiting.

  5. Sluit de minkabel (zwart) aan op de minpool (-) van de accu en bevestig de kabel met de bouten en moeren.

  6. Lijn het accudeksel uit op de accubasis (Figuur 4).

  7. Knijp het accudeksel samen, lijn de lipjes uit met de accubasis en laat het accudeksel los (Figuur 4).

Het peil van de vloeistoffen en de druk in de banden controleren

  1. Controleer het peil van de motorolie voor- en nadat u de motor de eerste keer hebt gestart; zie Het motoroliepeil controleren.

  2. Controleer het peil van de remvloeistof voordat u de motor voor de eerste keer start; zie Remvloeistofpeil controleren.

  3. Controleer het peil van de transaxlevloeistof voordat u de motor voor de eerste keer start; zie Het peil van de transaxlevloeistof controleren.

  4. Controleer de bandenspanning; zie Bandenspanning controleren.

De remmen gebruiksklaar maken

Om ervoor te zorgen dat het remsysteem optimaal functioneert, moet u de remmen gebruiksklaar maken (inrijden) voordat u het voertuig gaat gebruiken.

  1. Laat het voertuig op volle snelheid rijden en rem dan om de machine snel te laten stoppen zonder de wielen te blokkeren.

  2. Herhaal deze procedure 10 keer en wacht steeds 1 minuut voordat u opnieuw remt om te voorkomen dat de remmen oververhit raken.

    Important: Deze procedure is het meest effectief als de machine is beladen met 227 kg.

De handleiding lezen en de documentatie in verband met de uitrusting van de machine bekijken

Benodigde onderdelen voor deze stap:

Gebruikershandleiding1
Gebruikershandleiding van de motor1
Registratiekaart1
Inspectieformulier1
Kwaliteitscertificaat1
Sleuteltje2
  • Lees de Gebruikershandleiding en de gebruikershandleiding van de motor.

  • Vul de registratiekaart in.

  • Vul het Inspectieformulier in.

  • Bekijk het Kwaliteitscertificaat

Algemeen overzicht van de machine

g033215

Schakelbord

g027586

Gaspedaal

Gebruik het gaspedaal (Figuur 7) om de rijsnelheid van de machine te veranderen. Als u het gaspedaal intrapt, start u de motor. Als u het pedaal verder intrapt, verhoogt u de rijsnelheid. Als u het pedaal laat opkomen, vermindert de snelheid van de machine en slaat de motor af.

Note: De maximumsnelheid vooruit is 26 km per uur.

Rempedaal

Met het rempedaal kunt u de machine tot stilstand brengen of de snelheid verminderen (Figuur 7).

Voorzichtig

Gebruik van een machine met versleten of onjuist afgestelde remmen kan tot persoonlijk letsel leiden.

Als de vrije slag van het rempedaal tot de vloer van de machine minder dan 25 mm bedraagt, moeten de remmen worden afgesteld of gerepareerd.

Parkeerremhendel

De parkeerremhendel bevindt zich tussen de stoelen (Figuur 6 en Figuur 7). Als u de motor afzet, moet u de parkeerrem in werking stellen om te voorkomen dat de machine per ongeluk in beweging komt. Trek de parkeerremhendel omhoog om de parkeerrem in te schakelen. Duw de hendel naar beneden om de parkeerrem vrij te zetten.

Schakelhendel

De schakelhendel bevindt zich tussen de stoelen en onder de parkeerremhendel. De schakelhendel heeft 3 standen: VOORUIT, ACHTERUIT en NEUTRAAL (Figuur 6).

Note: U kunt de motor in elke van de drie standen starten en laten lopen.

Important: De machine moet altijd eerst tot stilstand worden gebracht voordat u schakelt.

Claxonknop

Uitsluitend modellen TC

De claxonknop bevindt zich in de linkeronderhoek van het dashboard (Figuur 8). Druk op de claxonknop om de claxon te laten klinken.

g027587

Lichtschakelaar

Gebruik de lichtschakelaar (Figuur 8) om de koplampen aan te zetten. Duw de schakelaar naar boven om de koplampen in te schakelen. Duw de schakelaar naar beneden om de koplampen uit te schakelen.

Urenteller

De urenteller toont het aantal uren dat de machine in bedrijf is geweest. De urenteller (Figuur 8) gaat lopen als de contactschakelaar in de stand AAN wordt gezet of als de motor loopt.

Acculampje

Het acculampje (Figuur 8) gaat enkele tellen branden wanneer u de motor voor het eerst start, en dooft zodra de motor loopt. Als het acculampje blijft branden terwijl de motor loopt, dan is de alternator, de accu of het elektrische systeem beschadigd.

Motoroliedruklampje

Het motoroliedruklampje (Figuur 8) waarschuwt u dat de oliedruk in de motor beneden een veilig niveau daalt. Als het lampje aangaat en blijft branden, moet u de motor uitschakelen en het motoroliepeil controleren. Vul indien nodig olie bij in de motor; zie Motorolie verversen.

Note: Het oliedruklampje kan gaan knipperen. Deze toestand is normaal en vereist geen actie.

Lampje temperatuur motorkoelvloeistof

Het lampje temperatuur motorkoelvloeistof (Figuur 8) waarschuwt u dat de koelvloeistof van de motor te warm is om de motor te blijven gebruiken (de motor raakt oververhit). Zet de motor af en laat de machine afkoelen. Controleer het peil van de koelvloeistof en de riemen naar de ventilator en de waterpomp. Vul het reservoir met de juiste hoeveelheid koelvloeistof en vervang versleten, beschadigde of slippende riemen.

Important: Als de motor blijft oververhitten, neem dan contact op met uw erkende serviceverdeler voor een diagnose en herstelling.

Indicatielampje van gloeibougie

Het indicatielampje van de gloeibougies (Figuur 8) gaat rood branden als de gloeibougies zijn ingeschakeld.

Important: Het indicatielampje van de gloeibougies zal 15 seconden blijven branden wanneer de schakelaar wordt teruggedraaid naar de stand START.

Contactschakelaar

Gebruik de contactschakelaar (Figuur 8) om de motor te starten en uit te zetten.

De contactschakelaar heeft 3 standen: UIT, AAN en START. Draai het sleuteltje naar rechts op AAN om de gloeibougies te activeren. Wanneer het indicatielampje van de gloeibougie dooft, draait u het contactsleuteltje rechtsom in de stand STARTEN. Wanneer de motor aanslaat, draait u het sleuteltje linksom naar de stand LOPEN.

Om de motor af te zetten, draait u het sleuteltje naar links op UIT.

Aansluitpunt

Gebruik het aansluitpunt Figuur 8 om optionele elektrische accessoires van 12 V van stroom te voorzien.

Brandstofmeter

De brandstofmeter (Figuur 9) vindt u op de brandstoftank naast de vuldop, aan de linkerkant van de machine. De brandstofmeter geeft aan hoeveel brandstof er in de tank zit.

g008398

Handgrepen voor passagier

De handgrepen voor de passagier bevinden zich rechts van het instrumentenpaneel en op de buitenkant van elke stoel (Figuur 10).

g009193

Note: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.

Basisgewicht590 kg (droog)
Nominale inhoud (op vlak terrein)Totaalgewicht 749 kg, inclusief bestuurder (90,7 kg) en passagier (90,7 kg), lading, koppelgewicht van aanhangwagen, maximaal toelaatbaar totaalgewicht van aanhangwagen, accessoires en werktuigen
Maximaal toelaatbaar totaalgewicht van voertuig (op vlak terrein)1341 kg in totaal, inclusief alle bovengenoemde gewichten
Maximaal laadvermogen (op vlak terrein)567 kg in totaal, inclusief koppelgewicht van aanhangwagen en maximaal toelaatbaar totaalgewicht van aanhangwagen
Trekvermogen: 
StandaardhaakKoppelgewicht 45 kg. Maximale gewicht van aanhangwagen 363 kg
Haak voor zware lastenKoppelgewicht 45 kg. Maximale gewicht van aanhangwagen 544 kg
Totale breedte150 cm
Totale lengte299 cm
Afstand tot de grond25,4 cm aan de voorzijde, zonder lading of bestuurder, 18 cm aan de achterzijde, zonder lading of bestuurder
Wielbasis205,7 cm
Wielloopvlak (middellijn tot middellijn)124,5 cm aan de voorzijde, 120 cm aan de achterzijde
Lengte laadbak116,8 cm binnenzijde, 132,7 cm buitenzijde
Breedte laadbak124,5 cm binnenzijde, 150 cm aan de buitenzijde van de voorgevormde spatschermen
Hoogte laadbak25,4 cm binnenzijde
Maximale snelheid26 km/uur
Motortoerental (niet instelbaar)laag stationair: 1200 tot 1300 tpm, hoog stationair: 3420 tot 3520 tpm

Werktuigen/accessoires

Een selectie van door Toro goedgekeurde werktuigen en accessoires is verkrijgbaar voor gebruik met de machine om de mogelijkheden daarvan te verbeteren en uit te breiden. Neem contact op met een erkende servicedealer of verdeler of ga naar www.Toro.com voor een lijst van alle goedgekeurde werktuigen en accessoires.

Gebruiksaanwijzing

Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.

Voor gebruik

Veiligheidsinstructies voorafgaand aan het werk

Algemene veiligheid

  • Voorkom dat de machine wordt gebruikt of onderhouden door kinderen of mensen die daarvoor niet opgeleid zijn of daartoe niet lichamelijk in staat zijn. Plaatselijke voorschriften kunnen nadere eisen stellen aan de leeftijd van degene die met de machine werkt. De eigenaar is verantwoordelijk voor de instructie van alle bestuurders en technici.

  • Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningsorganen en de veiligheidssymbolen, en weet hoe u de machine veilig kunt gebruiken.

  • Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. Laat de machine afkoelen voordat u er instellingen of onderhoud aan verricht, of de machine schoonmaakt of stalt.

  • Zorg dat u weet hoe u de machine en de motor snel kunt stoppen.

  • Verzeker dat er niet meer mensen (u en passagiers) op de machine zitten dan er handgrepen zijn.

  • Controleer of alle veiligheidsvoorzieningen en stickers op hun plaats zitten. Repareer of vervang veiligheidsvoorzieningen en vervang onleesbare of ontbrekende stickers. Gebruik de machine uitsluitend als deze aanwezig zijn en naar behoren werken.

Brandstofveiligheid

  • Wees uiterst voorzichtig bij het omgaan met brandstof. Brandstof is ontvlambaar en de dampen kunnen tot ontploffing komen.

  • Doof alle sigaretten, sigaren, pijpen en andere ontstekingsbronnen.

  • Gebruik uitsluitend een goedgekeurd vat of blik voor de brandstof.

  • Wanneer de motor loopt of heet is, mag u de brandstofdop niet verwijderen of brandstof toevoegen.

  • Geen brandstof bijvullen of aftappen in een afgesloten ruimte.

  • Bewaar de machine en het brandstofvat niet op plaatsen waar open vlammen, vonken of waakvlammen (bv. van een boiler of een ander toestel) aanwezig kunnen zijn.

  • Probeer de motor niet te starten als u brandstof hebt gemorst; voorkom elke vorm van open vuur of vonken totdat de brandstofdampen volledig zijn verdwenen.

Dagelijks onderhoud uitvoeren

OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer de veiligheidsgordel(s) op slijtage, insnijdingen en andere beschadigingen. Vervang de veiligheidsgordel(s) als een onderdeel ervan niet naar behoren functioneert.
  • Voer elke dag voordat u de machine start de procedures uit in het onderdeel Telkens voor gebruik/Dagelijks in .

    Bandenspanning controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer de bandenspanning.
  • Aanbevolen bandendruk: 0,55 tot 1,03 bar

    Important: De maximale bandenspanning op de wang van de band niet overschrijden.

    Note: De vereiste bandenspanning is afhankelijk van het gewicht dat u van plan bent te transporteren.

    1. Controleer de bandenspanning.

      Note: De luchtdruk in de voor- en achterbanden moet liggen tussen 0,55 en 1,03 bar.

      • Gebruik een lagere bandenspanning voor lichtere ladingen, voor minder bodemcompactie, voor een soepeler rijgedrag en voor minder bandensporen op de grond.

      • Gebruik een hogere bandenspanning om zwaardere ladingen met hogere snelheid te transporteren.

    2. Indien nodig dient u de luchtdruk in de banden aan te passen door lucht in de banden te pompen of deze af te laten.

    g001055

    Brandstof bijvullen

    De motor loopt op schone, verse diesel met een minimaal cetaangetal van 40. Koop brandstof in hoeveelheden die u binnen 30 dagen kunt gebruiken zodat u altijd verse brandstof heeft.

    Gebruik zomerdieselbrandstof (nr. 2-D) bij temperaturen boven -7 °C en winterdieselbrandstof (nr. 1-D of nr. 1-D/2-D-mengsel) bij temperaturen beneden -7 °C. Gebruik van winterdieselbrandstof bij lagere temperaturen geeft een lager vlampunt en stolpunt, waardoor starten makkelijker wordt en de kans op chemische scheiding van de brandstof door lage temperatuur verkleind wordt.

    Zomerdieselbrandstof gebruiken bij temperaturen boven -7 °C draagt bij aan een langere levensduur van de onderdelen van de brandstofpomp.

    Important: Gebruik nooit kerosine of benzine in plaats van dieselbrandstof. Als u deze waarschuwing niet in acht neemt, kan dit leiden tot beschadiging van de motor.

    Brandstoftank vullen

    Inhoud brandstoftank: 26,5 liter.

    1. Maak de omgeving van de dop van de brandstoftank schoon.

    2. Verwijder de dop van de brandstoftank (Figuur 12).

      g008398
    3. Vul de tank tot ongeveer 25 mm onder de onderkant van de vulbuis en plaats de dop.

      Note: De tank niet te vol vullen.

    4. Draai de tankdop stevig vast.

    5. Neem gemorste brandstof op.

    Een nieuwe machine inrijden

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 100 bedrijfsuren
  • Neem de richtlijnen voor het inrijden van een nieuwe machine in acht.
  • Neem de volgende richtlijnen in acht om ervoor te zorgen dat de machine goede prestaties levert.

    • Controleer of de remmen gebruiksklaar zijn gemaakt; zie De remmen gebruiksklaar maken.

    • Controleer regelmatig het peil van de vloeistoffen en de motorolie. Let op signalen van oververhitting van de machine of onderdelen ervan.

    • Na een koude start moet u de motor ongeveer 15 seconden laten warmlopen voordat u de machine gebruikt.

      Note: Laat de motor langer warmdraaien als u gaat werken bij een lage omgevingstemperatuur.

    • Varieer de snelheid van de machine tijdens het gebruik. Vermijd snel starten en stoppen.

    • De motor heeft geen inrij-olie nodig. De originele motorolie is hetzelfde type olie dat is voorgeschreven voor regelmatige olieverversingen.

    • Zie het hoofdstuk voor bijzondere controles op rustige momenten.

    • Controleer de stand van de voorwielophanging en stel deze af indien nodig; zie De uitlijning van de voorwielen afstellen.

    Tijdens gebruik

    Veiligheid tijdens het werk

    Algemene veiligheid

    • De eigenaar/bestuurder is verantwoordelijk voor ongevallen die kunnen leiden tot lichamelijk letsel en materiële schade, en hij kan zulke ongevallen voorkomen.

    • Passagiers mogen alleen op de daarvoor bedoelde stoelen zitten. Vervoer geen passagiers in de laadbak. Laat geen omstanders of kinderen het werkgebied betreden.

    • Draag geschikte kleding en uitrusting, zoals oogbescherming, een lange broek, stevige schoenen met een gripvaste zool en gehoorbescherming. Draag lang haar niet los en draag geen losse kleding of juwelen.

    • Geef uw volledige aandacht als u de machine gebruikt. Zorg ervoor dat u met niets anders bezig bent waardoor u kunt worden afgeleid, anders kan er letsel ontstaan of kan eigendom worden beschadigd.

    • Gebruik de machine niet als u ziek, moe of onder de invloed van alcohol, medicijnen of drugs bent.

    • Bedien de machine uitsluitend buitenshuis of in een goed geventileerde ruimte.

    • U mag het maximaal toelaatbare totaalgewicht van de machine niet overschrijden.

    • Wees extra voorzichtig bij het remmen of door een bocht gaan als er een zware last in de laadbak zit.

    • Te grote ladingen transporteren in de laadbak vermindert de stabiliteit van de machine. Overschrijd de draagcapaciteit van de laadbak niet.

    • Materiaal transporteren dat niet kan worden vastgemaakt aan de machine heeft een nadelig effect op de stabiliteit en het stuur- en remgedrag van de machine. Wanneer u materiaal transporteert dat niet kan worden vastgemaakt aan de machine, moet u voorzichtig sturen en remmen.

    • Kies een lichtere lading en verminder uw snelheid als u moet rijden op ruw of oneffen terrein en vlak langs wegranden, kuilen en andere abrupte veranderingen in het terrein. De lading kan gaan schuiven waardoor de machine haar stabiliteit verliest.

    • Voordat u de machine start: verzeker dat de transmissie in de neutraalstand staat, de parkeerrem ingeschakeld is, en u op de bestuurdersstoel zit.

    • U en uw passagiers moeten blijven zitten wanneer de machine rijdt. Houd uw handen aan het stuurwiel; uw passagiers moeten de daartoe voorziene handgrepen gebruiken. Houd uw armen en benen te allen tijde binnen de machine.

    • Bedien de machine uitsluitend wanneer de zichtbaarheid goed is. Kijk uit voor gaten, geulen, hobbels, stenen of andere verborgen objecten. De machine kan omslaan op oneffenheden in het terrein. In hoog gras zijn obstakels niet altijd zichtbaar. Wees voorzichtig bij het naderen van blinde hoeken, struiken, bomen, en andere objecten die uw zicht kunnen belemmeren.

    • Rij de machine niet in de buurt van steile hellingen, greppels of dijken. De machine kan plotseling omslaan als een wiel over de rand komt, of als de rand afbrokkelt.

    • Kijk altijd goed uit en vermijd laag overhangende objecten, zoals boomtakken, deurposten, loopbruggen, enz.

    • Kijk achterom en omlaag voordat u de machine achteruitrijdt om er zeker van te zijn dat de weg vrij is.

    • Als u zich met de machine op de openbare weg begeeft, neem dan de verkeersregels in acht en gebruik bijkomende accessoires die wettelijk verplicht kunnen zijn, zoals verlichting, richtingaanwijzers, tekens 'langzaam rijdend voertuig', etc.

    • Als de machine abnormaal trilt moet u onmiddellijk stoppen, de motor uitschakelen, wachten tot alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen en het voertuig op beschadigingen controleren. Repareer alle schade aan de machine alvorens door te gaan met het werk.

    • De stoptijd van de machine op een nat oppervlak kan langer zijn dan op een droog oppervlak. Om natte remmen uit te drogen, moet u langzaam rijden op een vlak oppervlak, terwijl u lichte druk uitoefent op het rempedaal.

    • Als de machine snel rijdt en abrupt stopt, kunnen de achterwielen worden geblokkeerd, waardoor de machine moeilijk bestuurbaar wordt.

    • Raak de motor, de transmissie, de geluiddemper of het verdeelstuk van de geluiddemper niet aan als de motor loopt of direct nadat u de motor hebt afgezet. Deze onderdelen kunnen heet zijn en brandwonden veroorzaken.

    • U mag een machine met draaiende motor niet onbeheerd achterlaten.

    • Doe het volgende voordat u de bestuurdersstoel verlaat:

      • Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

      • Zet de transmissie op NEUTRAAL.

      • Stel de parkeerrem in werking.

      • Laat de laadbak neer.

      • Zet de machine uit en verwijder het sleuteltje.

      • Wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen.

    • Gebruik de machine niet als het kan bliksemen.

    • Gebruik alleen door The Toro® Company goedgekeurde accessoires en werktuigen.

    Veiligheid op hellingen

    Note: Een rolbeugel met twee stangen is als accessoire beschikbaar voor deze machine. Gebruik een rolbeugel als u gaat werken in de buurt van steile randen of water, of op oneffen terrein of een helling waar de machine zou kunnen omkantelen. Neem contact op met een erkende servicedealer voor meer informatie.

    Hellingen zijn de belangrijkste oorzaak dat de bestuurder de macht over de machine verliest en deze omkantelt. Dit kan leiden tot ernstig of dodelijke letsel.

    • Inspecteer het terrein en ga na op welke hellingen u de machine veilig kunt gebruiken; stel een procedure en regels op voor het werken op deze hellingen. Gebruik altijd uw gezond verstand en uw beoordelingsvermogen wanneer u dit onderzoek uitvoert.

    • Als u zich ongemakkelijk voelt wanneer u de machine op een helling gebruikt, maai die helling dan niet.

    • Voer alle bewegingen op hellingen langzaam en geleidelijk uit. Verander niet plots de snelheid of rijrichting van de machine.

    • Gebruik de machine niet op een nat terrein. Wielen kunnen grip verliezen. De machine kan omrollen voordat de wielen grip verliezen.

    • Rij hellingen in een rechte lijn op en af.

    • Als u vaart begint te verliezen terwijl u een helling oprijdt, moet u voorzichtig het rempedaal indrukken en de helling langzaam achterwaarts in een rechte lijn afrijden.

    • Draaien als u een helling op- of afrijdt, kan gevaarlijk zijn. Als u absoluut moet draaien op een helling, dient u dit langzaam en voorzichtig te doen.

    • Een zware lading heeft invloed op de stabiliteit van het voertuig op een helling. Verklein de lading en neem gas terug als u op een helling rijdt of als de lading een hoog zwaartepunt heeft. Maak de lading vast aan de laadbak van de machine om te voorkomen dat de lading gaat schuiven. Wees extra voorzichtig als u ladingen transporteert die gemakkelijk schuiven (vloeistoffen, stenen, zand, enz.).

    • Zorg dat u de machine niet moet starten, stoppen of keren op een helling, vooral als u een lading vervoert. Stoppen tijdens de afdaling van een helling kost meer tijd dan op vlak terrein. Als u de machine tot stilstand moet brengen, mag u de snelheid niet te abrupt verminderen; anders kan de machine omslaan of gaan rollen. Trap niet te abrupt op het rempedaal als u achterwaarts rolt, omdat de machine dan kan omslaan.

    Veilig laden en storten

    • Overschrijd het maximale toelaatbare gewicht van de machine niet als u een lading transporteert in de laadbak en/of als u een aanhangwagen sleept; zie Specificaties.

    • Verdeel de lading gelijkmatig in de laadbak om de stabiliteit en uw controle over de machine te verbeteren.

    • Let erop dat er niemand achter de machine staat voordat u de lading stort.

    • Stort de lading niet uit de bak als de machine zijwaarts op een helling staat. Als gevolg van de verandering in de gewichtsverdeling kan de machine omslaan.

    De laadbak gebruiken

    De laadbak omhoog laten komen

    Waarschuwing

    Een opgehaalde laadbak kan vallen en letsel toebrengen aan personen die eronder aan het werk zijn.

    • Gebruik altijd de steun om de bak omhoog te houden voordat u onder een opgehaalde laadbak gaat werken.

    • Verwijder de lading uit de laadbak voordat u deze omhoogbrengt.

    Waarschuwing

    Als de laadbak tijdens het rijden omhoogstaat, kan de machine gemakkelijker omslaan of gaan rollen. U kunt de laadbak beschadigen als deze tijdens het gebruik van de machine omhoogstaat.

    • Gebruik de machine met de laadbak neergelaten.

    • Laat de laadbak neer als u hem geleegd hebt.

    Voorzichtig

    Als de achterkant van de laadbak belast is wanneer u de sluitingen losmaakt, kan de laadbak onverwacht openklappen en u of andere omstanders verwonden.

    • Belast indien mogelijk het midden van de laadbak.

    • Houd de laadbak naar beneden en controleer of niemand over de laadbak leunt of erachter staat als u de sluitingen losmaakt.

    • Verwijder de lading uit de laadbak voordat u deze omhoogbrengt voor onderhoud aan de machine.

    1. Zet de hendels aan beide zijden van de laadbak omhoog en breng de laadbak omhoog (Figuur 13).

      g014860
    2. Zet de steunstang in de borgsleuf om de laadbak vast te zetten (Figuur 14).

      g029622

    De laadbak laten zakken

    Waarschuwing

    De laadbak kan zwaar zijn. Handen of andere lichaamsdelen kunnen bekneld raken.

    Houd uw handen en andere lichaamsdelen uit de buurt van de bak als u deze neerlaat.

    1. Til de laadbak licht omhoog door de grendelhandgreep omhoog te brengen (Figuur 13).

    2. Neem de steunstang uit de palopening (Figuur 14).

    3. Laat de bak neer tot hij stevig vergrendeld is (Figuur 14).

    De achterlaadklep openen

    1. Zorg dat de laadbak omlaag en vergrendeld is.

    2. Til de klepjes op het achterste paneel van de achterlaadklep omhoog (Figuur 15).

      g024490
    3. Lijn de borgflenzen van de achterlaadklep uit met de openingen tussen de flenzen van de achterlaadklep van de laadbak (Figuur 15).

    4. Draai de achterlaadklep naar achteren en omlaag (Figuur 15).

    De achterlaadklep sluiten

    Als u los materiaal zoals zand, kiezels of houtsnippers uit de laadbak van de machine hebt gestort, kan een deel van het gestorte materiaal tussen de hengsels van de achterlaadklep beland zijn. Doe het volgende voordat u de achterlaadklep sluit.

    1. Verwijder handmatig zo veel mogelijk materiaal van tussen de hengsels.

    2. Draai de achterlaadklep ongeveer in de 45°-stand (Figuur 16).

      g024491
    3. Beweeg de achterlaadklep enkele keren heen en weer met korte, schokkende bewegingen (Figuur 16).

      Note: Dit helpt om materiaal tussen de hengsels vandaan te krijgen.

    4. Laat de achterlaadklep zakken en controleer of er materiaal is achtergebleven tussen de hengsels.

    5. Herhaal stappen 1 tot 4 tot al het materiaal van tussen de hengsels is.

    6. Draai de achterlaadklep naar boven en naar voren tot de borgflenzen van de achterlaadklep gelijk komen met het vak voor de achterlaadklep in de laadbak (Figuur 15).

      Note: Breng de achterlaadklep omhoog of omlaag om de borgflenzen van de achterlaadklep uit te lijnen met de verticale openingen tussen de achterlaadklepflenzen van de laadbak.

    7. Laat de achterlaadklep zakken tot deze in de achterzijde van de laadbak zit (Figuur 15).

      Note: De borgflenzen van de achterlaadklep zitten stevig vast dankzij de achterlaadklepflenzen van de laadbak.

    Motor starten

    Important: Probeer de motor niet te starten door de machine aan te duwen of te slepen.

    1. Neem plaats op de bestuurdersstoel, steek het sleuteltje in de contactschakelaar, druk de rem in en draai het sleuteltje naar rechts op AAN.

      Note: Als het achteruitrijalarm is geïnstalleerd en de schakelhendel in de stand ACHTERUIT staat, klinkt er een zoemer om de bestuurder te waarschuwen dat de machine in Achteruit staat.

    2. Wanneer het indicatielampje van de gloeibougie dooft, draait u het contactsleuteltje rechtsom in de stand STARTEN.

    3. Wanneer de motor aanslaat, draait u het sleuteltje linksom naar de stand LOPEN.

    4. Zet de parkeerrem vrij.

    De machine stoppen

    Important: Als u de machine op een helling laat stoppen, moet u de bedrijfsremmen intrappen en de parkeerrem in werking stellen om te voorkomen dat de machine van zijn plaats rolt. Als u het gaspedaal gebruikt om de machine op de helling tot stilstand te brengen, kan de machine schade oplopen.

    1. Haal uw voet van het gaspedaal.

    2. Druk het rempedaal langzaam in om met de bedrijfsremmen de machine volledig tot stilstand te brengen.

      Note: De lengte van de remweg kan variëren, afhankelijk van de lading en de snelheid van de machine.

    De motor afzetten

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Stel de parkeerrem in werking.

    3. Draai het sleuteltje naar UIT en verwijder het.

    De laadbak laden

    Neem de volgende richtlijnen in acht bij het laden van de laadbak en het gebruik van de machine:

    • Hou rekening met het laadvermogen van de machine en beperk het gewicht van de lading die u in de laadbak transporteert volgens de specificaties in Specificaties en op het label met het toelaatbare totaalgewicht van de machine.

      Note: Het laadvermogen geldt alleen voor gebruik van de machine op een gelijke ondergrond.

    • Verminder het gewicht van de lading die u in de laadbak transporteert als u de machine gebruikt op hellingen en ruw terrein.

    • Verminder het gewicht van de lading die u in de laadbak transporteert als het materiaal hoog opgestapeld is (en een hoog zwaartepunt heeft), zoals een stapel bakstenen, planken voor tuinelementen of zakken met kunstmest. Verdeel de lading zo laag mogelijk zodat de lading uw zicht achter de machine tijdens gebruik niet belemmert.

    • Hou ladingen gecentreerd door de laadbak als volgt te laden:

      • Verdeel het gewicht gelijkmatig over de breedte van de laadbak.

        Important: Het risico om te kantelen is groter als de laadbak aan 1 kant zwaarder is geladen.

      • Verdeel het gewicht gelijkmatig over de lengte van de laadbak.

        Important: Als u de lading achter de achteras legt, hebben de voorbanden minder tractie, wat ertoe kan leiden dat de machine onbestuurbaar wordt of omkantelt.

    • Wees extra voorzichtig als u erg omvangrijke ladingen transporteert in de laadbak, in het bijzonder als u het gewicht van de lading niet centraal in de laadbak kunt plaatsen.

    • Maak indien mogelijk de lading vast aan de laadbak zodat de lading niet gaat schuiven.

    • Als u vloeistof in een grote tank transporteert (zoals een spuittank), wees dan voorzichtig als u de machine een helling op- of afrijdt, als u uw snelheid plots verandert, als u stopt, of als u over ruw terrein rijdt.

    De inhoud van de laadbak is 0,37 m3. De hoeveelheid (het volume) materiaal die u in de bak kunt laden zonder dat het draagvermogen van de machine wordt overschreden, kan sterk variëren afhankelijk van de dichtheid van het materiaal.

    Raadpleeg de volgende tabel voor de maximale belading met verschillende materialen.

    MateriaalDichtheidMaximaal laadvermogen laadbak(op een vlakke ondergrond)
    Grind, droog1522 kg/m3Vol
    Grind, nat1922 kg/m3¾ vol
    Zand, droog 1442 kg/m3Vol
    Zand, nat1922 kg/m3¾ vol
    Hout721 kg/m3Vol
    Schors< 721 kg/m3Vol
    Aarde, samengedrukt1602 kg/m3¾ vol (bij benadering)

    Na gebruik

    Veiligheid na het werk

    Algemene veiligheid

    • Doe het volgende voordat u de bestuurdersstoel verlaat:

      • Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

      • Zet de transmissie op NEUTRAAL.

      • Stel de parkeerrem in werking.

      • Laat de laadbak neer.

      • Zet de machine uit en verwijder het sleuteltje.

      • Wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen.

    • Laat de machine afkoelen voordat u er instellingen of onderhoud aan verricht, of de machine schoonmaakt of stalt.

    • Sla de machine niet op op plaatsen waar open vlammen, vonken of waakvlammen (bv. van een boiler of andere toestellen) aanwezig kunnen zijn.

    • Zorg ervoor dat alle onderdelen van de machine in goede staat verkeren en alle bevestigingselementen stevig vastzitten.

    • Onderhoud en reinig de veiligheidsgordel(s) indien nodig.

    • Vervang versleten, beschadigde en ontbrekende stickers.

    De machine transporteren

    • Wees voorzichtig als u de machine inlaadt op een aanhanger of een vrachtwagen of uitlaadt.

    • Gebruik een oprijplaat van volledige breedte bij het laden van de machine op een aanhanger of vrachtwagen.

    • Maak de machine stevig vast.

    Zie Figuur 17 en Figuur 18 voor de plaats van de bevestigingspunten van de machine.

    Note: Laad de machine op de aanhangwagen met de voorzijde van de machine naar voren gericht. Als dat niet mogelijk is, bevestig dan de motorkap met een riem aan het frame of verwijder de motorkap zodat deze er niet af kan waaien tijden het transport.

    Voorzichtig

    Losse stoelen kunnen van de machine en de aanhangwagen vallen tijdens het transport van de machine, en de stoelen kunnen op een andere machine terechtkomen de weg versperren.

    Verwijder de stoelen of zet de stoelen stevig vast in de koppeling van het stoelscherm.

    g033043
    g312722

    De machine slepen

    In noodgevallen kunt u de machine over een korte afstand slepen; maak hier evenwel geen gewoonte van.

    Waarschuwing

    Als u de machine bij een te hoge snelheid sleept, kunt u de controle over het stuur verliezen. Dit kan letsel veroorzaken.

    Sleep de machine nooit sneller dan 8 km per uur.

    Note: De stuurbekrachtiging functioneert niet, waardoor de besturing wordt bemoeilijkt.

    De machine moet worden gesleept door 2 personen. Als u de machine over een grote afstand moet verplaatsen, moet u deze vervoeren op een vrachtwagen of een aanhanger; zie Een aanhangwagen trekken

    1. Verwijder de drijfriem van de machine; zie Aandrijfriem vervangen.

    2. Maak een sleepkabel vast aan de sleeplip aan de voorkant van het frame van de machine (Figuur 17).

    3. Zet de transmissie in de NEUTRAALSTAND en zet de parkeerrem vrij.

    Een aanhangwagen trekken

    De machine kan een aanhangwagen trekken. Er is een trekhaak verkrijgbaar voor de machine. Vraag uw erkende servicedealer om meer informatie.

    Als u een lading vervoert of een aanhangwagen trekt, mag u de machine of de aanhangwagen niet te zwaar beladen. Een te zware lading van de machine of de aanhanger kan leiden tot slechte prestaties of beschadiging van de remmen, as, motor, transaxle, stuurinrichting, ophanging, carrosserie of banden.

    Zorg er altijd voor dat 60% van het gewicht van de lading zich in het voorste deel van de aanhangwagen bevindt. Hierdoor komt ongeveer 10% van het totale gewicht van de aanhangwagen op de trekhaak van de machine.

    Ten behoeve van een goede remwerking en tractie moet de laadbak altijd zijn geladen als u een aanhangwagen gebruikt. U mag het maximaal toelaatbare totaalgewicht van de trailer en het voertuig niet overschrijden.

    Parkeer de machine nooit op een helling als er een aanhangwagen is aangekoppeld. Als u toch op een helling moet parkeren, dient u de parkeerrem in werking te stellen en de wielen van de aanhangwagen te blokkeren.

    Onderhoud

    Veiligheid bij onderhoud

    • Laat personeel dat niet bekend is met de instructies nooit onderhoudswerkzaamheden aan de machine uitvoeren.

    • Doe het volgende voordat u de bestuurdersstoel verlaat:

      • Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

      • Zet de transmissie op NEUTRAAL.

      • Stel de parkeerrem in werking.

      • Laat de laadbak neer.

      • Zet de machine uit en verwijder het sleuteltje.

      • Wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen.

    • Laat de machine afkoelen voordat u er instellingen of onderhoud aan verricht, of de machine schoonmaakt of stalt.

    • Ondersteun de machine met assteunen als u onder de machine werkt.

    • Werk nooit onder een opgetilde laadbak zonder dat de juiste laadbakbeveiliging is geplaatst.

    • Laad de accu’s niet op terwijl u onderhoud uitvoert aan de machine.

    • Om de machine in goede staat te houden moet u verzekeren dat alle bevestigingsmiddelen goed zijn aangetrokken.

    • Om het risico op brand te verminderen moet u de omgeving van de machine vrij houden van overtollig vet, gras, bladeren en vuil.

    • Indien mogelijk moet u geen onderhoud uitvoeren bij ingeschakelde machine. Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen.

    • Als de machine ingeschakeld moet zijn om een instelling te maken moet u uw handen en voeten, kleding en alle lichaamsdelen uit de buurt van bewegende delen houden. Hou omstanders uit de buurt van de machine.

    • Veeg gemorste olie en brandstof op.

    • Controleer de werking van de parkeerrem volgens het onderhoudsschema en stel deze in en voer onderhoud uit naar behoefte.

    • Zorg dat alle onderdelen van de machine in goede staat verkeren en alle bevestigingsmiddelen goed zijn aangetrokken. Vervang versleten of beschadigde stickers.

    • Voer geen handelingen uit die van invloed zijn op de bedoelde werking van een veiligheidsvoorziening of die de bescherming waarin de veiligheidsvoorziening voorziet verminderen.

    • Voorkom dat de motor het maximaal toelaatbare toerental overschrijdt, doordat de instellingen van de motor zijn veranderd. De servicedealer kan het maximale toerental controleren met een toerenteller om de veiligheid en nauwkeurigheid te verzekeren.

    • Indien grote reparaties nodig zijn of u ondersteuning nodig heeft, neem dan contact op met een erkende servicedealer.

    • Elke verandering aan deze machine kan gevolgen hebben voor de werking, prestaties of levensduur van de machine, en kan letsel of de dood veroorzaken. Dergelijke veranderingen kunnen ertoe leiden dat de garantie op het product van The Toro® Company komt te vervallen.

    Aanbevolen onderhoudsschema

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 8 bedrijfsuren
  • Controleer de conditie van de aandrijfriem.
  • Na de eerste 50 bedrijfsuren
  • De motorolie verversen.
  • Motoroliefilter vervangen.
  • Stel de speling van de motorklep af.
  • Na de eerste 100 bedrijfsuren
  • Neem de richtlijnen voor het inrijden van een nieuwe machine in acht.
  • Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer de veiligheidsgordel(s) op slijtage, insnijdingen en andere beschadigingen. Vervang de veiligheidsgordel(s) als een onderdeel ervan niet naar behoren functioneert.
  • Controleer de bandenspanning.
  • Controleer het motoroliepeil.
  • Werking van schakelhendel controleren.
  • Controleer de primaire aandrijfkoppeling.
  • Controleer het koelvloeistofpeil van de radiateur.
  • Remvloeistofpeil controleren.Controleer het peil van de remvloeistof voordat u de motor voor de eerste keer start.
  • Was de machine.
  • Om de 100 bedrijfsuren
  • Lagers en lagerbussen smeren.Smeer vaker als de machine in zware omstandigheden wordt gebruikt.
  • Vervang het luchtfilter.Vervang het luchtfilter eerder als het vuil of beschadigd is.
  • Controleer de staat van de banden en velgen.
  • Draai de wielmoeren aan.
  • De stuurinrichting en ophanging op losse of beschadigde onderdelen controleren.
  • De vlucht en het toespoor van de voorwielen controleren.
  • Het peil van de transaxlevloeistof controleren.
  • Werking van de neutraalstand van de schakelinrichting controleren.
  • Reiniging van de motorkoelingsgebieden.Reinig het koelsysteem tweemaal zo vaak in bijzondere werkomstandigheden; zie .
  • De remmen controleren
  • Om de 150 bedrijfsuren
  • De motorolie verversen(twee keer zo vaak als normaal bij bijzondere werkomstandigheden; zie .
  • Motoroliefilter vervangen.Ververs de olie tweemaal zo vaak in bijzondere werkomstandigheden.
  • Om de 200 bedrijfsuren
  • Reinig de primaire aandrijfkoppeling (vaker in stoffige of vuile omstandigheden).
  • Stel de parkeerrem af, indien nodig.
  • De conditie en de spanning van de aandrijfriem controleren.
  • Controleer de bedrijfs- en parkeerremmen.
  • Om de 300 bedrijfsuren
  • De lagers in de voorwielen smeren.
  • Om de 400 bedrijfsuren
  • Controleer de brandstofleidingen en -verbindingen.
  • Controleer of de remschoenen zijn versleten.
  • Om de 600 bedrijfsuren
  • Stel de speling van de motorklep af.
  • Om de 800 bedrijfsuren
  • Brandstoffilter vervangen.
  • Transaxle-olie verversen.
  • Om de 1000 bedrijfsuren
  • Vervang de koelvloeistof van de radiateur.
  • Remvloeistof verversen.
  • Note: Download het elektrische schema gratis op www.Toro.com; u kunt uw machine zoeken via de link Handleidingen op de hoofdpagina.

    Important: Raadpleeg de gebruikershandleiding van de motor voor verdere onderhoudsprocedures.

    Waarschuwing

    Als u de machine niet goed onderhoudt kunnen systemen van de machine voortijdig defect raken en u of omstanders mogelijk letsel toebrengen.

    U moet de machine goed onderhouden en in goede staat houden volgens deze instructies.

    Voorzichtig

    De machine mag uitsluitend worden onderhouden, gerepareerd, afgesteld of geïnspecteerd door vakbekwame en erkende technici.

    • Voorkom brandgevaar en zorg ervoor dat er brandbestrijdingsapparatuur in het werkgebied aanwezig is. Controleer nooit met een open vuur het peil van vloeistoffen, het accuzuur of de koelvloeistof, of een lekkage.

    • Gebruik geen open bakken met brandstof of ontvlambare reinigingsvloeistoffen om onderdelen schoon te maken.

    Voorzichtig

    Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u en andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen.

    Zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert.

    Controlelijst voor dagelijks onderhoud

    Gelieve deze pagina te kopiëren ten behoeve van gebruik bij routinecontroles.

    Gecontroleerde itemVoor week van:
    maandagdinsdagwoensdagdonderdagvrijdagzaterdagzondag
    Werking van rem en parkeerrem controleren.       
    Werking van schakelinrichting/neutraalstand controleren.       
    Brandstofpeil controleren.       
    Controleer het motoroliepeil.       
    Het peil van de transaxlevloeistof controleren.       
    Luchtfilter controleren.       
    De koelribben van de motor controleren.       
    Controleren of de motor ongewone geluiden maakt.       
    Controleren op ongewone geluiden tijdens het gebruik.       
    De bandenspanning controleren.       
    Controleren op lekkages.       
    Werking van instrumenten controleren.       
    Werking van het gaspedaal controleren.       
    Vet in alle smeernippels spuiten.       
    Was de machine.       
    Beschadigde lak bijwerken.       

    Onderhoud van de machine in bijzondere omstandigheden

    Important: Als de machine wordt gebruikt in de hieronder genoemde omstandigheden, moet u de onderhoudswerkzaamheden twee keer zo vaak uitvoeren:

    • Gebruik in woestijngebied

    • Gebruik bij lage temperaturen: beneden 0 °C

    • Trekken van een aanhangwagen

    • Veelvuldig gebruik in stoffige omstandigheden

    • Bouwwerkzaamheden

    • Doe het volgende na langdurig gebruik in modder, zand, water of soortgelijke vuile omstandigheden:

      • Laat de remmen zo snel mogelijk controleren en reinigen. Dit voorkomt dat schurend materiaal overmatige slijtage veroorzaakt.

      • Reinig de machine met alleen water of een mild reinigingsmiddel.

        Important: Gebruik geen brak of teruggewonnen water om de machine schoon te maken.

    Procedures voorafgaande aan onderhoud

    Bij een groot aantal van de onderhoudswerkzaamheden die in dit hoofdstuk worden besproken, dient de laadbak opgeheven of neergelaten te worden. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen om ernstig of dodelijk letsel te voorkomen.

    De machine klaar maken voor onderhoud

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Stel de parkeerrem in werking.

    3. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    4. Leeg de laadbak en breng hem omhoog; zie De laadbak gebruiken.

    De machine omhoog brengen

    Gevaar

    Een opgekrikte machine kan wankel staan. De machine kan van de krik afglijden, waardoor iemand die zich eronder bevindt letsel kan oplopen.

    • Start de motor niet als de machine is opgekrikt.

    • Haal altijd het sleuteltje uit het contact voordat u van de machine stapt.

    • Blokkeer de wielen wanneer de machine wordt ondersteund door hefwerktuigen.

    • Gebruik assteunen om de machine te ondersteunen wanneer deze gehesen is.

    Important: Als u de machine voor routineonderhoud en/of diagnose laat draaien, zorg dan dat de achterwielen van de machine 25 mm vrij van de grond zijn door de achteras op assteunen te zetten.

    • Het hefpunt vooraan de machine bevindt zich aan de voorzijde van het frame, achter de sleeplip (Figuur 19).

      g033043
    • Het hefpunt aan de achterzijde van de machine bevindt zich onder de asbuizen (Figuur 20).

    g312722

    De motorkap openen

    De motorkap optillen

    1. Til de handgreep van de rubberen grendels aan weerszijden van de motorkap op (Figuur 21).

      g312721
    2. Til de motorkap op.

    De motorkap sluiten

    1. Laat de motorkap langzaam zakken.

    2. Bevestig de motorkap door de rubberen grendels uit te lijnen met de grendelbevestigingen aan weerszijden van de motorkap (Figuur 21).

    Smering

    De machine smeren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • Lagers en lagerbussen smeren.Smeer vaker als de machine in zware omstandigheden wordt gebruikt.
  • Type vet: Nr. 2 vet op lithiumbasis

    1. Veeg de smeernippel schoon met een doek zodat er geen vuil kan binnendringen in het lager of de lagerbus.

    2. Gebruik een smeerpistool. Haal de trekker 1 of 2 keer over om smeervet in de smeernippels van de machine te pompen.

    3. Veeg overtollig smeervet van de machine.

    De smeernippels bevinden zich aan de binnenkant van de bedieningsarmen, bij de kogelverbinding van de trekstang en aan de buitenkant van de bedieningsarmen (Figuur 22 en Figuur 23).

    g033044
    g033217

    De lagers in de voorwielen smeren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 300 bedrijfsuren
  • De lagers in de voorwielen smeren.
  • Specificatie smeermiddel: Mobilgrease XHP™-222

    De naaf en rotor verwijderen

    1. Til de voorkant van de machine op en plaats deze op assteunen.

    2. Verwijder de 4 wielmoeren waarmee het wiel aan de naaf bevestigd is (Figuur 24).

      g033046
    3. Verwijder de flenskopbouten (⅜" x ¾") waarmee de beugel voor de rem is bevestigd aan de as en verwijder de rem van de as (Figuur 25).

      Note: Ondersteun de rem voordat u verder gaat met de volgende stap.

      g033047
    4. Verwijder de stofkap van de naaf (Figuur 26).

      g033048
    5. Verwijder de borgpen en de moerzekering van de as en de asmoer (Figuur 26).

    6. Verwijder de asmoer van de as, en verwijder de naaf en de rotor van de as (Figuur 26 en Figuur 27).

      g033049
    7. Maak de as schoon met een doek.

    8. Herhaal stap 1 tot en met 7 voor de naaf en de rotor aan de andere kant van de machine.

    De lagers in de wielen smeren

    1. Verwijder het buitenste lager en de loopring van het lager van de naaf (Figuur 28).

      g033050
    2. Verwijder de afdichting en het binnenste lager van de naaf (Figuur 28).

    3. Maak de afdichting schoon en controleer op slijtage en beschadiging.

      Note: Gebruik geen reinigingsmiddel om de afdichting schoon te maken. Vervang de afdichting als deze versleten of beschadigd is.

    4. Maak de lagers en de loopringen schoon en controleer deze onderdelen op slijtage en beschadiging.

      Note: Vervang versleten of beschadigde onderdelen. Controleer of de lagers en loopringen schoon en droog zijn.

    5. Verwijder alle vuil en vet uit de holte van de naaf (Figuur 28).

    6. Smeer de lagers met het aanbevolen smeermiddel.

    7. Vul de holte van de naaf voor 50 tot 80% met het aanbevolen smeermiddel (Figuur 28).

    8. Monteer het binnenste lager op de loopring aan de binnenkant van de naaf en monteer de afdichting (Figuur 28).

    9. Herhaal stap 1 tot en met 8 voor de lagers van de andere naaf.

    De naaf en rotor monteren

    1. Breng een laagje van het aanbevolen smeermiddel aan op de as (Figuur 29).

      g033051
    2. Monteer de naaf en de rotor op de as met de rotor aan de binnenkant (Figuur 29).

    3. Monteer het buitenste lager op de as en plaats het lager in de buitenste loopring (Figuur 29).

    4. Monteer het borgplaatje op de as (Figuur 29).

    5. Draai de asmoer op de as en zet de moer vast met een torsie van 15 N·m terwijl u de naaf draait om het lager te plaatsen (Figuur 29).

    6. Draai de asmoer los tot de naaf vrij kan draaien.

    7. Draai de asmoer vast met een torsie van 170 tot 225 N·m.

    8. Monteer de borgschroef over de moer en controleer de uitlijning van de sleuf in de schroef en de opening in de as voor de borgpen (Figuur 30).

      Note: Als de sleuf in de borgschroef en de opening in de as niet uitgelijnd zijn, moet u de asmoer vastzetten met een torsie van maximaal 226 N·cm om de sleuf en de opening uit te lijnen.

      g033054
    9. Monteer de borgpen en plooi beide uiteinden rond de borgschroef (Figuur 30).

    10. Plaats de stofkap op de naaf (Figuur 30).

    11. Herhaal stap 1 tot en met 10 voor de naaf en de rotor aan de andere kant van de machine.

    De remmen en wielen monteren

    1. Reinig de 2 flenskopbouten (⅜" x ¾") en breng een laag anti-seize aan op de draden van de bouten.

    2. Lijn de remblokken aan beide zijden van de rotor (Figuur 25) en de openingen in de beugel van de remklauw uit met de openingen in de rembevestiging van het asframe (Figuur 29).

    3. Bevestig de beugel van de remklauw aan het asframe (Figuur 25) met de 2 flenskopbouten (⅜" x ¾") en draai de bouten vast met een torsie van 47 tot 54 N·m.

    4. Lijn de openingen in het wiel uit met de bouten van de naaf en monteer het wiel op de naaf met het ventiel naar buiten gericht (Figuur 24).

      Note: Zorg dat het montagevlak van het wiel gelijk komt met de naaf.

    5. Bevestig het wiel aan de naaf met de wielmoeren (Figuur 24) en draai de moeren vast met een torsie van 108 tot 122 N·m.

    6. Herhaal stap 1 tot en met 5 voor de rem en het wiel aan de andere kant van de machine.

    Onderhoud motor

    Veiligheid van de motor

    • Zet de motor af, verwijder het sleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de olie controleert of olie bijvult in het carter.

    • Houd uw handen, voeten, gezicht, kleding en andere lichaamsdelen uit de buurt van de geluiddemper en andere hete oppervlakken.

    Onderhoud van het luchtfilter

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • Vervang het luchtfilter.Vervang het luchtfilter eerder als het vuil of beschadigd is.
  • Note: Het luchtfilter moet vaker een onderhoudsbeurt krijgen als de machine wordt gebruikt in buitengewoon stoffige of zanderige omstandigheden.

    Het luchtfilter controleren

    1. Breng de laadbak omhoog en zet deze vast met de steunstang.

    2. Controleer de luchtfilterbehuizing op beschadigingen die een luchtlek zouden kunnen veroorzaken (Figuur 31).

      Note: Controleer of het deksel van de luchtfilterbehuizing helemaal afsluit.

      Note: Beschadigde luchtfilterdeksels of -behuizingen moet u vervangen.

      g027724
    3. Trek de sluiting naar buiten en draai het luchtfilterdeksel linksom (Figuur 31).

    4. Verwijder het deksel van de luchtfilterbehuizing.

    5. Schuif het luchtfilterelement voorzichtig uit het luchtfilterhuis (Figuur 31) om zo weinig mogelijk stof te verplaatsen.

      Note: Zorg ervoor dat u niet met het filter tegen het luchtfilterhuis stoot.

    6. Controleer het luchtfilterelement.

      • Als het luchtfilterelement schoon is, monteert u het filterelement.

      • Als het luchtfilterelement beschadigd is, vervang dan het filterelement; zie Luchtfilter vervangen.

    Luchtfilter vervangen

    1. Verwijder het luchtfilterelement.

    2. Controleer of het nieuwe filter niet is beschadigd door het transport ervan.

      Note: Controleer het uiteinde van het filter dat moet aansluiten.

      Important: Een beschadigde filter mag niet worden gemonteerd.

    3. Monteer het nieuwe luchtfilter; zie Het luchtfilter monteren.

    Het luchtfilter monteren

    Important: Om schade aan de motor te voorkomen, mag u de motor nooit laten lopen zonder dat het complete luchtfilter is gemonteerd.

    Note: Een beschadigd element mag niet worden gebruikt.

    Note: Het wordt afgeraden een gebruikt luchtfilterelement te reinigen omdat dit kan leiden tot beschadiging van de filtermedia.

    1. Reinig de opening van de vuiluitlaat op het deksel van het luchtfilter (Figuur 31).

    2. Verwijder de rubberen uitlaatklep van het deksel, maak de holte schoon en plaats de klep terug (Figuur 31).

    3. Steek het luchtfilterelement in het luchtfilterhuis; druk op de buitenrand van het element om het in het luchtfilterhuis te brengen (Figuur 31).

      Note: Zorg ervoor dat het filter op de juiste wijze is afgesloten door de buitenring van het filter aan te drukken als u het filter monteert. Druk niet op het flexibele midden van het filter.

    4. Lijn het luchtfilterdeksel uit met de luchtfilterbehuizing en richt de rubberen uitlaatklep naar beneden, in een positie tussen 5 en 7 uur gezien vanaf het uiteinde; zie Figuur 31.

    5. Bevestig het deksel met de vergrendelingen aan de behuizing (Figuur 31).

    6. Laat de laadbak neer.

    Motorolie verversen

    Note: Ververs de olie vaker als het voertuig in zeer stoffige of zanderige omstandigheden wordt gebruikt.

    Note: Geef de oude motorolie en het gebruikte oliefilter af bij een erkende inzamelplaats.

    Motorolietype

    Type olie: Detergentolie (API onderhoudsklasse CH-4, CI-4, CJ-4 of hoger)

    Carterinhoud: 1,4 liter met vervanging van het filter

    Viscositeit: Zie onderstaande tabel.

    g017503

    Het motoroliepeil controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer het motoroliepeil.
    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Stel de parkeerrem in werking.

    3. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    4. Breng de laadbak omhoog.

    5. Maak de omgeving van de oliepeilstok (Figuur 33) schoon met een doek zodat er geen vuil in de buis van de peilstok of de vulopening kan vallen en de motor beschadigen.

      g016858
    6. Verwijder de peilstok en veeg hem schoon.

    7. Schuif de peilstok in de peilstokbuis en duw tot hij niet verder kan (Figuur 33).

    8. Trek de peilstok eruit en controleer het oliepeil op het uiteinde.

      Note: Vul de olie langzaam bij en controleer daarbij veelvuldig het oliepeil. Voeg niet te veel olie toe.

    9. Steek de oliepeilstok helemaal in de opening (Figuur 33).

    10. Laat de laadbak neer.

    Motorolie verversen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 50 bedrijfsuren
  • De motorolie verversen.
  • Om de 150 bedrijfsuren
  • De motorolie verversen(twee keer zo vaak als normaal bij bijzondere werkomstandigheden; zie .
    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Stel de parkeerrem in werking.

    3. Start de machine en laat de motor een paar minuten lopen.

    4. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    5. Breng de laadbak omhoog en zet deze vast met de steunstang.

    6. Maak de minkabel van de accu los; zie De accu afkoppelen.

    7. Plaats een opvangbak onder de aftapplug (Figuur 34).

      g027838
    8. Verwijder de aftapplug (Figuur 34).

      Note: Laat al de olie uit de motor lopen.

    9. Monteer de aftapplug en de pakking (Figuur 34), en draai de plug vast met een torsie van 45 tot 53 N·m.

    10. Giet olie in de vulopening totdat het peil de Vol-markering op de peilstok heeft bereikt.

    11. Vul de olie langzaam bij en controleer daarbij veelvuldig het peil.

      Note: Voeg niet te veel olie toe.

    12. Plaats de vuldop en de peilstok weer stevig op hun plaats.

    13. Sluit de accu aan en laat de laadbak zakken.

    Het motoroliefilter vervangen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 50 bedrijfsuren
  • Motoroliefilter vervangen.
  • Om de 150 bedrijfsuren
  • Motoroliefilter vervangen.Ververs de olie tweemaal zo vaak in bijzondere werkomstandigheden.
    1. Laat de olie uit de motor lopen.

    2. Verwijder het oliefilter (Figuur 34).

    3. Smeer een dun laagje schone olie op de pakking van het filter.

    4. Schroef het nieuwe oliefilter op het filteradapter totdat de pakking contact maakt met de bevestigingsplaat. Draai het filter vervolgens nog eens een ½ tot ¾ slag vast (Figuur 34).

      Important: Draai het oliefilter niet te vast.

    5. Vul het carter bij met de voorgeschreven olie (Figuur 32).

    6. Start de motor en laat deze lopen om te controleren op olielekkages.

    7. Zet de motor uit en controleer het motoroliepeil.

      Note: Voeg indien nodig de voorgeschreven olie toe aan de motor tot het oliepeil de Vol-markering van de peilstok bereikt.

    Onderhoud brandstofsysteem

    Brandstofleidingen en -verbindingen controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 400 bedrijfsuren
  • Controleer de brandstofleidingen en -verbindingen.
  • Inspecteer de brandstofleidingen, aansluitingen en klemmen op tekenen van lekkage, slijtage, beschadiging of losse connecties.

    Note: Repareer beschadigde of lekkende onderdelen van het brandstofsysteem voordat u de machine gebruikt.

    Brandstoffilter vervangen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 800 bedrijfsuren
  • Brandstoffilter vervangen.
    1. Breng de bak omhoog en ondersteun hem met de stang.

    2. Draai het sleuteltje naar UIT en verwijder het.

    3. Plaats een opvangbak onder het brandstoffilter.

    4. Schroef het brandstoffilter van de beugel (Figuur 35).

      g017504
    5. Monteer het vervangfilter door het te draaien tot het de bovenkant van de beugel raakt. Draai vervolgens nog ¾ slag vast.

    Onderhoud elektrisch systeem

    Veiligheid van het elektrisch systeem

    • Koppel de accu af voordat u reparaties aan de machine verricht. Maak eerst de minpool van de accu los en daarna de pluspool. Bevestig eerst de pluspool van de accu en daarna de minpool.

    • Laad de accu op in een open, goed geventileerde ruimte, uit de buurt van vonken en open vuur. Haal de oplader uit het stopcontact voordat u de accu aan- of loskoppelt. Draag beschermende kleding en gebruik geïsoleerd gereedschap.

    Onderhoud van de accu

    Accuspanning: 12 V, 300 A, koude start bij -18 °C.

    • Houd de accu altijd schoon en volledig geladen.

    • Als de accupolen zijn geoxideerd, moet u deze schoonmaken met een oplossing van vier delen water en één deel zuiveringszout.

    • Breng een laagje vet op de accupolen aan om corrosie te voorkomen.

    De accu afkoppelen

    Waarschuwing

    Als accukabels verkeerd worden verbonden, kan dit schade aan de machine en de kabels tot gevolg hebben en vonken veroorzaken. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen, waardoor lichamelijk letsel kan ontstaan.

    • Maak altijd de minkabel (zwart) van de accu los voordat u de pluskabel (rood) losmaakt.

    • Sluit altijd de pluskabel (rood) van de accu aan voordat u de minkabel (zwart) aansluit.

    • Zorg ervoor dat de accuhouder altijd op zijn plaats zit om de accu te beschermen en vast te zetten.

    Waarschuwing

    Accupolen of metalen gereedschappen kunnen kortsluiting maken met metalen onderdelen van de machine, waardoor vonken kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen en lichamelijk letsel veroorzaken.

    • Zorg ervoor dat bij het verwijderen of installeren van de accu de accupolen niet in aanraking komen met metalen onderdelen van de machine.

    • Voorkom dat metalen gereedschappen kortsluiting veroorzaken tussen de accupolen en metalen onderdelen van de machine.

    1. Knijp de zijkanten van het accudeksel samen en neem het deksel van de bovenzijde van de accu (Figuur 36).

      g024429
    2. Koppel de minkabel los van de accupool (Figuur 36).

    3. Koppel de pluskabel los van de accupool (Figuur 36).

    Accu verwijderen

    1. Koppel de accukabels af; zie De accu afkoppelen.

    2. Verwijder de borgmoer, slotbout en accuklem waarmee de accu vastzit aan de accubak (Figuur 36).

    3. Verwijder de accu uit de accubak (Figuur 36).

    Accu monteren

    1. Lijn de accu uit met de accubak van de machine (Figuur 36).

      Note: Zorg ervoor dat de plus- en minpool van de accu uitgelijnd zijn; zie Figuur 36.

    2. Bevestig de accu met de accuklem, de slotbout en de borgmoer aan de accubak (Figuur 36).

    3. Sluit de accukabels aan; zie De accu aansluiten.

    De accu aansluiten

    1. Sluit de pluskabel aan op de accupool (Figuur 36).

    2. Sluit de minkabel aan op de accupool (Figuur 36).

    3. Plaats het accudeksel op de bovenkant van de accu (Figuur 36).

    Accu opladen

    Waarschuwing

    Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen.

    Rook nooit in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu komen.

    Important: Zorg ervoor dat de accu altijd volledig geladen is (soortelijk gewicht 1,260). Dit is vooral belangrijk om beschadiging van de accu te voorkomen bij temperaturen onder 0 °C.

    1. Verwijder de accu van de machine; raadpleeg De accu afkoppelen.

    2. Sluit een acculader van 3 tot 4 A aan op de accupolen. Laad de accu op gedurende 4 tot 8 uur bij 3-4 A (12 V).

      Note: De accu niet te ver opladen.

    3. Monteer de accu in het chassis; zie Accu monteren.

    Opslag van de accu

    Als u de machine langer dan 30 dagen gaat opslaan, moet u de accu verwijderen en volledig opladen. U moet de accu apart opslaan of in het voertuig laten zitten. De accukabels mogen niet aangesloten zijn op de accu als u deze in het voertuig laat zitten. Sla de accu op in een koele omgeving om te voorkomen dat de batterij snel ontlaadt. Om te voorkomen dat de accu bevriest, moet deze volledig zijn opgeladen.

    Zekeringen vervangen

    Er zijn 7 zekeringen in het elektrische systeem. Deze bevinden zich onder de motorkap (Figuur 37).

    Alarm/stroomaansluiting10 A
    Motor10 A
    Koplampen10 A
    Zekering voor voertuig15 A
    Omhoog brengen15 A
    Achterlift15 A
    Claxon30 A
    g036871

    Onderhoud van de koplampen

    De gloeilampen vervangen

    Voorzichtig

    Als u een lamp monteert met een wattage die te hoog is voor het systeem, kunt u de 12 V-voeding beschadigen, of de zekering zal doorbranden.

    Gebruik steeds de aanbevolen Toro ledlamp om dit te voorkomen.

    Voorzichtig

    De lampen worden tijdens het gebruik zeer heet. Een hete lamp kan zware brandwonden en ernstig lichamelijk letsel veroorzaken.

    Geef de lampen altijd voldoende tijd om af te koelen voordat u deze vervangt. Wees voorzichtig als u de lampen hanteert.

    Specificatie: Raadpleeg uw Onderdelencatalogus.

    1. Koppel de accu af; zie De accu afkoppelen.

    2. Open de motorkap.

    3. Maak de elektrische aansluiting voor de kabelboom los van de lampaansluiting aan de achterkant van de behuizing van de koplamp (Figuur 38).

      g036872
    4. Draai de lamp een kwartslag linksom en duw ze naar achteren, uit de behuizing van de koplamp (Figuur 38).

    5. Monteer de nieuwe lamp en de nieuwe behuizing voor de koplamp; lijn de lipjes van de lamp uit met de sleuven in de behuizing van de koplamp (Figuur 38).

    6. Bevestig de lamp door deze een kwartslag rechtsom te draaien (Figuur 38).

    7. Koppel de elektrische aansluiting voor de kabelboom aan op de aansluiting van de nieuwe lamp (Figuur 38).

    8. Sluit de accu aan en sluit de motorkap; zie De accu aansluiten.

    Koplamp vervangen

    1. Koppel de accu af; zie De accu afkoppelen.

    2. Open de motorkap; zie De motorkap optillen.

    3. Koppel de elektrische aansluiting voor de kabelboom los van de aansluiting van de lamp (Figuur 39).

      g036873
    4. Verwijder de snelklemmen waarmee de koplamp aan de koplampbeugel is bevestigd (Figuur 39).

      Note: Bewaar alle onderdelen voor de montage van de nieuwe koplamp.

    5. Verwijder de koplamp door deze naar voren door de opening in de voorbumper te trekken (Figuur 39).

    6. Monteer de nieuwe koplamp via de opening in de bumper (Figuur 39).

      Note: Zorg ervoor dat de afstelpennen op één lijn zijn met de openingen in de montagebeugel achter de bumper.

    7. Zet de koplamp vast met de snelklemmen die u hebt verwijderd in stap 4.

    8. Koppel de elektrische aansluiting voor de kabelboom aan op de aansluiting van de lamp (Figuur 39).

    9. Verstel de koplampen om de lichtbundel in de gewenste stand te zetten; zie Koplampen afstellen.

    Koplampen afstellen

    Ga als volgt te werk om de stand van de koplampen af te stellen als een koplamp is vervangen of verwijderd.

    1. Draai het contactsleuteltje op AAN en ontsteek de koplampen.

    2. Draai achteraan de koplamp de stelschroeven (Figuur 39) om de koplamp te draaien en de straal te richten.

    Onderhoud aandrijfsysteem

    Onderhoud van de banden

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • Controleer de staat van de banden en velgen.
  • Draai de wielmoeren aan.
    1. Inspecteer de banden en velgen op tekenen van slijtage en beschadiging.

      Note: Ongelukken tijdens werkzaamheden, zoals een botsing tegen een trottoirband, kunnen een band of een velg beschadigen en tevens de wieluitlijning verstoren. Daarom moet u na een ongeluk de conditie van de banden controleren.

    2. Draai de wielmoeren vast met een torsie van 108 tot 122 N·m.

    De onderdelen van de stuurinrichting en ophanging controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • De stuurinrichting en ophanging op losse of beschadigde onderdelen controleren.
  • Zet het stuurwiel in de gecentreerde stand (Figuur 40), en draai het stuurwiel naar links of rechts. Als u het stuurwiel meer dan 13 mm naar links of rechts draait en de banden draaien niet, controleer dan de volgende onderdelen van de stuurinrichting en de ophanging om er zeker van te zijn dat ze niet los zitten of beschadigd zijn:

    • Stuuras tot verbinding van stuurhuis

      Important: Controleer de toestand van de afdichting van de rondselas en ga na of u deze op een veilige manier kunt gebruiken (Figuur 41).

    • Trekstangen van het stuurhuis

    g313199
    g313201

    De uitlijning van de voorwielen afstellen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • De vlucht en het toespoor van de voorwielen controleren.
  • Voordat u de vlucht of het toespoor afstelt

    1. Controleer de bandendruk en zorg ervoor dat de banden vooraan tot 0,83 bar gepompt zijn.

    2. Leg ofwel een gewicht op de bestuurdersstoel dat overeenkomt met het gemiddelde gewicht van de bestuurders die met de machine zullen werken, of laat een bestuurder plaatsnemen op de stoel. Het gewicht of de bestuurder dienen gedurende de hele instellingsprocedure op de stoel te blijven.

    3. Rol op een vlakke ondergrond de machine 2 tot 3 meter recht achteruit en vervolgens recht vooruit naar de plaats waar u vertrok. Hierdoor kan de ophanging de bedrijfsstand aannemen.

    De vlucht afstellen

    Uw gereedschap: sleutel, Toro onderdeelnummer 132-5069, neem contact op met uw servicedealer.

    Important: Stel de vlucht uitsluitend af indien u een werktuig aan de voorkant gebruikt of indien de slijtage aan de banden ongelijkmatig is.

    1. Controleer de vlucht aan elk wiel; deze moet zo dicht mogelijk in de buurt komen bij neutraal (nul).

      Note: De banden moeten uitgelijnd zijn en het loopvlak moet gelijkmatig op de grond rusten om ongelijkmatige slijtage te voorkomen.

    2. Als de vlucht van het wiel onjuist afgesteld is, draai dan met de schroefsleutel aan de kraag van de schokdemper tot het wiel uitgelijnd is (Figuur 42).

      g033218

    Het toespoor van de voorwielen afstellen

    Important: Voordat u het toespoor gaat afstellen, moet u ervoor zorgen dat de vlucht zo dicht mogelijk tegen neutraal aanligt; zie De vlucht afstellen.

    1. Meet ter hoogte van de as de afstand tussen de voorwielen aan de voorkant en de achterkant van de wielen (Figuur 43).

      g009235
    2. Als deze afstand buiten het bereik van 0 tot 6 mm valt, moet u de contramoeren aan het uiteinde van de spoorstangen losdraaien (Figuur 44).

      g033219
    3. Draai aan beide spoorstangen om de voorzijde van het wiel naar binnen of naar buiten te draaien.

    4. Draai de contramoeren van de spoorstang weer vast als de afstelling correct is.

    5. Zorg ervoor dat het stuur in beide richtingen volledig kan uitslaan.

    Het peil van de transaxlevloeistof controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • Het peil van de transaxlevloeistof controleren.
  • Type vloeistof: SAE 10W-30 (API-onderhoudsklasse SJ of hoger)

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, schakel de motor uit en verwijder het sleuteltje.

    2. Verwijder de bout uit het peilgat (Figuur 45).

      Note: Het peil van de transaxle-olie moet tot aan de onderkant van het peilgat staan.

      g002082
    3. Als de transaxle-olie niet gelijk is met de onderzijde van het peilgat, moet u het reservoir vullen met de aanbevolen olie; zie Transaxle-olie verversen.

    Transaxle-olie verversen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 800 bedrijfsuren
  • Transaxle-olie verversen.
  • Type vloeistof: SAE 10W-30 (API-onderhoudsklasse SJ of hoger)

    Vloeistofinhoud: 1,4 liter

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, schakel de motor uit en verwijder het sleuteltje.

    2. Maak de omgeving van de vulplug en de aftapplug schoon met een doek (Figuur 46).

      g002109
    3. Zet een opvangbak met een inhoud van minstens 2 liter onder de aftapplug.

    4. Verwijder de vulplug door deze linksom te draaien (Figuur 46).

      Note: Bewaar de vulplug en de pakking om deze te monteren in stap 8.

    5. Verwijder de aftapplug door deze linksom te draaien (Figuur 46).

      Note: Bewaar de aftapplug en de pakking om deze te monteren in stap 6.

      Note: Laat al de vloeistof uit de transaxle lopen.

    6. Monteer de aftapplug en de pakking en draai deze vast in de opening voor de aftapplug in de transmissie (Figuur 46).

      Note: Geef de afgewerkte vloeistof af bij een inzamelcentrum.

    7. Vul het reservoir (Figuur 47) door de vulplugopening met ongeveer 1,4 liter olie van het aanbevolen type, of giet net zo veel olie bij tot het oliepeil in de transmissie tot de onderste schroefdraad reikt. (Figuur 46).

      g004048
    8. Monteer de vulplug en de pakking en draai deze vast in de vulplugopening van de transmissie (Figuur 46).

    9. Start de motor en begin met uw werk.

    10. Controleer het vloeistofpeil en voeg meer vloeistof toe als het peil niet tot de schroefdraad in de vulplugopening reikt (Figuur 46).

    Neutraalstand controleren en afstellen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Werking van schakelhendel controleren.
  • Om de 100 bedrijfsuren
  • Werking van de neutraalstand van de schakelinrichting controleren.
  • Als u routine-onderhoudswerkzaamheden uitvoert en/of de motor test, moet u de transaxle in de NEUTRAALSTAND zetten (Figuur 48). De machine heeft een NEUTRAALSTAND op de schakelhendel, waarmee u de transaxle in de neutraalstand kunt zetten. Om ervoor te zorgen dat de schakelhendel de transaxle naar behoren in de neutraalstand zet, moet u de volgende stappen uitvoeren:

    1. Zet de schakelhendel in de NEUTRAALSTAND.

    2. Zet de beugel van de neutraalstand in NEUTRAAL (horizontaal ten opzichte van de montagebeugel van de kabel die zich onder de schakelbeugel bevindt) door de aangedreven koppeling te draaien (Figuur 48).

      Note: De machine mag niet naar voren en achteren rollen. Als dit wel gebeurt, moet u de beugel van de neutraalstand in de NEUTRAALSTAND zetten.

      g002093
    3. Draai een van de borgmoeren (Figuur 48) om een speling van 0,762 tot 1,524 mm te verkrijgen tussen de onderkant van de moer/ring en de beugel van de neutraalstand.

      Note: U moet de schroefdraadas onder de beugel vasthouden om de borgmoer op de bovenzijde af te stellen.

    4. Draai de andere borgmoer om een speling van 0,76 tot 1,52 mm te verkrijgen tussen de onderkant van de moer/ring en de beugel van de neutraalstand.

    5. Trek aan beide kabels van het schakelmechanisme en zorg ervoor dat er een ruimte van 0,76 tot 1,52 mm tussen de moer/ring en de beugel van de neutraalstand is (Figuur 49).

      Note: Als er geen ruimte is, stel dan de moeren af totdat er voldoende ruimte ontstaat.

      g002094
    6. Start de motor en zet de schakelhendel een aantal malen op VOORUIT, ACHTERUIT en in de NEUTRAALSTAND om te controleren of de beugel van de neutraalstand naar behoren werkt.

    Controle van de primaire aandrijfkoppeling

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer de primaire aandrijfkoppeling.
  • Voor een goede schakelfunctie moet u dagelijks de werking van de koppeling controleren. Als het schakelen stroef of langzaam verloopt, of de koppeling niet helemaal naar neutraal teruggaat als de machine stationair loopt, moet de koppeling gewoon schoongemaakt worden.

    Note: Verwijder vuil in en rond bewegende onderdelen.

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, schakel de motor uit en verwijder het sleuteltje.

    2. Breng de laadbak omhoog en zet hem vast.

    3. Verwijder ophopingen van vuil en modder op de koppeling met water, en droog de koppeling meteen met perslucht om overtollig water en vuil weg te blazen.

      Note: Resterend vuil kunt u verwijderen met een sneldrogende contactreiniger.

    Onderhoud van de primaire aandrijfkoppeling

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 200 bedrijfsuren
  • Reinig de primaire aandrijfkoppeling (vaker in stoffige of vuile omstandigheden).
  • Note: De machine gebruiken met een vuile koppeling kan de slijtage van interne onderdelen verhogen.

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, schakel de motor uit en verwijder het sleuteltje.

    2. Breng de laadbak omhoog en zet hem vast.

    3. Verwijder de 6 flensbouten waarmee de kap van de koppeling bevestigd is.

    4. Bewaar de kap, het afstandsstuk en de veer (Figuur 50).

      g017170
    5. Verwijder ophopingen van vuil en modder met water, en droog meteen met perslucht om overtollig water en vuil weg te blazen.

    6. Verwijder resterend vuil met een sneldrogende contactreiniger of remreiniger.

      Note: Verwijder het vuil in en rond bewegende delen.

    7. Als er een ophoping van vuil is rond de riem of langs de koppelingsas, gebruik dan een schuursponsje of een soortgelijk product om de ophoping te verwijderen.

    8. Breng de veer, de kap van de koppeling en de flensbouten aan.

    9. Draai de bouten vast met een torsie van 12-13,5 N·m.

    Onderhoud koelsysteem

    Veiligheid van het koelsysteem

    • Motorkoelvloeistof inslikken kan vergiftiging veroorzaken; buiten bereik van kinderen en huisdieren houden.

    • Als u hete, onder druk staande koelvloeistof over u heen krijgt of in aanraking komt met een hete radiateur of omliggende delen, kunt u ernstige brandwonden oplopen.

      • Laat de motor minstens 15 minuten afkoelen voordat u de radiateurdop verwijdert.

      • Gebruik een doek als u de radiateurdop verwijdert en draai de dop langzaam open om de stoom te laten ontsnappen.

    • Gebruik de machine nooit zonder dat de kappen zijn geplaatst.

    • Houd uw vingers, handen en kleding uit de buurt van draaiende ventilatoren en drijfriemen.

    • Zet de motor af en verwijder het sleuteltje voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert.

    De motorkoelingsgebieden reinigen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • Reiniging van de motorkoelingsgebieden.Reinig het koelsysteem tweemaal zo vaak in bijzondere werkomstandigheden; zie .
  • Important: Als u de motor gebruikt met een verstopt scherm, vuile of verstopte koelribben, of verwijderde uitlaatringen, leidt dit tot beschadiging van de motor als gevolg van oververhitting.

    Important: Reinig de motor nooit met een hogedrukreiniger omdat er dan water in het brandstofsysteem kan terechtkomen.

    Reinig het roterende scherm, de koelribben en de buitenkant van de motor.

    Note: Reinig de onderdelen van de motorkoeling vaker in zeer stoffige, vuile omstandigheden.

    Onderhoud van de radiateur

    Controle van het koelvloeistofpeil van de radiateur

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer het koelvloeistofpeil van de radiateur.
  • Note: Gebruik als koelvloeistof een oplossing die half uit ethyleenglycol en half uit water bestaat.

    1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak, zet de motor af, stel de parkeerrem in werking en verwijder het sleuteltje.

    2. Verwijder de dop van de expansietank van de radiateur (Figuur 51).

    3. Als het peil te laag is, giet dan koelvloeistof bij tot de onderkant van de vulbuis.

      Note: Niet te vol vullen.

    4. Plaats de dop van de expansietank van de radiateur terug en veeg gemorste vloeistof op.

    Vloeistof van de ratiateur verversen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 1000 bedrijfsuren
  • Vervang de koelvloeistof van de radiateur.
  • Voorzichtig

    Als de motor heeft gelopen, kan de hete koelvloeistof, die onder druk staat, ontsnappen indien de radiateurdop wordt verwijderd. Dit kan brandwonden veroorzaken.

    • Verwijder de radiateurdop nooit als de motor loopt.

    • Laat de motor minstens 15 minuten afkoelen of totdat de radiateurdop zover is afgekoeld dat u deze kunt aanraken zonder uw hand te branden.

    • Gebruik een doek als u de radiateurdop verwijdert en draai de dop langzaam open om de stoom te laten ontsnappen.

    Note: Gebruik als koelvloeistof een oplossing die half uit ethyleenglycol en half uit water bestaat.

    1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak, zet de motor af, stel de parkeerrem in werking en verwijder het sleuteltje.

    2. Verwijder de vuldop (Figuur 51) en vul met koelvloeistof.

      g016859
    3. Plaats de vuldop terug en verwijder de dop van de expansietank van de radiateur (Figuur 51).

      Note: De twee doppen mogen nooit tegelijkertijd verwijderd zijn; hierdoor is het moeilijk om de tank te vullen.

    4. Vul met koelvloeistof tot aan de onderkant van de vulbuis.

    5. Plaats de dop van de expansietank van de radiateur terug en veeg gemorste vloeistof op.

    Onderhouden remmen

    De remmen controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • De remmen controleren
  • Important: De remmen zijn van essentieel belang voor een veilig gebruik van de machine. Controleer de remmen zorgvuldig op de aanbevolen onderhoudsintervallen om de optimale prestaties en veiligheid te verzekeren.

    • Controleren van de remvoering op slijtage of beschadigingen controleren. Als de dikte van de remvoering (remblok) minder dan 1,6 mm is, moet u de remvoering vervangen.

    • De ankerplaat en andere onderdelen controleren op tekenen van overmatige slijtage of vervorming. Vervang eventuele beschadigde onderdelen.

    • Controleer het remvloeistofpeil; zie Remvloeistofpeil controleren.

    Remvloeistofpeil controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Remvloeistofpeil controleren.Controleer het peil van de remvloeistof voordat u de motor voor de eerste keer start.
  • Remvloeistoftype: DOT 3

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Stel de parkeerrem in werking.

    3. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    4. Open de motorkap om toegang te krijgen tot de hoofdremcilinder en het reservoir (Figuur 52).

      g033037
    5. Kijk naar de omtreklijn van het vloeistofpeil aan de zijkant van het reservoir (Figuur 53).

      Note: Het peil moet hoger staan dan de Minimum-streep.

      g002136
    6. Doe het volgende als het vloeistofpeil te laag is:

      1. Reinig de omgeving van de reservoirdop en verwijder de dop (Figuur 52).

      2. Giet DOT 3 remvloeistof in het reservoir tot het vloeistofpeil boven de Minimum-lijn staat (Figuur 53).

        Note: Giet niet te veel remvloeistof in het reservoir.

      3. Plaats de dop weer op het reservoir (Figuur 52).

    7. Sluit de motorkap.

    De parkeerremhendel afstellen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 200 bedrijfsuren
  • Stel de parkeerrem af, indien nodig.
    1. Verwijder de handgreep van de parkeerremhendel (Figuur 54).

      g029671
    2. Draai de stelschroef los waarmee de knop voor de remafstelling is bevestigd aan de parkeerremhendel (Figuur 54).

    3. Verdraai de knop van de remafstelling tot een kracht van 133 tot 156 N vereist is om de parkeerremhendel in te schakelen (Figuur 54).

      Note: Als u de knop van de remafstelling over het volledige bereik heeft verdraaid en de kracht van 133 tot 156 N voor het inschakelen van de parkeerrem niet wordt bereikt, stel de remkabels dan bij, zie De remkabels afstellen.

    4. Draai de stelschroef vast en plaats de handgreep (Figuur 54).

    De remkabels afstellen

    1. Verwijder de handgreep van de parkeerremhendel (Figuur 54).

    2. Draai de stelschroef los (Figuur 54) waarmee de knop voor de remafstelling is bevestigd aan de parkeerremhendel. Stel de parkeerrem vrij en draai de knop voor de remafstelling los.

    3. Aan de onderkant van de machine: draai de achterste contramoer van de instelling van de parkeerrem-kabel 4 slagen los (Figuur 55).

      g029672
    4. Draai de voorste contramoer vast (Figuur 55).

    5. Draai aan de knop voor remafstelling (Figuur 54) totdat een kracht van 133 tot 156 N nodig is om de parkeerremhendel in werking te stellen.

      • Indien u de knop voor de remafstelling niet kunt instellen door deze los te draaien en de parkeerrem-hendel aan te trekken met een kracht van 133 tot 156 N, volg dan de onderstaande aanwijzingen:

        1. Draai de voorste contramoer (Figuur 55) van de instelling van de parkeerrem-kabel 1 slag los.

        2. Draai de achterste contramoer vast (Figuur 55).

        3. Draai aan de knop voor remafstelling (Figuur 54) totdat een kracht van 133 tot 156 N nodig is om de parkeerremhendel in werking te stellen.

        4. Herhaal stap 1 tot en met 3 maximaal nog 2 keer om een kracht van 133 tot 156 N te bereiken voor de parkeerremhendel.

      • Indien u de knop voor de remafstelling niet kunt instellen door deze vast te draaien en de parkeerrem-hendel aan te trekken met een kracht van 133 tot 156 N, volg dan de onderstaande aanwijzingen:

        1. Draai de achterste contramoer (Figuur 55) van de instelling van de parkeerrem-kabel 1 slag los.

        2. Draai de voorste contramoer vast (Figuur 55).

        3. Draai aan de knop voor remafstelling (Figuur 54) totdat een kracht van 133 tot 156 N nodig is om de parkeerremhendel in werking te stellen.

        4. Herhaal stap 1 tot en met 3 maximaal nog 3 keer om een kracht van 133 tot 156 N te bereiken voor de parkeerremhendel.

        Note: Als u de kabel van de parkeerrem niet voldoende kunt afstellen om de knop voor remafstelling binnen het afstelbereik te krijgen, moet u de remschoenen controleren op overmatige slijtage.

      • Draai de stelschroef vast en plaats de handgreep (Figuur 54).

    Remvloeistof verversen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 1000 bedrijfsuren
  • Remvloeistof verversen.
  • Neem contact op met uw erkende Toro dealer.

    Onderhoud riemen

    Onderhoud van de drijfriem

    Drijfriem controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 8 bedrijfsuren
  • Controleer de conditie van de aandrijfriem.
  • Om de 200 bedrijfsuren
  • De conditie en de spanning van de aandrijfriem controleren.
    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, schakel de motor uit en verwijder het sleuteltje.

    2. Breng de laadbak omhoog en zet deze vast met de steunstang.

    3. Zet de transmissie op NEUTRAAL.

    4. Laat de riem (Figuur 56) ronddraaien en controleer deze op tekenen van overmatige slijtage of beschadigingen.

      Note: Vervang de riem als deze overmatig versleten of beschadigd is; zie Aandrijfriem vervangen.

      g011948
    5. Laat de laadbak neer.

    Aandrijfriem vervangen

    1. Breng de laadbak omhoog.

    2. Zet de transmissie in de NEUTRAALSTAND, stel de parkeerrem in werking, draai de contactschakelaar naar de stand UIT en verwijder het sleuteltje.

    3. Laat de drijfriem over de secundaire koppeling ronddraaien (Figuur 56).

    4. Verwijder de riem van de primaire koppeling (Figuur 56).

      Note: Gooi de oude riem weg.

    5. Lijn de nieuwe riem uit op de primaire koppeling (Figuur 56).

    6. Laat de drijfriem over de secundaire koppeling ronddraaien (Figuur 56).

    7. Laat de laadbak neer.

    De riemspanningsdemper controleren

    Note: Controleer de riemspanningsdemper enkel indien er te veel trillingen zijn of als u een aanpassing maakt, of in geval van een defecte motorsteun.

    De riemspanningsdemper (Figuur 57) moet een tussenruimte hebben van 2,2 mm.

    Als de tussenruimte tussen de demper en de motorbeugel te klein is, zorgt de riem voor overmatig veel trillingen; als de tussenruimte tussen de demper en de motorbeugel te groot is, zorgt de riem voor schadelijke belasting van de motor.

    Om de tussenruimte aan te passen, schroeft u de 3 flenskopbouten waarmee de beugel aan het frame is bevestigd los. Verschuif de beugel tot de juiste afstelling is bereikt.

    Zodra de tussenruimte correct is, draait u de 3 flenskopbouten vast.

    g017511

    Onderhoud van het chassis

    De vergrendelingen van de laadbak afstellen

    Als de vergrendeling van de laadbak slecht is afgesteld, trilt de laadbak op en neer tijdens het rijden. U kunt de vergrendelstangen zodanig afstellen dat de vergrendelingen de laadbak stevig tegen het chassis houden.

    1. Draai de borgmoer op het uiteinde van de vergrendelstang los (Figuur 58).

      g002181
    2. Draai de vergrendelstang rechtsom tot deze stevig tegen het gehaakte gedeelte van de vergrendeling aandrukt (Figuur 58).

    3. Draai de borgmoer vast met een torsie van 19,7 tot 25,4 N·m.

    4. Herhaal stappen 1 tot 3 voor de vergrendeling aan de andere zijde van de machine.

    Reiniging

    De machine schoonmaken

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Was de machine.
  • Reinig de machine indien nodig met alleen water of een mild reinigingsmiddel. Bij het schoonmaken van de machine kunt u een doek gebruiken.

    Important: Gebruik geen brak of teruggewonnen water om de machine schoon te maken.

    Important: Gebruik nooit een hogedrukreiniger om de machine schoon te maken. Hogedrukreinigers kunnen het elektrische systeem beschadigen, belangrijke stickers losweken en noodzakelijk vet op wrijvingspunten wegspoelen. Gebruik niet te veel water in de buurt van het bedieningspaneel, de motor en de accu.

    Important: Reinig de machine niet terwijl de motor loopt. De machine reinigen terwijl de motor loopt kan interne motorschade veroorzaken.

    Stalling

    Veiligheid tijdens opslag

    • Zet de machine af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. Laat de machine afkoelen voordat u er instellingen of onderhoud aan verricht, of de machine schoonmaakt of stalt.

    • Bewaar de machine en het brandstofvat niet op plaatsen waar open vlammen, vonken of waakvlammen (bv. van een boiler of een ander toestel) aanwezig kunnen zijn.

    De machine stallen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 50 bedrijfsuren
  • Stel de speling van de motorklep af.
  • Om de 200 bedrijfsuren
  • Controleer de bedrijfs- en parkeerremmen.
  • Om de 400 bedrijfsuren
  • Controleer of de remschoenen zijn versleten.
  • Om de 600 bedrijfsuren
  • Stel de speling van de motorklep af.
    1. Zet het voertuig op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, zet de motor uit en verwijder het sleuteltje uit het contact.

    2. Verwijder vuil en vet van de gehele machine, inclusief de buitenkant van de motor.

    3. Controleer de remmen; zie De remmen controleren.

    4. Geef het luchtfilter een onderhoudsbeurt; zie Onderhoud van het luchtfilter.

    5. Plak de luchtfilterinlaat en de uitlaat af. Gebruik hiervoor weerbestendige tape.

    6. Smeer de machine; zie Smering.

    7. Ververs de motorolie; zie Motorolie verversen.

    8. Spoel de brandstoftank om met verse, schone brandstof.

    9. Zet alle onderdelen van het brandstofsysteem goed vast.

    10. Controleer de bandenspanning; zie Bandenspanning controleren.

    11. Controleer de antivriesbescherming en vul het systeem bij met een oplossing die half uit water, half uit antivries bestaat. Vul zoveel bij als nodig is met het oog op de plaatselijk te verwachten minimumtemperatuur.

    12. Verwijder de accu uit het chassis, controleer het zuurpeil en laad de accu volledig op; zie Onderhoud van de accu .

      Note: U mag de accukabels niet aansluiten op de accupolen tijdens stalling.

      Important: De accu moet volledig opgeladen zijn om te voorkomen dat deze bevriest en beschadigd raakt bij temperaturen beneden 0 °C. Een volledig opgeladen accu kan ongeveer 50 dagen worden gestald bij temperaturen beneden 4 °C zonder tussentijds te worden opgeladen. Bij temperaturen boven 4 °C moet u om de 30 dagen het waterpeil in de accu controleren en de accu opladen.

    13. Controleer alle bouten, schroeven en moeren en draai deze vast. Repareer of vervang beschadigde delen.

    14. Werk alle krassen en beschadigingen van de lak bij.

      Note: Bijwerklak is verkrijgbaar bij een erkende servicedealer.

    15. Stal de machine in een schone, droge garage of opslagruimte.

    16. Dek de machine af om deze te beschermen en schoon te houden.