Inleiding

Dit multifunctionele werkvoertuig is voornamelijk bedoeld om mensen en ladingen materiaal te transporteren op kleine wegen en terrein.

Lees deze informatie zorgvuldig door, zodat u weet hoe u dit product op de juiste wijze moet gebruiken en onderhouden en om letsel en schade aan de machine te voorkomen. U bent verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van de machine.

U kunt op www.Toro.com rechtstreeks contact met Toro opnemen om trainingsmaterialen en informatie over productveiligheid en accessoires te verkrijgen, een verkoper te vinden of uw product te registreren.

Als u service, originele Toro onderdelen of aanvullende informatie nodig hebt, kunt u contact opnemen met een erkende servicedealer of met de klantenservice van Toro. U dient hierbij altijd het modelnummer en het serienummer van het product te vermelden. De locatie van het plaatje met het modelnummer en het serienummer van het product is aangegeven op Figuur 1. U kunt de nummers noteren in de ruimte hieronder.

Important: U kunt met uw mobiel apparaat de QR-code op het plaatje met het serienummer (indien aanwezig) scannen om toegang te krijgen tot de garantie, onderdelen en andere productinformatie.

g235847

Er worden in deze handleiding een aantal mogelijke gevaren en een aantal veiligheidsberichten genoemd met de volgende veiligheidssymbolen (Figuur 2), die duiden op een gevaarlijke situatie die zwaar lichamelijk letsel of de dood tot gevolg kan hebben als u de veiligheidsvoorschriften niet in acht neemt.

g000502

Er worden in deze handleiding twee woorden gebruikt om uw aandacht op bijzondere informatie te vestigen. Belangrijk attendeert u op bijzondere technische informatie en Opmerking duidt algemene informatie aan die bijzondere aandacht verdient.

Dit product voldoet aan alle relevante Europese richtlijnen; zie voor details de aparte productspecifieke conformiteitsverklaring.

Als de machine zonder een goed werkende vonkenvanger, zoals omschreven in sectie 4442, of een goed onderhouden, brandveilige motor wordt gebruikt in een bosgebied of op een met dicht struikgewas of gras begroeid terrein, handelt de bestuurder in strijd met de bepalingen van sectie 4442 of 4443 van de Wet op de Openbare Hulpbronnen (Public Resources Code) van de Staat Californië.

Raadpleeg de meegeleverde documentatie van de motorfabrikant.

Waarschuwing

CALIFORNIË

Proposition 65 Waarschuwing

De uitlaatgassen van de motor van dit product bevatten chemische stoffen waarvan bekend is dat ze kanker, geboorteafwijkingen of andere schade aan de voortplantingsorganen kunnen veroorzaken.

Accuklemmen, accupolen en dergelijke onderdelen bevatten lood en loodverbindingen. Van deze stoffen is bekend dat ze kanker en schade aan de voortplantingsorganen veroorzaken. Was altijd uw handen nadat u met deze onderdelen in aanraking bent geweest.

Veiligheid

Onjuist gebruik of onderhoud door de gebruiker of eigenaar kan letsel veroorzaken. Om het risico op letsel te verkleinen, dient u zich aan de volgende veiligheidsinstructies te houden en altijd op het veiligheidssymbool (Figuur 2) te letten, dat betekent: Voorzichtig, Waarschuwing of Gevaar – instructie voor persoonlijke veiligheid. Niet-naleving van de instructie kan leiden tot lichamelijk of dodelijk letsel.

Deze machine werd ontworpen in overeenstemming met de vereisten van SAE J2258.

Algemene veiligheid

Dit product kan lichamelijk letsel veroorzaken. Volg altijd alle veiligheidsinstructies op om ernstig letsel te voorkomen.

Dit product gebruiken voor andere doeleinden dan het bedoelde gebruik kan gevaarlijk zijn voor u of voor omstanders.

  • Lees deze Gebruikershandleiding en zorg ervoor dat u deze begrijpt voordat u de motor start. Zorg dat alle gebruikers van dit product weten hoe ze het dienen te gebruiken en dat ze de waarschuwingen begrijpen.

  • Geef uw volledige aandacht als u de machine gebruikt. Zorg ervoor dat u met niets anders bezig bent waardoor u kunt worden afgeleid, anders kan er letsel ontstaan of kan eigendom worden beschadigd.

  • Houd handen en voeten uit de buurt van de bewegende onderdelen van de machine.

  • Gebruik de machine enkel als de nodige schermen en andere beveiligingsmiddelen aanwezig zijn en naar behoren werken.

  • Blijf met een rijdende machine steeds op een veilige afstand van omstanders.

  • Laat geen kinderen het werkgebied betreden. Laat kinderen nooit de machine bedienen.

  • Schakel de machine uit, zet de motor af en verwijder het sleuteltje voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert of bijtankt.

Onjuist gebruik of onderhoud van deze machine kan letsel tot gevolg hebben. Om het risico op letsel te verkleinen, dient u zich aan de volgende veiligheidsinstructies te houden en altijd op het veiligheidssymbool te letten, dat betekent: Voorzichtig, Waarschuwing of Gevaar – instructie voor persoonlijke veiligheid. Niet-naleving van deze instructies kan leiden tot lichamelijk of dodelijk letsel.

U vindt bijkomende veiligheidsinformatie op de betreffende plaatsen in deze handleiding.

Veiligheids- en instructiestickers

Graphic

Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of ontbrekende stickers.

decal99-7345
decal115-2047
decal115-7739
decal120-9570
decal131-8410
decal131-8414
decal131-8463
decal137-9984
decal138-3524
decal138-3397
decal138-3528
decal138-5599

Montage

Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.

Het stuurwiel monteren (uitsluitend internationale modellen)

Benodigde onderdelen voor deze stap:

Stuurwiel1
Stuurwieldop1
Ring (½")1
Stofkap1
  1. Verwijder (indien aanwezig) de kap van de naaf van het stuurwiel (Figuur 3).

  2. Verwijder de borgmoer (½") van de stuuras (Figuur 3).

  3. Schuif het stuurwiel, de stofkap en de ring (½") op de stuuras (Figuur 3).

    Note: Zet de voorwielen recht en draai het stuurwiel zo dat de kleine spaak van het stuurwiel verticaal staat.

  4. Zet het stuurwiel vast op de as met behulp van de borgmoer (½") en draai deze vast met 18-30 N·m.

  5. Bevestig de kap op het stuurwiel (Figuur 3).

    g198932

Het peil van de vloeistoffen en de druk in de banden controleren

  1. Controleer het peil van de motorolie voor- en nadat u de motor de eerste keer hebt gestart; zie Het motoroliepeil controleren.

  2. Controleer het peil van de remvloeistof voordat u de motor voor de eerste keer start; zie Remvloeistofpeil controleren.

  3. Controleer het peil van de transaxlevloeistof voordat u de motor voor de eerste keer start; zie Het peil van de transaxlevloeistof controleren.

  4. Controleer de bandenspanning; zie Bandenspanning controleren.

De remmen gebruiksklaar maken

Om ervoor te zorgen dat het remsysteem optimaal functioneert, moet u de remmen gebruiksklaar maken (inrijden) voordat u het voertuig gaat gebruiken.

  1. Laat het voertuig op volle snelheid rijden en rem dan om de machine snel te laten stoppen zonder de wielen te blokkeren.

  2. Herhaal deze procedure 10 keer en wacht steeds 1 minuut voordat u opnieuw remt om te voorkomen dat de remmen oververhit raken.

    Important: Deze procedure is het meest effectief als de machine is beladen met 227 kg.

De handleiding lezen en de documentatie in verband met de uitrusting van de machine bekijken

Benodigde onderdelen voor deze stap:

Gebruikershandleiding1
Gebruikershandleiding van de motor1
Registratiekaart1
Inspectieformulier1
Kwaliteitscertificaat1
Sleuteltje2
  • Lees de Gebruikershandleiding en de gebruikershandleiding van de motor.

  • Vul de registratiekaart in.

  • Vul het Inspectieformulier in.

  • Bekijk het Kwaliteitscertificaat

Algemeen overzicht van de machine

Zorg dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen voordat u de motor start en de machine gebruikt.

Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.

Schakelbord

g033921

Gaspedaal

Gebruik het gaspedaal (Figuur 4) om de rijsnelheid van de machine te veranderen. Als u het gaspedaal intrapt, start u de motor. Als u het pedaal verder intrapt, verhoogt u de rijsnelheid. Als u het pedaal laat opkomen, vermindert de snelheid van de machine en slaat de motor af.

Note: De maximumsnelheid vooruit is 26 km per uur.

Rempedaal

Met het rempedaal kunt u de machine tot stilstand brengen of de snelheid verminderen (Figuur 4).

Voorzichtig

Gebruik van een machine met versleten of onjuist afgestelde remmen kan tot persoonlijk letsel leiden.

Als de vrije slag van het rempedaal tot de vloer van de machine minder dan 25 mm bedraagt, moeten de remmen worden afgesteld of gerepareerd.

Contactschakelaar

De contactschakelaar bevindt zich in de rechterbenedenhoek van het dashboard (Figuur 4).

De contactschakelaar heeft 3 standen: UIT, AAN en START.

U kunt de machine op 2 manieren starten; zie Motor starten.

Parkeerremhendel

De parkeerremhendel bevindt zich op het bedieningspaneel (Figuur 4).

Als u de motor afzet, moet u de parkeerrem in werking stellen om te voorkomen dat de machine per ongeluk in beweging komt. Als u de machine op een steile helling parkeert, moet u de parkeerrem in werking stellen.

Om de parkeerrem in werking te stellen, moet u de parkeerremhendel naar u toe trekken (Figuur 5).

g033923

Om de parkeerrem uit te schakelen, moet u de knop bovenaan de parkeerremhendel indrukken, de parkeerremhendel naar u toe trekken om de belasting weg te nemen, en de parkeerremhendel naar voren duwen (Figuur 6).

g033924

Chokehendel

De chokehendel bevindt zich op het bedieningspaneel. Als u een koude motor wilt starten, trek dan de chokeknop uit (Figuur 4). Nadat de motor is gestart, kunt u met behulp van de choke de motor regelmatig laten lopen. Zodra de motor warmgedraaid is, drukt u de chokeknop in naar de stand UIT.

Schakelhendel en schakelindicator

De schakelhendel kan in 3 standen gezet worden op de schakelindicator: VOORUIT, ACHTERUIT en NEUTRAAL (Figuur 7).

Note: U kunt de motor in elke van de drie standen starten en laten lopen.

U kunt de schakelhendel vanuit NEUTRAAL naar links zetten in de VOORUIT-stand, of naar rechts in de ACHTERUIT-stand (Figuur 7).

Important: De machine moet altijd eerst tot stilstand worden gebracht voordat u schakelt.

g033922

Claxonknop

Uitsluitend internationale modellen

De claxonknop bevindt zich op het bedieningspaneel (Figuur 4). Druk op de knop om te claxonneren.

Lichtschakelaar

De lichtschakelaar bevindt zich aan de linkerkant van de stuurkolom (Figuur 8). Gebruik de lichtschakelaar om de koplampen aan te zetten. Duw de schakelaar naar boven om de koplampen in te schakelen. Duw de schakelaar naar beneden om de koplampen uit te schakelen.

g033954

Urenteller

De urenteller bevindt zich rechts van de lichtschakelaar (Figuur 8). Gebruik de urenteller om het totale aantal bedrijfsuren van de motor na te gaan. De urenteller gaat lopen als de contactschakelaar in de stand AAN of START wordt gezet of als de motor loopt.

Note: Wanneer de machine loopt, zal de urenteller voortdurend knipperen, wat betekent dat de machine in gebruik is.

Usb-aansluitpunt

Het usb-aansluitpunt bevindt zich links van de parkeerremhendel (Figuur 4). Het aansluitpunt dient om mobiele toestellen van stroom te voorzien.

Important: Wanneer u het USB-aansluitpunt niet gebruikt, breng dan de rubberen plug aan om te voorkomen dat het aansluitpunt beschadigd raakt.

Brandstofmeter

De brandstofmeter (Figuur 9) vindt u op de brandstoftank in de vuldop, aan de linkerkant van de machine. De brandstofmeter geeft aan hoeveel brandstof er in de tank zit.

g033956

Handgrepen voor passagier

De handgrepen voor de passagiers bevinden zich aan de buitenkanten van de stoelen (Figuur 10).

g033955

Note: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.

Basisgewicht397 kg
Nominale inhoud (op vlak terrein)Totaalgewicht 544 kg, inclusief bestuurder (91 kg) en passagier (91 kg), lading, accessoires en werktuigen
Maximaal toelaatbaar totaalgewicht van voertuig – op vlak terrein941 kg in totaal, inclusief alle bovengenoemde gewichten
Maximaal laadvermogen (op vlak terrein)363 kg in totaal, inclusief achteraan gemonteerde accessoires
Maximale capaciteit accessoirebevestiging achteraan laadbak45 kg in totaal
TrekvermogenKoppelgewicht: 91 kg
Maximale gewicht van de aanhanger: 680 kg
Totale breedte119 cm
Totale lengte302 cm
Totale hoogte127,5 cm
Afstand tot de grond21,6 cm aan de voorzijde, zonder lading of bestuurder
14 cm aan de achterzijde, zonder lading of bestuurder
Wielbasis220 cm
Wielloopvlak (middellijn tot middellijn)Voor: 119 cm
Achter: 119 cm
Lengte laadbakBinnen: 102 cm
Buiten: 114,3 cm
Breedte laadbakBinnen: 98 cm
Buitenkant van de bumpers: 107,3 cm
Hoogte laadbak28 cm binnenzijde
MotortoerentalLaag stationair: 1.250 tot 1.350 tpm
Hoog stationair: 3.650 tot 3.750 tpm

Werktuigen/accessoires

Een selectie van door Toro goedgekeurde werktuigen en accessoires is verkrijgbaar voor gebruik met de machine om de mogelijkheden daarvan te verbeteren en uit te breiden. Neem contact op met een erkende servicedealer of verdeler of ga naar www.Toro.com voor een lijst van alle goedgekeurde werktuigen en accessoires.

Gebruiksaanwijzing

Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.

Voor gebruik

Veiligheidsinstructies voorafgaand aan het werk

Algemene veiligheid

  • Laat kinderen of personen die geen instructie hebben ontvangen, de machine nooit gebruiken of onderhoudswerkzaamheden daaraan verrichten. Plaatselijke voorschriften kunnen nadere eisen stellen aan de leeftijd van degene die met de machine werkt. De eigenaar is verantwoordelijk voor de instructie van alle bestuurders en technici.

  • Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningsorganen en de veiligheidssymbolen, en weet hoe u de machine veilig kunt gebruiken.

  • Zorg ervoor dat u weet hoe u de machine en de motor snel kunt stoppen.

  • Zorg dat er voor u en al de passagiers op de machine een handgreep beschikbaar is.

  • Controleer of alle veiligheidsvoorzieningen en stickers op hun plaats zitten. Repareer of vervang veiligheidsvoorzieningen en vervang onleesbare of ontbrekende stickers. Gebruik de machine uitsluitend als deze aanwezig zijn en naar behoren werken.

Brandstofveiligheid

  • Wees uiterst voorzichtig bij het omgaan met brandstof. Brandstof is ontvlambaar en de dampen kunnen tot ontploffing komen.

  • Doof alle sigaretten, sigaren, pijpen en andere ontstekingsbronnen.

  • Gebruik uitsluitend een goedgekeurd vat of blik voor de brandstof.

  • Wanneer de motor loopt of heet is, mag u de brandstofdop niet verwijderen of brandstof toevoegen.

  • Geen brandstof bijvullen of aftappen in een afgesloten ruimte.

  • Bewaar de machine en het brandstofvat niet op plaatsen waar open vlammen, vonken of waakvlammen (bv. van een boiler of een ander toestel) aanwezig kunnen zijn.

  • Probeer de motor niet te starten als u brandstof hebt gemorst; voorkom elke vorm van open vuur of vonken totdat de brandstofdampen volledig zijn verdwenen.

Dagelijks onderhoud uitvoeren

Voer elke dag voordat u de machine start de procedures uit in het onderdeel Telkens voor gebruik/Dagelijks in .

Bandenspanning controleren

OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer de bandenspanning.
  • Aanbevolen bandenspanning voor- en achteraan: 1,65 tot 2,07 bar

    Important: De maximale bandenspanning op de wang van de band niet overschrijden.

    Note: De vereiste bandenspanning is afhankelijk van het gewicht dat u van plan bent te transporteren.

    1. Controleer de bandenspanning.

      • Gebruik een lagere bandenspanning voor lichtere ladingen, voor minder bodemcompactie, voor een soepeler rijgedrag en voor minder bandensporen op de grond.

      • Gebruik een hogere bandenspanning om zwaardere ladingen met hogere snelheid te transporteren.

    2. Indien nodig dient u de luchtdruk in de banden aan te passen door lucht in de banden te pompen of deze af te laten.

    g001055

    Brandstof bijvullen

    Aanbevolen brandstof

    • Gebruik voor de beste resultaten uitsluitend schone, verse (minder dan 30 dagen oud), loodvrije benzine met een cetaangetal van 87 of hoger (indelingsmethode (R+M)/2).

    • Ethanol: Benzine met maximaal 10% ethanol (gasohol) of 15% MTBE (methyl-tertiair-butylether) per volume is aanvaardbaar. Ethanol en MTBE zijn niet hetzelfde. Benzine met 15% ethanol (E15) per volume is niet geschikt voor gebruik. Gebruik nooit benzine die meer dan 10% ethanol per volume bevat, zoals E15 (bevat 15% ethanol), E20 (bevat 20% ethanol), of E85 (bevat tot 85% ethanol). Ongeschikte benzine gebruiken kan leiden tot verminderde prestaties en/of motorschade die mogelijk niet gedekt wordt door de garantie.

    • Geen benzine gebruiken die methanol bevat.

    • In de winter geen brandstof bewaren in de brandstoftank of in vaten, tenzij u een brandstofstabilisator gebruikt.

    • Meng nooit olie door benzine.

    Brandstoftank vullen

    De inhoud van de brandstoftank is ongeveer 18,9 liter.

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Stel de parkeerrem in werking.

    3. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    4. Maak de omgeving van de dop van de brandstoftank schoon (Figuur 12).

      g033956
    5. Verwijder de dop van de brandstoftank.

    6. Vul de tank tot ongeveer 25 mm vanaf de bovenkant van de tank (de onderkant van de vulbuis).

      Note: De ruimte in de tank geeft de brandstof de kans om uit te zetten. De tank niet te vol vullen.

    7. Draai de tankdop stevig vast.

    8. Neem eventueel gemorste brandstof op.

    Een nieuwe machine inrijden

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 100 bedrijfsuren
  • Neem de richtlijnen voor het inrijden van een nieuwe machine in acht.
  • Neem de volgende richtlijnen in acht om ervoor te zorgen dat de machine goede prestaties levert.

    • Controleer of de remmen gebruiksklaar zijn gemaakt; zie De remmen gebruiksklaar maken.

    • Controleer regelmatig het peil van de vloeistoffen en de motorolie. Let op signalen van oververhitting van de machine of onderdelen ervan.

    • Na een koude start moet u de motor ongeveer 15 seconden laten warmlopen voordat u de machine gebruikt.

      Note: Laat de motor langer warmdraaien als u gaat werken bij een lage omgevingstemperatuur.

    • Varieer de snelheid van de machine tijdens het gebruik. Vermijd snel starten en stoppen.

    • De motor heeft geen inrij-olie nodig. De originele motorolie is hetzelfde type olie dat is voorgeschreven voor regelmatige olieverversingen.

    • Zie het hoofdstuk voor bijzondere controles op rustige momenten.

    • Controleer de stand van de voorwielophanging en stel deze af indien nodig; zie De uitlijning van de voorwielen afstellen.

    Tijdens gebruik

    Veiligheid tijdens het werk

    Algemene veiligheid

    • De eigenaar/bestuurder is verantwoordelijk voor ongevallen die kunnen leiden tot lichamelijk letsel en materiële schade, en hij kan zulke ongevallen voorkomen.

    • Passagiers mogen alleen op de daarvoor bedoelde stoelen zitten. Vervoer geen passagiers in de laadbak. Hou omstanders en huisdieren tijdens het werk uit de buurt van de machine.

    • Draag geschikte kleding en uitrusting, zoals oogbescherming, een lange broek, stevige schoenen met een gripvaste zool en gehoorbescherming. Draag lang haar niet los en draag geen loshangende juwelen.

    • Gebruik de machine niet als u ziek, moe of onder de invloed van alcohol, medicijnen of drugs bent.

    • Bedien de machine uitsluitend buitenshuis of in een goed geventileerde ruimte.

    • U mag het maximaal toelaatbare totaalgewicht van de machine niet overschrijden.

    • Ga extra voorzichtig te werk als u de machine gebruikt met een zware lading in de laadbak. Hoe zwaarder de lading, des te moeilijker het is om de machine te keren of tot stilstand te brengen.

    • Te grote ladingen transporteren in de laadbak vermindert de stabiliteit van de machine.

    • Materiaal transporteren dat niet kan worden vastgemaakt aan de machine, zoals een grote tank met vloeistof erin, heeft een nadelig effect op de stabiliteit en het stuur- en remgedrag van de machine.

    • Voordat u de motor start: zorg dat de transmissie in de neutraalstand staat, de parkeerrem in werking is gesteld en u zich in de bestuurderspositie bevindt.

    • U en uw passagiers moeten blijven zitten wanneer de machine rijdt. Houd uw handen aan het stuurwiel; uw passagiers moeten de daartoe voorziene handgrepen gebruiken. Houd uw armen en benen te allen tijde binnen de machine.

    • Bedien de machine uitsluitend wanneer de zichtbaarheid goed is. Kijk uit voor gaten, geulen, hobbels, stenen of andere verborgen objecten. De machine kan omslaan op oneffenheden in het terrein. In hoog gras zijn obstakels niet altijd zichtbaar. Wees voorzichtig bij het naderen van blinde hoeken, struiken, bomen, en andere objecten die uw zicht kunnen belemmeren.

    • Kijk altijd goed uit en vermijd laag overhangende objecten, zoals boomtakken, deurposten, loopbruggen, enz.

    • Kijk achterom en omlaag voordat u de machine achteruitrijdt om er zeker van te zijn dat de weg vrij is.

    • Rij de machine niet in de buurt van steile hellingen, greppels of dijken. De machine kan plotseling omslaan als een wiel over de rand komt, of als de rand afbrokkelt.

    • Als u zich met de machine op de openbare weg begeeft, neem dan de verkeersregels in acht en gebruik bijkomende accessoires die wettelijk verplicht kunnen zijn, zoals verlichting, richtingaanwijzers, tekens 'langzaam rijdend voertuig', etc.

    • Als het voertuig abnormaal trilt, moet u onmiddellijk stoppen, de motor afzetten, het sleuteltje verwijderen, wachten tot alle onderdelen tot stilstand zijn gekomen en het voertuig op beschadigingen controleren. Repareer alle schade aan de machine alvorens door te gaan met het werk.

    • Kies een lichtere lading en verminder uw snelheid als u moet rijden op ruw of oneffen terrein en vlak langs wegranden, kuilen en andere abrupte veranderingen in het terrein. De lading kan gaan schuiven waardoor de machine haar stabiliteit verliest.

    • De stoptijd van de machine op een nat oppervlak kan langer zijn dan op een droog oppervlak. Om natte remmen uit te drogen, moet u langzaam rijden op vlak terrein, terwijl u lichte druk uitoefent op het rempedaal.

    • Onverwachte veranderingen in het terrein kunnen het stuurwiel plots doen bewegen, wat letsel aan handen en armen kan veroorzaken. Verminder uw snelheid en pak het stuurwiel losjes aan de rand vast. Houd uw duimen uit de weg van de spaken van het stuurwiel.

    • Verminder uw snelheid wanneer u de machine gebruikt zonder de laadbak. Als de machine snel rijdt en abrupt stopt, kunnen de achterwielen worden geblokkeerd, waardoor de machine moeilijk bestuurbaar wordt.

    • Raak de motor, de transmissie, de geluiddemper of het verdeelstuk van de geluiddemper niet aan als de motor loopt of direct nadat u de motor hebt afgezet. Deze onderdelen kunnen heet zijn en brandwonden veroorzaken.

    • U mag een machine met draaiende motor niet onbeheerd achterlaten.

    • Doe het volgende voordat u de bestuurdersstoel verlaat:

      • Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

      • Stel de parkeerrem in werking.

      • Laat de laadbak neer.

      • Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    • Gebruik de machine niet als het kan bliksemen.

    • Gebruik alleen door The Toro® Company goedgekeurde accessoires en werktuigen.

    Veilig gebruik met meerdere passagiers

    • U moet rekening houden met het extra gewicht van de passagiers met het oog op het maximale toelaatbare totaalgewicht van de machine.

    • Als de laadbak een lading bevat, verzeker dan dat u de maximale belasting van de machine niet overschrijdt door teveel passagiers te vervoeren.

    • Passagiers mogen alleen op de daarvoor bedoelde stoelen zitten. Laat passagiers niet plaatsnemen in de laadbak.

    • U en uw passagiers moeten blijven zitten wanneer de machine in beweging is.

    • Een langere machine heeft een grotere draaicirkel; zorg dat er genoeg ruimte is om de machine te draaien.

    Veiligheid op hellingen

    Hellingen zijn de belangrijkste oorzaak dat de bestuurder de macht over de machine verliest en deze omkantelt. Dit kan leiden tot ernstig of dodelijke letsel.

    • Inspecteer het terrein en ga na op welke hellingen u de machine veilig kunt gebruiken; stel een procedure en regels op voor het werken op deze hellingen. Gebruik altijd uw gezond verstand en uw beoordelingsvermogen wanneer u dit onderzoek uitvoert.

    • Als u zich ongemakkelijk voelt wanneer u de machine op een helling gebruikt, maai die helling dan niet.

    • Voer alle bewegingen op hellingen langzaam en geleidelijk uit. Verander niet plots de snelheid of rijrichting van de machine.

    • Gebruik de machine niet op een nat terrein. Wielen kunnen grip verliezen. De machine kan omrollen voordat de wielen grip verliezen.

    • Rij hellingen in een rechte lijn op en af.

    • Als u vaart begint te verliezen terwijl u een helling oprijdt, moet u voorzichtig het rempedaal indrukken en de helling langzaam achterwaarts in een rechte lijn afrijden.

    • Draaien als u een helling op- of afrijdt, kan gevaarlijk zijn. Als u absoluut moet draaien op een helling, dient u dit langzaam en voorzichtig te doen.

    • Een zware lading heeft invloed op de stabiliteit van het voertuig op een helling. Verklein de lading en neem gas terug als u op een helling rijdt of als de lading een hoog zwaartepunt heeft. Maak de lading vast aan de laadbak van de machine om te voorkomen dat de lading gaat schuiven. Wees extra voorzichtig als u ladingen transporteert die gemakkelijk schuiven (vloeistoffen, stenen, zand, enz.).

    • Zorg dat u de machine niet moet starten, stoppen of keren op een helling, vooral als u een lading vervoert. Stoppen tijdens de afdaling van een helling kost meer tijd dan op vlak terrein. Als u de machine tot stilstand moet brengen, mag u de snelheid niet te abrupt verminderen; anders kan de machine omslaan of gaan rollen. Trap niet te abrupt op het rempedaal als u achterwaarts rolt, omdat de machine dan kan omslaan.

    Veilig laden en storten

    • Overschrijd het maximale toelaatbare gewicht van de machine niet als u een lading transporteert in de laadbak en/of als u een aanhangwagen sleept; zie Specificaties.

    • Verdeel de lading gelijkmatig in de laadbak om de stabiliteit en uw controle over de machine te verbeteren.

    • Let erop dat er niemand achter de machine staat voordat u de lading stort.

    • Stort de lading niet uit de bak als de machine zijwaarts op een helling staat. Als gevolg van de verandering in de gewichtsverdeling kan de machine omslaan.

    De laadbak gebruiken

    De laadbak omhoog brengen in de stortstand

    Waarschuwing

    Een opgehaalde laadbak kan vallen en letsel toebrengen aan personen die eronder aan het werk zijn.

    • Gebruik altijd de steun om de bak omhoog te houden voordat u onder een opgehaalde laadbak gaat werken.

    • Verwijder de lading uit de laadbak voordat u deze omhoogbrengt.

    Waarschuwing

    Als de laadbak tijdens het rijden omhoogstaat, kan de machine gemakkelijker omslaan of gaan rollen. U kunt de laadbak beschadigen als deze tijdens het gebruik van de machine omhoogstaat.

    • Gebruik de machine met de laadbak neergelaten.

    • Laat de laadbak neer als u hem geleegd hebt.

    Voorzichtig

    Als de achterkant van de laadbak belast is wanneer u de sluitingen losmaakt, kan de laadbak onverwacht openklappen en u of andere omstanders verwonden.

    • Belast indien mogelijk het midden van de laadbak.

    • Houd de laadbak naar beneden en controleer of niemand over de laadbak leunt of erachter staat als u de sluitingen losmaakt.

    • Verwijder de lading uit de laadbak voordat u deze omhoogbrengt voor onderhoud aan de machine.

    1. Trek de hendel aan de linkerkant in de laadbak naar u toe en breng de laadbak omhoog (Figuur 13).

      g034019
    2. Zet de steunstang in de borgsleuf van de stortstand om de laadbak vast te zetten in de stortstand (Figuur 14).

      g034021

    De laadbak omhoogbrengen in de onderhoudsstand

    1. Trek de hendel aan de linkerkant in de laadbak naar u toe en breng de laadbak omhoog (Figuur 13).

    2. Trek de steunstang in de borgsleuf van de onderhoudsstand om de laadbak vast te zetten voor onderhoud (Figuur 14).

    De laadbak laten zakken

    Waarschuwing

    De laadbak kan zwaar zijn. Handen of andere lichaamsdelen kunnen bekneld raken.

    Houd uw handen en andere lichaamsdelen uit de buurt van de bak als u deze neerlaat.

    1. Til de laadbak licht omhoog door de grendelhandgreep omhoog te brengen (Figuur 13).

    2. Neem de steunstang uit de palopening (Figuur 14).

    3. Laat de bak neer tot hij stevig vergrendeld is.

    De achterlaadklep openen

    1. Zorg dat de laadbak omlaag en vergrendeld is.

    2. Breng de achterlaadklep met beide handen omhoog; gebruik de nok bovenaan de achterlaadklep (Figuur 15).

    3. Laat de achterlaadklep zakken tot deze gelijk komt met de onderkant van de laadbak (Figuur 15).

      g034022

    De achterlaadklep sluiten

    Als u los materiaal zoals zand, kiezels of houtsnippers uit de laadbak van de machine hebt gestort, kan een deel van het gestorte materiaal tussen de hengsels van de achterlaadklep beland zijn. Voer de volgende stappen uit voordat u de achterlaadklep sluit.

    1. Verwijder handmatig zo veel mogelijk materiaal van tussen de hengsels.

    2. Draai de achterlaadklep ongeveer in de 45°-stand (Figuur 16).

      g034023
    3. Beweeg de achterlaadklep enkele keren heen en weer met korte, schokkende bewegingen (Figuur 16).

      Note: Dit helpt om materiaal tussen de hengsels vandaan te krijgen.

    4. Laat de achterlaadklep zakken en controleer of er materiaal is achtergebleven tussen de hengsels.

    5. Herhaal stappen 1 tot 4 tot al het materiaal van tussen de hengsels is.

    6. Draai de achterlaadklep naar boven en til ze in de groeven in de laadbak.

    De accessoirebevestiging achteraan de laadbak gebruiken

    Gebruik de accessoirebevestiging achteraan de laadbak om accessoires achteraan de machine te bevestigen.

    Draagvermogen: 45 kg

    1. Zet de T-hendel los door deze rechtsom te draaien (Figuur 17).

      g034525
    2. Breng uw accessoire aan in de houder en zorg dat de gaten overeenkomen (Figuur 17).

    3. Bevestig het gemonteerde accessoire aan de bevestigingsbuis met de gaffelpen en de haarspeldveer.

    4. Zet de T-hendel vast door deze linksom te draaien (Figuur 18).

      g034526

    De laadbak laden

    Neem de volgende richtlijnen in acht bij het laden van de laadbak en het gebruik van de machine:

    • Hou rekening met het laadvermogen van de machine en beperk het gewicht van de lading die u in de laadbak transporteert volgens de specificaties in Specificaties en op het label met het toelaatbare totaalgewicht van de machine.

      Note: Het laadvermogen geldt alleen voor gebruik van de machine op een gelijke ondergrond.

    • Verminder het gewicht van de lading die u in de laadbak transporteert als u de machine gebruikt op hellingen en ruw terrein.

    • Verminder het gewicht van de lading die u in de laadbak transporteert als het materiaal hoog opgestapeld is (en een hoog zwaartepunt heeft), zoals een stapel bakstenen, planken voor tuinelementen of zakken met kunstmest. Verdeel de lading zo laag mogelijk zodat de lading uw zicht achter de machine tijdens gebruik niet belemmert.

    • Hou ladingen gecentreerd door de laadbak als volgt te laden:

      • Verdeel het gewicht gelijkmatig over de breedte van de laadbak.

        Important: Het risico om te kantelen is groter als de laadbak aan 1 kant zwaarder is geladen.

      • Verdeel het gewicht gelijkmatig over de lengte van de laadbak.

        Important: Als u de lading achter de achteras legt, hebben de voorbanden minder tractie, wat ertoe kan leiden dat de machine onbestuurbaar wordt of omkantelt.

    • Wees extra voorzichtig als u erg omvangrijke ladingen transporteert in de laadbak, in het bijzonder als u het gewicht van de lading niet centraal in de laadbak kunt plaatsen.

    • Maak indien mogelijk de lading vast aan de laadbak zodat de lading niet gaat schuiven.

    • Als u vloeistof in een grote tank transporteert (zoals een spuittank), wees dan voorzichtig als u de machine een helling op- of afrijdt, als u uw snelheid plots verandert, als u stopt, of als u over ruw terrein rijdt.

    De inhoud van de laadbak is 0,28 m3. De hoeveelheid (het volume) materiaal die u in de bak kunt laden zonder dat het draagvermogen van de machine wordt overschreden, kan sterk variëren afhankelijk van de dichtheid van het materiaal.

    Raadpleeg de volgende tabel voor de maximale belading met verschillende materialen.

    MateriaalDichtheidMaximaal laadvermogen laadbak(op een vlakke ondergrond)
    Grind, droog1522 kg/m3Vol
    Grind, nat1922 kg/m3¾ vol
    Zand, droog 1442 kg/m3Vol
    Zand, nat1922 kg/m3¾ vol
    Hout721 kg/m3Vol
    Schors< 721 kg/m3Vol
    Aarde, samengedrukt1602 kg/m3¾ vol (bij benadering)

    Motor starten

    1. Neem plaats op de bestuurdersstoel, steek het sleuteltje in de contactschakelaar en draai dit naar rechts op AAN of START.

      U kunt de machine op 2 manieren starten:

      • Pedaalstart – draai de contactschakelaar naar de stand AAN, druk het gaspedaal in en neem uw voet van het gaspedaal.

        Note: De motor wordt uitgeschakeld als u uw voet van het gaspedaal neemt.

      • Sleutelstart – draai de contactschakelaar naar de stand START; de motor blijft ingeschakeld totdat u het sleuteltje in de UIT-stand zet.

      Note: Wanneer u sleutelstart gebruikt, kunt u de parkeerrem inschakelen en en de machine verlaten om werkzaamheden uit te voeren terwijl de motor nog loopt zolang de accu niet leeg is.

      Note: Als u het contactsleuteltje naar de stand START draait, zal de motor draaien tot deze aanslaat. Als de motor meer dan 10 seconden draait maar niet aanslaat, ga dan terug naar de UIT-stand en ga na wat het probleem is (bv. u moet de choke gebruiken, het luchtfilter is verstopt, de brandstoftank is leeg, de bougie werkt niet, enz.) alvorens de machine opnieuw te starten.

      Note: Als de machine is uitgerust met een optioneel achteruitrijalarm en de schakelhendel in de stand ACHTERUIT wordt gezet wanneer de contactschakelaar in de stand AAN of START staat, klinkt er een zoemer om de bestuurder te waarschuwen dat de machine in achteruitstand staat.

    2. Zet de schakelhendel van de machine in de gewenste rijrichting.

    3. Zet de parkeerrem vrij.

    4. Trap langzaam het gaspedaal in.

      Note: Als de motor koud is, moet u het gaspedaal intrappen en ongeveer half ingetrapt houden en de chokeknop uittrekken en op AAN zetten. Zet de chokeknop terug in de stand UIT zodra de motor warm is.

    De machine stoppen

    Important: Als u de machine op een helling laat stoppen, moet u de bedrijfsremmen intrappen en de parkeerrem in werking stellen om te voorkomen dat de machine van zijn plaats rolt. Als u het gaspedaal gebruikt om de machine op de helling tot stilstand te brengen, kan de machine schade oplopen.

    1. Haal uw voet van het gaspedaal.

    2. Druk het rempedaal langzaam in om met de bedrijfsremmen de machine volledig tot stilstand te brengen.

      Note: De lengte van de remweg kan variëren, afhankelijk van de lading en de snelheid van de machine.

    Na gebruik

    Veiligheid na het werk

    Algemene veiligheid

    • Laat de motor afkoelen voordat u de machine in een afgesloten ruimte stalt.

    • Bewaar de machine en het brandstofvat niet op plaatsen waar open vlammen, vonken of waakvlammen (bv. van een boiler of een ander toestel) aanwezig kunnen zijn.

    • Zorg ervoor dat alle onderdelen van de machine in goede staat verkeren en alle bevestigingselementen stevig vastzitten.

    • Vervang versleten, beschadigde en ontbrekende stickers.

    De machine transporteren

    • Wees voorzichtig als u de machine inlaadt op een aanhanger of een vrachtwagen of uitlaadt.

    • Gebruik een oprijplaat van volledige breedte bij het laden van de machine op een aanhanger of vrachtwagen.

    • Maak de machine stevig vast.

    Zie Figuur 19 en Figuur 20 voor de plaats van de bevestigingspunten van de machine.

    Note: Laad de machine op de aanhangwagen met de voorzijde van de machine naar voren gericht. Als dat niet mogelijk is, bevestig dan de motorkap met een riem aan het frame of verwijder de motorkap zodat deze er niet af kan waaien tijden het transport.

    Voorzichtig

    Losse stoelen kunnen van de machine en de aanhangwagen vallen tijdens het transport van de machine, en de stoelen kunnen op een andere machine terechtkomen de weg versperren.

    Verwijder de stoelen of zet de stoelen stevig vast in de koppeling van het stoelscherm.

    g236535
    g034273

    De machine slepen

    In noodgevallen kunt u de machine over een korte afstand slepen; maak hier evenwel geen gewoonte van.

    Waarschuwing

    Als u de machine bij een te hoge snelheid sleept, kunt u de controle over het stuur verliezen. Dit kan letsel veroorzaken.

    Sleep de machine nooit sneller dan 8 km per uur.

    Note: De stuurbekrachtiging functioneert niet, waardoor de besturing wordt bemoeilijkt.

    De machine moet worden gesleept door 2 personen. Als u de machine over een grote afstand moet verplaatsen, moet u deze vervoeren op een vrachtwagen of een aanhanger; zie Een aanhangwagen trekken

    1. Verwijder de drijfriem van de machine; zie Aandrijfriem vervangen.

    2. Bevestig een sleepkabel aan de lip op de voorzijde van het machineframe (Figuur 20).

    3. Zet de transmissie in de NEUTRAALSTAND en zet de parkeerrem vrij.

    Een aanhangwagen trekken

    De machine kan een aanhangwagen trekken. Er is een trekhaak verkrijgbaar voor de machine. Neem voor verdere informatie contact op met een erkende Toro verdeler.

    Als u een lading vervoert of een aanhangwagen trekt, mag u de machine of de aanhangwagen niet te zwaar beladen. Een te zware lading van de machine of de aanhanger kan leiden tot slechte prestaties of beschadiging van de remmen, as, motor, transaxle, stuurinrichting, ophanging, carrosserie of banden.

    Zorg er altijd voor dat 60% van het gewicht van de lading zich in het voorste deel van de aanhangwagen bevindt. Hierdoor komt ongeveer 10% van het totale gewicht van de aanhangwagen op de trekhaak van de machine.

    Ten behoeve van een goede remwerking en tractie moet de laadbak altijd zijn geladen als u een aanhangwagen gebruikt. U mag het maximaal toelaatbare totaalgewicht van de trailer en het voertuig niet overschrijden.

    Parkeer de machine nooit op een helling als er een aanhangwagen is aangekoppeld. Als u toch op een helling moet parkeren, dient u de parkeerrem in werking te stellen en de wielen van de aanhangwagen te blokkeren.

    Onderhoud

    Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.

    Note: Download het elektrische schema op www.Toro.com; u kunt uw machine zoeken via de link Handleidingen op de hoofdpagina.

    Important: Raadpleeg de gebruikershandleiding van de motor voor verdere onderhoudsprocedures.

    Waarschuwing

    Als u de machine niet goed onderhoudt kunnen systemen van de machine voortijdig defect raken en u of omstanders mogelijk letsel toebrengen.

    U moet de machine goed onderhouden en in goede staat houden volgens deze instructies.

    Voorzichtig

    De machine mag uitsluitend worden onderhouden, gerepareerd, afgesteld of geïnspecteerd door vakbekwame en erkende technici.

    • Voorkom brandgevaar en zorg ervoor dat er brandbestrijdingsapparatuur in het werkgebied aanwezig is. Controleer nooit met een open vuur het peil van vloeistoffen, het accuzuur of de koelvloeistof, of een lekkage.

    • Gebruik geen open bakken met brandstof of ontvlambare reinigingsvloeistoffen om onderdelen schoon te maken.

    Voorzichtig

    Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u en andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen.

    Haal het sleuteltje uit de contactschakelaar en maak de bougiekabels los voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan het voertuig. Druk de kabels opzij, zodat deze niet onbedoeld contact kunnen maken met de bougies.

    Aanbevolen onderhoudsschema

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 5 bedrijfsuren
  • De motorolie verversen.
  • Na de eerste 8 bedrijfsuren
  • Controleer de conditie van de aandrijfriem.
  • Controleer de spanning van de riem van de dynamo van de starter.
  • Na de eerste 50 bedrijfsuren
  • Het luchtfilter voor de koolstofhouder inspecteren.
  • Na de eerste 100 bedrijfsuren
  • Neem de richtlijnen voor het inrijden van een nieuwe machine in acht.
  • Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer de bandenspanning.
  • Controleer het motoroliepeil.
  • Werking van schakelhendel controleren.
  • Remvloeistofpeil controleren.Controleer het remvloeistofpeil voordat de motor de eerste keer wordt gebruikt.
  • Om de 50 bedrijfsuren
  • Verwijder het luchtfilterdeksel en verwijder het vuil. Verwijder het filter niet.
  • Verwijder het vuil in de stofkap.
  • Om de 100 bedrijfsuren
  • Lagers en lagerbussen smeren.Smeer vaker als de machine in zware omstandigheden wordt gebruikt.
  • Vervang het luchtfilter.Vervang het element van het luchtfilter eerder als het vuil of beschadigd is.
  • Geef het luchtfilter een onderhoudsbeurt(doe dit vaker in zeer stoffige of vuile omstandigheden).
  • De motorolie verversen.(Ververs de olie tweemaal zo vaak in bijzondere werkomstandigheden; zie ).
  • Bougie controleren. Vervang de bougie indien nodig.
  • Controleer de staat van de banden en velgen.
  • Wielmoeren aandraaien.
  • De stuurinrichting en ophanging op losse of beschadigde onderdelen controleren.
  • De vlucht en het toespoor van de voorwielen controleren.
  • Het peil van de transaxlevloeistof controleren.
  • Werking van de neutraalstand van de schakelhendel controleren.
  • Reiniging van de motorkoelingsgebieden.Reinig het koelsysteem tweemaal zo vaak in bijzondere werkomstandigheden; zie Onderhoud van de machine in bijzondere werkomstandigheden.
  • De remmen controleren
  • Om de 200 bedrijfsuren
  • Het luchtfilter voor de koolstofhouder inspecteren.
  • De conditie en de spanning van de aandrijfriem controleren.
  • Controleer de spanning van de riem van de dynamo van de starter.
  • Om de 300 bedrijfsuren
  • De lagers in de voorwielen smeren.
  • Om de 400 bedrijfsuren
  • Controleer de brandstofleidingen en -verbindingen.
  • Brandstoffilter vervangen.
  • Reinig de primaire aandrijfkoppeling.
  • Om de 800 bedrijfsuren
  • Transaxle-olie verversen.
  • Om de 1000 bedrijfsuren
  • Remvloeistof verversen.
  • Jaarlijks
  • Verricht alle jaarlijkse onderhoudsprocedures die vermeld staan in de Gebruikershandleiding van de motor.
  • Controlelijst voor dagelijks onderhoud

    Gelieve deze pagina te kopiëren ten behoeve van gebruik bij routinecontroles.

    Gecontroleerde itemVoor week van:
    maandagdinsdagwoensdagdonderdagvrijdagzaterdagzondag
    Werking van rem en parkeerrem controleren.       
    Werking van schakelinrichting/neutraalstand controleren.       
    Brandstofpeil controleren.       
    Controleer het motoroliepeil.       
    Het peil van de transaxlevloeistof controleren.       
    Luchtfilter controleren.       
    De koelribben van de motor controleren.       
    Controleren of de motor ongewone geluiden maakt.       
    Controleren op ongewone geluiden tijdens het gebruik.       
    De bandenspanning controleren.       
    Controleren op lekkages.       
    Werking van instrumenten controleren.       
    Werking van het gaspedaal controleren.       
    Vet in alle smeernippels spuiten.       
    Beschadigde lak bijwerken.       

    Onderhoud van de machine in bijzondere omstandigheden

    Important: Als de machine wordt gebruikt in de hieronder genoemde omstandigheden, moet u de onderhoudswerkzaamheden twee keer zo vaak uitvoeren:

    • Gebruik in woestijngebied

    • Gebruik bij lage temperaturen: beneden 0 °C

    • Trekken van een aanhangwagen

    • Veelvuldig gebruik in stoffige omstandigheden

    • Bouwwerkzaamheden

    • Na langdurig gebruik in modder, zand, water, of soortgelijke vuile omstandigheden moet u de remmen zo snel mogelijk laten controleren en schoonmaken. Dit voorkomt dat schurend materiaal overmatige slijtage veroorzaakt.

    Procedures voorafgaande aan onderhoud

    Veiligheid bij onderhoud

    • Laat personeel dat niet bekend is met de instructies nooit onderhoudswerkzaamheden aan de machine uitvoeren.

    • Voordat u onderhoudswerkzaamheden aan de machine verricht of deze afstelt, moet u de machine op een horizontaal oppervlak parkeren, de parkeerrem in werking stellen, de motor uitschakelen en het sleuteltje verwijderen om te voorkomen dat de machine per ongeluk wordt gestart.

    • Verwijder de lading uit de laadbak voordat u onder een opgehaalde laadbak gaat werken.

    • Breng altijd de steun aan onder de laadbak voordat u eronder gaat werken.

    • Plaats de machine of onderdelen ervan op assteunen indien dit nodig is.

    • Haal voorzichtig de druk van onderdelen met opgeslagen energie.

    • Laad de accu’s niet op terwijl u onderhoud uitvoert aan de machine.

    • Om het voertuig in goede staat te houden, moet u ervoor zorgen dat alle moeren, bouten en schroeven goed zijn vastgedraaid.

    • Om het risico op brand te verminderen, moet u de omgeving van de motor vrij houden van overtollig vet, gras, bladeren en aangekoekt vuil.

    • Voer indien mogelijk geen onderhoudswerkzaamheden uit als de motor draait. Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen.

    • Als u de motor moet laten lopen om onderhouds- of afstelwerkzaamheden uit te voeren, moet u uw kleding, handen, voeten en andere lichaamsdelen uit de buurt van de motor en bewegende delen houden. Hou omstanders uit de buurt van de machine.

    • Veeg gemorste olie en brandstof op.

    • Controleer regelmatig de werking van de parkeerrem. Indien nodig moet u deze afstellen en een onderhoudsbeurt geven.

    • Zorg ervoor dat alle onderdelen in goede staat verkeren en al het bevestigingsmateriaal stevig vastzit. Vervang versleten of beschadigde stickers.

    • Voer geen handelingen uit die van invloed zijn op de bedoelde werking van een veiligheidsvoorziening of die de bescherming waarin de veiligheidsvoorziening voorziet verminderen. Controleer de goede werking ervan regelmatig.

    • Voorkom dat de motor het maximaal toelaatbare toerental overschrijdt, doordat de instellingen van de motor zijn veranderd. Ten behoeve van de veiligheid en een nauwkeurige afstelling moet u het maximale motortoerental door een erkende Toro distributeur laten controleren met een toerenteller.

    • Indien grote reparaties nodig zijn of hulp is vereist, moet u contact opnemen met een erkende Toro distributeur.

    • Om de beste prestaties te verkrijgen en er zeker van te zijn dat het voertuig veilig kan worden gebruikt, moet u ter vervanging altijd originele onderdelen en accessoires van Toro aanschaffen. Gebruik ter vervanging nooit onderdelen en accessoires van andere fabrikanten, omdat dit gevaarlijk kan zijn. Elke verandering aan deze machine kan gevolgen hebben voor de werking, prestaties of levensduur van de machine, en kan letsel of de dood veroorzaken. Dergelijke veranderingen kunnen ertoe leiden dat de garantie op het product van The Toro® Company komt te vervallen.

    De machine klaar maken voor onderhoud

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Stel de parkeerrem in werking.

    3. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    4. Leeg de laadbak en breng hem omhoog; zie De laadbak omhoog brengen in de stortstand.

    De machine omhoog brengen

    Gevaar

    Een opgekrikte machine kan wankel staan. De machine kan van de krik afglijden, waardoor iemand die zich eronder bevindt letsel kan oplopen.

    • Start de motor niet als de machine is opgekrikt.

    • Haal altijd het sleuteltje uit het contact voordat u van de machine stapt.

    • Blokkeer de wielen wanneer de machine wordt ondersteund door hefwerktuigen.

    • Gebruik assteunen om de machine te ondersteunen wanneer deze gehesen is.

    Important: Als u de machine voor routineonderhoud en/of diagnose laat draaien, zorg dan dat de achterwielen van de machine 25 mm vrij van de grond zijn door de achteras op assteunen te zetten.

    • Het hefpunt vooraan de machine bevindt zich aan de voorzijde van het frame, achter de sleeplip (Figuur 21).

      g034043
    • Het hefpunt aan de achterzijde van de machine bevindt zich onder de asbuizen (Figuur 22).

    g034044

    De motorkap openen

    De motorkap optillen

    1. Til de handgreep van de rubberen grendels aan weerszijden van de motorkap op (Figuur 23).

      g034045
    2. Til de motorkap op.

    De motorkap sluiten

    1. Laat de motorkap langzaam zakken.

    2. Bevestig de motorkap door de rubberen grendels uit te lijnen met de grendelbevestigingen aan weerszijden van de motorkap (Figuur 23).

    Het kussen van de zitbank verwijderen

    1. Druk het kussen van de zitbank overeind in de geheven stand.

    2. Schuif het kussen opzij, uit de pennen, en til het kussen op (Figuur 24).

      g237191

    Het kussen van de zitbank plaatsen

    Schuif het kussen van de zitbank op de pennen en laat het kussen zakken (Figuur 25).

    g237190

    Smering

    De machine smeren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • Lagers en lagerbussen smeren.Smeer vaker als de machine in zware omstandigheden wordt gebruikt.
  • Type vet: Nr. 2 vet op lithiumbasis

    1. Veeg de smeernippel schoon met een doek zodat er geen vuil kan binnendringen in het lager of de lagerbus.

    2. Gebruik een smeerpistool. Haal de trekker 1 of 2 keer over om smeervet in de smeernippels van de machine te pompen.

    3. Veeg overtollig smeervet van de machine.

    De smeernippels bevinden zich aan de binnenkant van de bedieningsarmen, bij de kogelverbinding van de trekstang en aan de buitenkant van de bedieningsarmen (Figuur 26 en Figuur 27).

    g034057
    g034058

    De lagers in de voorwielen smeren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 300 bedrijfsuren
  • De lagers in de voorwielen smeren.
  • Specificatie smeermiddel: Mobilgrease XHP™-222

    De naaf en rotor verwijderen

    1. Til de voorkant van de machine op en plaats deze op assteunen.

    2. Verwijder de 4 wielmoeren waarmee het wiel aan de naaf bevestigd is (Figuur 28).

      g033046
    3. Verwijder de flenskopbouten (⅜" x ¾") waarmee de beugel voor de rem is bevestigd aan de as en verwijder de rem van de as (Figuur 29).

      Note: Ondersteun de rem voordat u verder gaat met de volgende stap.

      g033047
    4. Verwijder de stofkap van de naaf (Figuur 30).

      g192346
    5. Verwijder de borgpen en de moerzekering van de as en de asmoer (Figuur 30).

    6. Verwijder de asmoer van de as, en verwijder de naaf en de rotor van de as (Figuur 30 en Figuur 31).

      g192347
    7. Maak de as schoon met een doek.

    8. Herhaal stap 1 tot en met 7 voor de naaf en de rotor aan de andere kant van de machine.

    De lagers in de wielen smeren

    1. Verwijder het buitenste lager en de loopring van het lager van de naaf (Figuur 32).

      g033050
    2. Verwijder de afdichting en het binnenste lager van de naaf (Figuur 32).

    3. Maak de afdichting schoon en controleer op slijtage en beschadiging.

      Note: Gebruik geen reinigingsmiddel om de afdichting schoon te maken. Vervang de afdichting als deze versleten of beschadigd is.

    4. Maak de lagers en de loopringen schoon en controleer deze onderdelen op slijtage en beschadiging.

      Note: Vervang versleten of beschadigde onderdelen. Controleer of de lagers en loopringen schoon en droog zijn.

    5. Verwijder alle vuil en vet uit de holte van de naaf (Figuur 32).

    6. Smeer de lagers met het aanbevolen smeermiddel.

    7. Vul de holte van de naaf voor 50 tot 80% met het aanbevolen smeermiddel (Figuur 32).

    8. Monteer het binnenste lager op de loopring aan de binnenkant van de naaf en monteer de afdichting (Figuur 32).

    9. Herhaal stap 1 tot en met 8 voor de lagers van de andere naaf.

    De naaf en rotor monteren

    1. Breng een laagje van het aanbevolen smeermiddel aan op de as (Figuur 33).

      g192344
    2. Monteer de naaf en de rotor op de as met de rotor aan de binnenkant (Figuur 33).

    3. Monteer het buitenste lager op de as en plaats het lager in de buitenste loopring (Figuur 33).

    4. Monteer het borgplaatje op de as (Figuur 33).

    5. Draai de asmoer op de as en zet de moer vast met een torsie van 15 N·m terwijl u de naaf draait om het lager te plaatsen (Figuur 33).

    6. Draai de asmoer los tot de naaf vrij kan draaien.

    7. Draai de asmoer vast met een torsie van 170 tot 225 N·m.

    8. Monteer de borgschroef over de moer en controleer de uitlijning van de sleuf in de schroef en de opening in de as voor de borgpen (Figuur 34).

      Note: Als de sleuf in de borgschroef en de opening in de as niet uitgelijnd zijn, moet u de asmoer vastzetten met een torsie van maximaal 226 N·cm om de sleuf en de opening uit te lijnen.

      g192345
    9. Monteer de borgpen en plooi beide uiteinden rond de borgschroef (Figuur 34).

    10. Plaats de stofkap op de naaf (Figuur 34).

    11. Herhaal stap 1 tot en met 10 voor de naaf en de rotor aan de andere kant van de machine.

    De remmen en wielen monteren

    1. Reinig de 2 flenskopbouten (⅜" x ¾") en breng een laag anti-seize aan op de draden van de bouten.

    2. Lijn de remblokken aan beide zijden van de rotor (Figuur 29) en de openingen in de beugel van de remklauw uit met de openingen in de rembevestiging van het asframe (Figuur 33).

    3. Bevestig de beugel van de remklauw aan het asframe (Figuur 29) met de 2 flenskopbouten (⅜" x ¾") en draai de bouten vast met een torsie van 47 tot 54 N·m.

    4. Lijn de openingen in het wiel uit met de bouten van de naaf en monteer het wiel op de naaf met het ventiel naar buiten gericht (Figuur 28).

      Note: Zorg dat het montagevlak van het wiel gelijk komt met de naaf.

    5. Bevestig het wiel aan de naaf met de wielmoeren (Figuur 28) en draai de moeren vast met een torsie van 108 tot 122 N·m.

    6. Herhaal stap 1 tot en met 5 voor de rem en het wiel aan de andere kant van de machine.

    Onderhoud motor

    Veiligheid van de motor

    • Zet de motor af, verwijder het sleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de olie controleert of olie bijvult in het carter.

    • Houd uw handen, voeten, gezicht, kleding en andere lichaamsdelen uit de buurt van de geluiddemper en andere hete oppervlakken.

    Onderhoud van het luchtfilter

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • Vervang het luchtfilter.Vervang het element van het luchtfilter eerder als het vuil of beschadigd is.
  • Note: Het luchtfilter moet vaker een onderhoudsbeurt krijgen (om de paar uren) als de machine wordt gebruikt in buitengewoon stoffige of zanderige omstandigheden.

    Onderhoud van het luchtfilterdeksel

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 50 bedrijfsuren
  • Verwijder het luchtfilterdeksel en verwijder het vuil. Verwijder het filter niet.
  • Verwijder het vuil in de stofkap.
  • Controleer de luchtfilterbehuizing op beschadigingen die een luchtlek kunnen veroorzaken. Vervang een beschadigde luchtfilterbehuizing.

    Maak het luchtfilterdeksel schoon en verwijder vuil van de stofkap zoals getoond in Figuur 35.

    g236567

    Onderhoud van het luchtfilter

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • Geef het luchtfilter een onderhoudsbeurt(doe dit vaker in zeer stoffige of vuile omstandigheden).
    1. Schuif het luchtfilter voorzichtig uit de luchtfilterbehuizing (Figuur 36).

      Note: Zorg ervoor dat u niet met het luchtfilter tegen de zijkant van de luchtfilterbehuizing stoot.

      Important: Probeer het luchtfilter niet te reinigen.

    2. Inspecteer het nieuwe filter op beschadiging door een felle lichtbron op de buitenkant van het filter te richten en er doorheen te kijken.

      Note: Gaten in het filter zien eruit als lichte vlekken. Controleer het filter op scheuren, een vettig oppervlak of beschadiging van de rubberen afdichting. Als het filter beschadigd is, mag u het niet gebruiken.

    3. Schuif het luchtfilter voorzichtig in de luchtfilterbehuizing.

      Important: Druk niet op het zachte midden van het filter.

    4. Monteer het luchtfilterdeksel met de kant met het opschrift 'UP' naar boven gericht en maak de sluitingen vast (Figuur 36).

    g034313

    Motorolie verversen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 5 bedrijfsuren
  • De motorolie verversen.
  • Om de 100 bedrijfsuren
  • De motorolie verversen.(Ververs de olie tweemaal zo vaak in bijzondere werkomstandigheden; zie ).
  • Note: Ververs de olie vaker als het voertuig in zeer stoffige of zanderige omstandigheden wordt gebruikt.

    Note: Geef de oude motorolie en het gebruikte oliefilter af bij een erkende inzamelplaats.

    Motorolietype

    Carterinhoud: 1,0 liter

    Type olie: Reinigingsolie API-klasse SJ of hoger

    Viscositeit: Zie onderstaande tabel.

    g034082

    Het motoroliepeil controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer het motoroliepeil.
  • Note: De machine wordt geleverd met olie in het carter; u dient echter het oliepeil te controleren voor- en nadat u de motor start.

    Note: De beste tijd om de motorolie te controleren is wanneer de motor koud is voordat deze is gestart voor de dag. Als hij al heeft gedraaid, moet u de olie eerst terug laten lopen gedurende tenminste 10 minuten voordat u controleert. Als het oliepeil te laag is, vult u olie bij totdat het oliepeil de Vol-markering bereikt. Niet te vol vullen.

    Controleer het oliepeil zoals wordt getoond in Figuur 38.

    g192771

    Motorolie verversen

    1. Start de machine en laat de motor een paar minuten lopen.

    2. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    3. Stel de parkeerrem in werking.

    4. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    5. Breng de laadbak omhoog en ondersteun deze met de steunstang; zie De laadbak omhoogbrengen in de onderhoudsstand.

    6. Ververs de motorolie zoals wordt getoond in Figuur 39.

      g192770

    Onderhoud van de bougie

    De bougie controleren en vervangen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • Bougie controleren. Vervang de bougie indien nodig.
  • Type bougie van model met carburateur: Champion XC12YC

    Type bougie EFI-model: Champion RC12LC4

    Elektrodenafstand: 0,76 mm

    Important: Als de bougie gebarsten of vuil is of niet goed werkt, moet u deze vervangen. U mag de elektroden niet zandstralen, afkrabben of reinigen met een staalborstel omdat hierdoor gruis kan losraken en in de cilinder terechtkomen. Dit leidt meestal tot beschadiging van de motor.

    Note: Een bougie heeft meestal een lange levensduur. U moet de bougie echter uitnemen en controleren als de motor slecht functioneert.

    1. Maak de omgeving van de bougie schoon zodat er geen vuil in de cilinder kan terechtkomen als u de bougie verwijdert.

    2. Trek de kabel van het aansluitpunt van de bougie.

    3. Haal de plug uit de cilinderkop.

    4. Controleer de staat van de massa-elektrode, de centrale elektrode en de isolator van de centrale elektrode op beschadigingen (Figuur 40).

      Note: Geen beschadigde of versleten bougie gebruiken. Vervang de bougie door een nieuwe bougie van het aanbevolen type.

      g238425
    5. Zorg ervoor dat de elektrodenafstand tussen de centrale elektrode en de massa-elektrode 0,76 mm bedraagt; zie Figuur 40.

    6. Plaats de bougie in de cilinderkop en draai de bougie vast tot 27 N·m.

    7. Bevestig de kabel van de bougie.

    8. Herhaal stap 1 tot en met 7 voor de andere bougie.

    Hoog/laag stationair toerental afstellen

    1. Breng de laadbak omhoog en zet deze vast met de steunstang.

    2. Draai aan de behuizing van de gaskabel de voorste contramoer losser en de achterste contramoer vaster om het toerental in laag stationair te verhogen (Figuur 41).

      g229954
    3. Test het hoog stationaire toerental met een toerenteller:

      1. Zorg ervoor dat de schakelhendel in NEUTRAAL staat.

      2. Start de motor.

      3. Druk het gaspedaal volledig in en controleer het motortoerental met een toerenteller; het toerental moet tussen 3650 en 3750 tpm liggen. Als dat niet het geval is, moet u de motor afzetten en de contramoeren van de kabel afstellen.

        Important: Stel het toerental in hoog stationair niet lager in. Controleer met een toerenteller of het toerental in hoog stationair tussen 3650 en 3750 tpm ligt.

    4. Laat de laadbak zakken en zet hem vast.

    Onderhoud brandstofsysteem

    Brandstofleidingen en -verbindingen controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 400 bedrijfsuren
  • Controleer de brandstofleidingen en -verbindingen.
  • Inspecteer de brandstofleidingen, aansluitingen en klemmen op tekenen van lekkage, slijtage, beschadiging of losse connecties.

    Note: Repareer beschadigde of lekkende onderdelen van het brandstofsysteem voordat u de machine gebruikt.

    Brandstoffilter vervangen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 400 bedrijfsuren
  • Brandstoffilter vervangen.
    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Stel de parkeerrem in werking.

    3. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    4. Haal de bak op en zet deze vast met de steunstang; zie De laadbak omhoog brengen in de stortstand.

    5. Koppel de accu af; zie De accu afkoppelen.

    6. Plaats een schone opvangbak onder het brandstoffilter en vervang het brandstoffilter zoals wordt getoond in Figuur 42.

      g029685
    7. Sluit de accu aan en laat de laadbak zakken; zie De accu aansluiten en De laadbak laten zakken.

    Onderhoud uitvoeren aan de van de koolstofhouder

    Het luchtfilter voor de koolstofhouder inspecteren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 50 bedrijfsuren
  • Het luchtfilter voor de koolstofhouder inspecteren.
  • Om de 200 bedrijfsuren
  • Het luchtfilter voor de koolstofhouder inspecteren.
  • Inspecteer de opening onderaan het luchtfilter voor de koolstofhouder en zorg ervoor dat deze vrij is van vuil en verstopping (Figuur 43).

    Reinig het luchtfilter van de koolstofhouder met schone perslucht.

    g034099

    Onderhoud elektrisch systeem

    Veiligheid van het elektrisch systeem

    Waarschuwing

    Accuklemmen, accupolen en dergelijke onderdelen bevatten lood en loodverbindingen. Van deze stoffen is bekend dat ze kanker en schade aan de voortplantingsorganen veroorzaken. Was altijd uw handen nadat u met deze onderdelen in aanraking bent geweest.

    • Koppel de accu af voordat u reparaties aan de machine verricht. Maak eerst de minpool van de accu los en daarna de pluspool. Bevestig eerst de pluspool van de accu en daarna de minpool.

    • Laad de accu op in een open, goed geventileerde ruimte, uit de buurt van vonken en open vuur. Haal de oplader uit het stopcontact voordat u de accu aan- of loskoppelt. Draag beschermende kleding en gebruik geïsoleerd gereedschap.

    Onderhoud van de accu

    Accuspanning: 12 V, 300 A, koude start bij -18 °C.

    • Houd de accu altijd schoon en volledig geladen.

    • Als de accupolen zijn geoxideerd, moet u deze schoonmaken met een oplossing van vier delen water en één deel zuiveringszout.

    • Breng een laagje vet op de accupolen aan om corrosie te voorkomen.

    De accu afkoppelen

    Waarschuwing

    Als accukabels verkeerd worden verbonden, kan dit schade aan de machine en de kabels tot gevolg hebben en vonken veroorzaken. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen, waardoor lichamelijk letsel kan ontstaan.

    • Maak altijd de minkabel (zwart) van de accu los voordat u de pluskabel (rood) losmaakt.

    • Sluit altijd eerst de pluskabel (rood) van de accu aan voordat u de minkabel (zwart) aansluit.

    • Zorg ervoor dat de accuhouder altijd op zijn plaats zit om de accu te beschermen en vast te zetten.

    Waarschuwing

    Accupolen of metalen gereedschappen kunnen kortsluiting maken met metalen onderdelen van de machine, waardoor vonken kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen en lichamelijk letsel veroorzaken.

    • Zorg ervoor dat bij het verwijderen of installeren van de accu de accupolen niet in aanraking komen met metalen onderdelen van de machine.

    • Voorkom dat metalen gereedschappen kortsluiting veroorzaken tussen de accupolen en metalen onderdelen van de machine.

    Ontkoppel de accu zoals wordt getoond in Figuur 44.

    g034311

    Accu verwijderen

    1. Koppel de accukabels af; zie De accu afkoppelen.

    2. Verwijder de accu zoals wordt getoond in Figuur 45.

      g034326

    Accu monteren

    1. Plaats de accu zoals wordt getoond in Figuur 46.

      g034327
    2. Sluit de accukabels aan; zie De accu aansluiten.

    De accu aansluiten

    Sluit de accu aan zoals wordt getoond in Figuur 47.

    g034315

    Accu opladen

    Waarschuwing

    Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen.

    Rook nooit in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu komen.

    Important: Zorg ervoor dat de accu altijd volledig geladen is (soortelijk gewicht 1,260). Dit is vooral belangrijk om beschadiging van de accu te voorkomen bij temperaturen onder 0 °C.

    1. Verwijder de accu van de machine; raadpleeg Accu verwijderen.

    2. Sluit een acculader van 3 tot 4 A aan op de accupolen. Laad de accu op gedurende 4 tot 8 uur bij 3-4 A (12 V).

      Note: De accu niet te ver opladen.

    3. Monteer de accu in het chassis; zie Accu monteren.

    Opslag van de accu

    Als u de machine langer dan 30 dagen stalt, moet u de accu verwijderen en volledig opladen. U moet de accu apart opslaan of in het voertuig laten zitten. De accukabels mogen niet aangesloten zijn op de accu als u deze in het voertuig laat zitten. Sla de accu op in een koele omgeving om te voorkomen dat de batterij snel ontlaadt. Om te voorkomen dat de accu bevriest, moet deze volledig zijn opgeladen.

    Zekeringen vervangen

    Er zijn 4 zekeringen in het elektrische systeem. Deze bevinden zich onder de bestuurdersstoel (Figuur 48).

    Note: Als u de optionele hefset monteert, zal u een andere zekeringhouder krijgen die naast de bestaande zekeringhouder dient te worden gemonteerd.

    Claxon30 A
    Hoofdvoeding15 A
    Koplampen10 A
    Usb-aansluitpunt/opties10 A
    Optionele hefset (vrij – extra zekeringhouder bij de set geleverd)15 A
    g034618

    Onderhoud van de koplampen

    De gloeilampen vervangen

    Voorzichtig

    Als u een lamp monteert met een wattage die te hoog is voor het systeem, kan de zekering doorbranden.

    Gebruik steeds de aanbevolen Toro ledlamp om dit te voorkomen.

    Voorzichtig

    De lampen worden tijdens het gebruik zeer heet. Een hete lamp kan zware brandwonden en ernstig lichamelijk letsel veroorzaken.

    Geef de lampen altijd voldoende tijd om af te koelen voordat u deze vervangt. Wees voorzichtig als u de lamp hanteert.

    Specificatie: Raadpleeg uw Onderdelencatalogus.

    1. Koppel de accu af; zie De accu afkoppelen.

    2. Open de motorkap; zie De motorkap optillen.

    3. Maak de elektrische aansluiting voor de kabelboom los van de lampaansluiting aan de achterkant van de behuizing van de koplamp (Figuur 49).

      g035852
    4. Draai de lamp een kwartslag linksom en duw ze naar achteren, uit de behuizing van de koplamp (Figuur 49).

    5. Monteer de nieuwe lamp en de nieuwe behuizing voor de koplamp; lijn de lipjes van de lamp uit met de sleuven in de behuizing van de koplamp (Figuur 49).

    6. Bevestig de lamp door deze een kwartslag rechtsom te draaien (Figuur 49).

    7. Koppel de elektrische aansluiting voor de kabelboom aan op de aansluiting van de nieuwe lamp (Figuur 49).

    8. Sluit de accu aan en sluit de motorkap; zie De accu aansluiten.

    Koplamp vervangen

    1. Koppel de accu af; zie De accu afkoppelen.

    2. Open de motorkap; zie De motorkap optillen.

    3. Koppel de elektrische aansluiting voor de kabelboom los van de aansluiting van de lamp (Figuur 50).

      g035853
    4. Verwijder de snelklemmen waarmee de koplamp aan de koplampbeugel is bevestigd (Figuur 50).

      Note: Bewaar alle onderdelen voor de montage van de nieuwe koplamp.

    5. Verwijder de koplamp door deze naar voren door de opening in de voorbumper te trekken (Figuur 50).

    6. Monteer de nieuwe koplamp via de opening in de bumper (Figuur 50).

      Note: Zorg ervoor dat de afstelpennen op één lijn zijn met de openingen in de montagebeugel achter de bumper.

    7. Zet de koplamp vast met de snelklemmen die u hebt verwijderd in stap 4.

    8. Koppel de elektrische aansluiting voor de kabelboom aan op de aansluiting van de lamp (Figuur 50).

    9. Verstel de koplampen om de lichtbundel in de gewenste stand te zetten; zie Koplampen afstellen.

    Koplampen afstellen

    Ga als volgt te werk om de stand van de koplampen af te stellen als een koplamp is vervangen of verwijderd.

    1. Draai het contactsleuteltje op AAN en ontsteek de koplampen.

    2. Draai achteraan de koplamp de stelschroeven (Figuur 50) om de koplamp te draaien en de straal te richten.

    3. Sluit de accu aan en sluit de motorkap; zie De accu aansluiten.

    Onderhoud aandrijfsysteem

    Onderhoud van de banden

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • Controleer de staat van de banden en velgen.
  • Wielmoeren aandraaien.
    1. Inspecteer de banden en velgen op tekenen van slijtage en beschadiging.

      Note: Ongelukken tijdens werkzaamheden, zoals een botsing tegen een trottoirband, kunnen een band of een velg beschadigen en tevens de wieluitlijning verstoren. Daarom moet u na een ongeluk de conditie van de banden controleren.

    2. Draai de wielmoeren vast met een torsie van 108 tot 122 N·m.

    De onderdelen van de stuurinrichting en ophanging controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • De stuurinrichting en ophanging op losse of beschadigde onderdelen controleren.
  • Zet het stuurwiel in de gecentreerde stand (Figuur 51), en draai het stuurwiel naar links of rechts. Als u het stuurwiel meer dan 13 mm naar links of rechts draait en de banden draaien niet, controleer dan de volgende onderdelen van de stuurinrichting en de ophanging om er zeker van te zijn dat ze niet los zitten of beschadigd zijn:

    • Stuuras tot verbinding van stuurhuis

      Important: Controleer de toestand van de afdichting van de rondselas en ga na of u deze op een veilige manier kunt gebruiken (Figuur 52).

    • Trekstangen van het stuurhuis

    g313578
    g313576

    De uitlijning van de voorwielen afstellen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • De vlucht en het toespoor van de voorwielen controleren.
  • Voordat u de vlucht of het toespoor afstelt

    1. Controleer de bandendruk en zorg ervoor dat de banden vooraan tot 0,83 bar gepompt zijn.

    2. Leg ofwel een gewicht op de bestuurdersstoel dat overeenkomt met het gemiddelde gewicht van de bestuurders die met de machine zullen werken, of laat een bestuurder plaatsnemen op de stoel. Het gewicht of de bestuurder dienen gedurende de hele instellingsprocedure op de stoel te blijven.

    3. Rol op een vlakke ondergrond de machine 2 tot 3 meter recht achteruit en vervolgens recht vooruit naar de plaats waar u vertrok. Hierdoor kan de ophanging de bedrijfsstand aannemen.

    De vlucht afstellen

    Benodigdheden (door de eigenaar verschaft): schroefsleutel, Toro onderdeelnr. 132-5069; verkrijgbaar bij een erkende Toro distributeur.

    Important: Stel de vlucht uitsluitend af indien u een werktuig aan de voorkant gebruikt of indien de slijtage aan de banden ongelijkmatig is.

    1. Controleer de vlucht aan elk wiel; deze moet zo dicht mogelijk in de buurt komen bij neutraal (nul).

      Note: De banden moeten uitgelijnd zijn en het loopvlak moet gelijkmatig op de grond rusten om ongelijkmatige slijtage te voorkomen.

    2. Als de vlucht van het wiel onjuist afgesteld is, draai dan met de schroefsleutel aan de kraag van de schokdemper tot het wiel uitgelijnd is (Figuur 53).

      g033218

    Het toespoor van de voorwielen afstellen

    Important: Voordat u het toespoor gaat afstellen, moet u ervoor zorgen dat de vlucht zo dicht mogelijk tegen neutraal aanligt; zie De vlucht afstellen.

    1. Meet ter hoogte van de as de afstand tussen de voorwielen aan de voorkant en de achterkant van de wielen (Figuur 54).

      g009235
    2. Als deze afstand buiten het bereik van 0 tot 6 mm valt, moet u de contramoeren aan het uiteinde van de spoorstangen losdraaien (Figuur 55).

      g033219
    3. Draai aan beide spoorstangen om de voorzijde van het wiel naar binnen of naar buiten te draaien.

    4. Draai de contramoeren van de spoorstang weer vast als de afstelling correct is.

    5. Zorg ervoor dat het stuur in beide richtingen volledig kan uitslaan.

    Het peil van de transaxlevloeistof controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • Het peil van de transaxlevloeistof controleren.
  • Type vloeistof: SAE 80W-90 (API MT-1) of SAE 80W-90 (API GL-5)

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Stel de parkeerrem in werking.

    3. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    4. Verwijder de vulplug op de transaxle (Figuur 56).

      Note: Het vloeistofpeil moet tot aan de onderkant van de vulplug komen.

      g035761
    5. Als het vloeistofpeil te laag is, verwijder dan de vulplug en vul bij met de aanbevolen vloeistof tot deze uit de opening stroomt (Figuur 56).

    6. Plaats de vulplug terug en draai deze vast met een torsie van 20 tot 27 N·m.

    Transaxle-olie verversen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 800 bedrijfsuren
  • Transaxle-olie verversen.
  • Type vloeistof: SAE 80W-90 (API MT-1) of SAE 80W-90 (API GL-5)

    Vloeistofinhoud: 1,6 liter

    1. Plaats een opvangbak onder de aftapplug (Figuur 56).

    2. Verwijder de vulplug en de pakking (Figuur 56).

      Note: Bewaar de vulplug en de pakking om deze te monteren in stap 6.

    3. Verwijder de aftapplug en de pakking, en laat alle vloeistof weglopen (Figuur 56).

      Note: Bewaar de aftapplug en de pakking om deze te monteren in stap 4.

    4. Monteer de aftapplug en de pakking, en draai deze vast met een torsie van 20 tot 27 N·m.

    5. Vul de transaxle met de aanbevolen vloeistof tot deze uit de vulopening stroomt.

    6. Monteer de vulplug en de pakking, en draai deze vast met een torsie van 20 tot 27 N·m.

    De neutraalstand van de schakelhendel controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Werking van schakelhendel controleren.
  • Om de 100 bedrijfsuren
  • Werking van de neutraalstand van de schakelhendel controleren.
  • Als u routine-onderhoudswerkzaamheden uitvoert en/of de motor test, moet u de transaxle in de NEUTRAALSTAND zetten. De machine heeft een NEUTRAALSTAND op de schakelhendel, waarmee u de transaxle in de neutraalstand kunt zetten. Om ervoor te zorgen dat de schakelhendel de transaxle naar behoren in de neutraalstand zet, moet u de volgende stappen uitvoeren:

    1. Zet de schakelhendel in de NEUTRAALSTAND.

    2. Draai de secundaire koppeling (Figuur 63) om na te gaan of ze vrij ronddraait in de NEUTRAALSTAND.

    3. Zet de schakelhendel in de stand VOORUIT.

    4. Draai de secundaire koppeling (Figuur 63) om na te gaan of ze de achterwielen laat draaien.

    5. Zet de schakelhendel in de stand ACHTERUIT.

    6. Draai de secundaire koppeling (Figuur 63) om na te gaan of ze de achterwielen laat draaien.

    7. Als een van deze tests mislukt, ga dan verder met De neutraalstand van de schakelhendel afstellen.

    De neutraalstand van de schakelhendel afstellen

    1. Draai de contramoeren op de schakelkabel los en stel ze af zoals vereist (Figuur 57).

      g034455
    2. Test de stand van de schakelhendel door deze naar de 3 standen te draaien; controleer of de schakelhendel (Figuur 57) naar behoren schakelt wanneer u de hendel beweegt; zie Schakelhendel en schakelindicator.

    3. Controleer of alle standen naar behoren werken door de stappen in De neutraalstand van de schakelhendel controleren te herhalen.

    Onderhoud van de primaire aandrijfkoppeling

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 400 bedrijfsuren
  • Reinig de primaire aandrijfkoppeling.
  • Voorzichtig

    Het stof in de koppeling verspreidt zich hierbij door de lucht, waardoor u oogletsel kunt oplopen of bij inhalering ademhalingsproblemen kunt krijgen.

    Draag bij het uitvoeren van deze procedure oogbescherming en adembescherming.

    1. Zet de laadbak omhoog en vergrendel deze; zie De laadbak omhoog brengen in de stortstand.

    2. Verwijder de 3 bouten waarmee de kap van de koppeling is bevestigd, en haal de kap weg (Figuur 58).

      Note: Bewaar de kap en de bouten voor de montage.

      g011947
    3. Reinig de binnenkant van de kap en het binnenwerk van de koppeling grondig met perslucht.

    4. Plaats de kap van de koppeling en bevestig deze met de 3 bouten (Figuur 58) die u verwijderd hebt in 2.

    5. Laat de laadbak neer.

    De topsnelheid verminderen

    Voorzichtig

    Het stof in de koppeling verspreidt zich hierbij door de lucht, waardoor u oogletsel kunt oplopen of bij inademing ervan ademhalingsproblemen kunt krijgen.

    Draag een veiligheidsbril en een stofmasker of andere oog- en adembescherming als u deze werkzaamheden verricht.

    1. Zet de laadbak omhoog en vergrendel deze; zie De laadbak omhoogbrengen in de onderhoudsstand.

    2. Verwijder de bouten waarmee de kap van de primaire koppeling is bevestigd zoals getoond in Figuur 59.

      Important: Wees voorzichtig wanneer u de kap verwijdert; de veer staat onder spanning.

      Important: Onthoud de stand van de X op de kappen en sluitingen van de koppeling met het oog op het vervolg van de montageprocedure.

      g026341
    3. Verwijder de veer.

    4. Voeg afstandsstukken toe of verwijder deze om de topsnelheid in te stellen. Gebruik de onderstaande tabel om het aantal vereiste afstandsstukken te bepalen.

      AfstandsstukkenTopsnelheid
      2 (standaard)26 km/u (standaard)
      319 km/u
      414 km/u
      510 km/u
      66 km/u

      Important: Gebruik de machine nooit met minder dan 2 afstandsstukken op de koppeling.

    5. Plaats de veer en de kap weer terug.

      Important: Zorg ervoor dat de X op de oorspronkelijke locatie wordt teruggeplaatst.

    6. Draai de bouten vast met een torsie van 179 tot 228 N∙m.

    Onderhoud koelsysteem

    Veiligheid van het koelsysteem

    • Motorkoelvloeistof inslikken kan vergiftiging veroorzaken; buiten bereik van kinderen en huisdieren houden.

    • Als u hete, onder druk staande koelvloeistof over u heen krijgt of in aanraking komt met een hete radiateur of omliggende delen, kunt u ernstige brandwonden oplopen.

      • Laat de motor minstens 15 minuten afkoelen voordat u de radiateurdop verwijdert.

      • Gebruik een doek als u de radiateurdop verwijdert en draai de dop langzaam open om de stoom te laten ontsnappen.

    • Gebruik de machine nooit zonder dat de kappen zijn geplaatst.

    • Houd uw vingers, handen en kleding uit de buurt van draaiende ventilatoren en drijfriemen.

    • Zet de motor af en verwijder het sleuteltje voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert.

    De motorkoelingsgebieden reinigen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • Reiniging van de motorkoelingsgebieden.Reinig het koelsysteem tweemaal zo vaak in bijzondere werkomstandigheden; zie Onderhoud van de machine in bijzondere werkomstandigheden.
  • Important: Als u de motor gebruikt met een verstopt scherm, vuile of verstopte koelribben, of verwijderde uitlaatringen, leidt dit tot beschadiging van de motor als gevolg van oververhitting.

    Important: Reinig de motor nooit met een hogedrukreiniger omdat er dan water in het brandstofsysteem kan terechtkomen.

    Reinig de ingang, de koelribben en de buitenkant van de motor.

    Note: Reinig de onderdelen van de motorkoeling vaker in zeer stoffige, vuile omstandigheden.

    Onderhouden remmen

    De parkeerrem controleren

    1. Stel de parkeerrem in werking door de parkeerremhendel naar u toe te trekken tot u weerstand voelt.

    2. Als u nog geen weerstand voelt wanneer u de parkeerrem naar u toe trekt tot 11,4-16,5 cm van het P-symbool op het dashboard, dient u de parkeerrem af te stellen; zie Parkeerrem afstellen.

    Parkeerrem afstellen

    1. Zorg dat de parkeerrem uitgeschakeld is.

    2. Zet de achterkant van de machine op assteunen; raadpleeg De machine omhoog brengen.

    3. Gebruik 2 sleutels en houd met de ene de afstelstang van de klauw vast terwijl u met de andere sleutel de contramoer een kwartslag losdraait (Figuur 60).

      g034434
    4. Hou de afstelstang en de contramoer vast en draai de afstelstang in om deze te bevestigen (Figuur 60).

      Note: Blijf deze stap uitvoeren tot u weerstand voelt op het wiel.

    5. Hou de afstelstang en de contramoer vast en draai een kwartslag los (Figuur 60).

    6. Hou de afstelstang en de contramoer vast en draai de contramoer aan (Figuur 60).

    7. Voer stap 1 tot en met 6 uit voor de andere kant.

    8. Controleer of de parkeerrem is afgesteld op de juiste spanning; zie De parkeerrem controleren).

      Note: Als u de parkeerrem niet op de vereiste spanning kunt brengen, zijn de remblokken misschien versleten en zijn ze aan vervanging toe. Vraag uw erkende servicedealer om hulp.

    Remvloeistofpeil controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Remvloeistofpeil controleren.Controleer het remvloeistofpeil voordat de motor de eerste keer wordt gebruikt.
  • Remvloeistoftype: DOT 3

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Stel de parkeerrem in werking.

    3. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    4. Open de motorkap om toegang te krijgen tot de hoofdremcilinder en het reservoir (Figuur 61).

      g034314
    5. Kijk naar de omtreklijn van het vloeistofpeil aan de zijkant van het reservoir (Figuur 62).

      Note: Het peil moet hoger staan dan de Minimum-streep.

      g002136
    6. Doe het volgende als het vloeistofpeil te laag is:

      1. Reinig de omgeving van de reservoirdop en verwijder de dop (Figuur 61).

      2. Giet DOT 3 remvloeistof in het reservoir tot het vloeistofpeil boven de Minimum-lijn staat (Figuur 62).

        Note: Giet niet te veel remvloeistof in het reservoir.

      3. Plaats de dop weer op het reservoir (Figuur 61).

    7. Sluit de motorkap van de machine.

    De remmen controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 100 bedrijfsuren
  • De remmen controleren
  • De remmen zijn van essentieel belang voor een veilig gebruik van de machine. Zoals alle veiligheidsvoorzieningen moeten de remmen regelmatig grondig worden gecontroleerd om de beste prestaties te verkrijgen en er zeker van te zijn dat het voertuig veilig kan worden gebruikt.

    • Controleer de remschoenen en -blokken op slijtage en beschadiging. Als de dikte van de remvoering (remblok) minder dan 1,6 mm is, moeten de remschoenen worden vervangen.

    • De ankerplaat en andere onderdelen controleren op tekenen van overmatige slijtage of vervorming. Als een onderdeel is vervormd, moet dit door een geschikt onderdeel worden vervangen.

    • Controleer het remvloeistofpeil; zie Remvloeistofpeil controleren.

    Remvloeistof verversen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 1000 bedrijfsuren
  • Remvloeistof verversen.
  • Neem contact op met een erkende servicedealer.

    Onderhoud riemen

    Onderhoud van de drijfriem

    Drijfriem controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 8 bedrijfsuren
  • Controleer de conditie van de aandrijfriem.
  • Om de 200 bedrijfsuren
  • De conditie en de spanning van de aandrijfriem controleren.
    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Stel de parkeerrem in werking.

    3. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    4. Breng de laadbak omhoog en ondersteun deze met de steunstang; zie De laadbak omhoog brengen in de stortstand.

    5. Zet de transmissie in de NEUTRAALSTAND.

    6. Laat de riem (Figuur 63) ronddraaien en controleer deze op tekenen van overmatige slijtage of beschadigingen.

      Note: Vervang de riem als deze overmatig versleten of beschadigd is; zie Aandrijfriem vervangen.

      g034106
    7. Laat de laadbak neer.

    Aandrijfriem vervangen

    1. Zet de laadbak omhoog; zie De laadbak omhoog brengen in de stortstand.

    2. Zet de transmissie in de NEUTRAALSTAND, stel de parkeerrem in werking, draai de contactschakelaar naar de stand UIT en verwijder het sleuteltje.

    3. Laat de drijfriem over de secundaire koppeling ronddraaien (Figuur 63).

    4. Verwijder de riem van de primaire koppeling (Figuur 63).

      Note: Gooi de oude riem weg.

    5. Lijn de nieuwe riem uit op de primaire koppeling (Figuur 63).

    6. Laat de drijfriem over de secundaire koppeling ronddraaien (Figuur 63).

    7. Laat de laadbak neer.

    Riem van de dynamo van de starter afstellen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na de eerste 8 bedrijfsuren
  • Controleer de spanning van de riem van de dynamo van de starter.
  • Om de 200 bedrijfsuren
  • Controleer de spanning van de riem van de dynamo van de starter.
    1. Zet de laadbak omhoog; zie De laadbak omhoog brengen in de stortstand.

    2. Draai de ankerbout van de dynamo van de starter los (Figuur 63).

    3. Plaats een breekijzer tussen de motorsteun en de starter.

    4. Duw het breekijzer naar beneden om de starter omlaag in de sleuf te draaien tot de riem niet meer dan 6 mm doorbuigt als u een kracht van 44 N·m uitoefent (Figuur 63).

    5. Draai de ankerbout van de starter handmatig vast en verwijder het breekijzer (Figuur 63).

    6. Draai de ankerbout vast tot 88 à 115 N·m.

    7. Laat de laadbak neer.

    Onderhoud van het chassis

    De vergrendelingen van de laadbak afstellen

    Als de vergrendeling van de laadbak slecht is afgesteld, trilt de laadbak op en neer tijdens het rijden. U kunt de vergrendelstangen zodanig afstellen dat de vergrendelingen de laadbak stevig tegen het chassis houden.

    1. Controleer of de laadbak vergrendeld wordt.

      Note: Als de laadbak niet vergrendeld wordt, staat het stootvlak van de laadbakgrendel waarschijnlijk te laag. Als de laadbak vergrendeld wordt maar op en neer gaat tijdens het rijden, staat het stootvlak van de laadbakgrendel waarschijnlijk te hoog.

    2. Breng de laadbak omhoog; De laadbak omhoog brengen in de stortstand.

    3. Zet de 2 bouten op het stootvlak van de laadbakgrendel los en zet het stootvlak zoals vereist naar boven of naar beneden (Figuur 64).

      g034451
    4. Draai de 2 bouten van het stootvlak van de laadbakgrendel vast (Figuur 64).

    5. Controleer of de afstelling correct is door de laadbak enkele keren te vergrendelen.

    Reiniging

    De machine schoonmaken

    Was de machine indien nodig. Gebruik uitsluitend water of water met een mild reinigingsmiddel. U kunt een doek gebruiken om de machine schoon te maken, maar de kap gaat dan wel iets minder glanzen.

    Important: Gebruik nooit een hogedrukreiniger om de machine schoon te maken. Hogedrukreinigers kunnen het elektrische systeem beschadigen, belangrijke stickers losweken en noodzakelijk vet op wrijvingspunten wegspoelen. Gebruik niet te veel water in de buurt van het bedieningspaneel, de motor en de accu.

    Stalling

    Veiligheid tijdens opslag

    • Laat de motor afkoelen voordat u de machine stalt.

    • U mag de machine of de brandstof niet bewaren in de nabijheid van een open vuur, noch de brandstof binnenshuis aftappen.

    De machine stallen

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Stel de parkeerrem in werking.

    3. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.

    4. Verwijder het vuil en vet van het hele voertuig, inclusief de buitenkant van de koelribben van de cilinderkop en de ventilatorbehuizing.

      Important: U kunt de machine met een mild reinigingsmiddel en water wassen. Gebruik nooit een hogedrukreiniger om de machine schoon te maken. De machine reinigen met een hogedrukreiniger kan het elektrische systeem beschadigen of noodzakelijk vet op wrijvingspunten wegspoelen. Gebruik niet te veel water in de buurt van het bedieningspaneel, de verlichting, de motor en de accu.

    5. Controleer de remmen; zie De remmen controleren.

    6. Geef het luchtfilter een onderhoudsbeurt; zie Onderhoud van het luchtfilter.

    7. Smeer de machine; zie De machine smeren.

    8. Ververs de motorolie; zie Motorolie verversen.

    9. Controleer de bandenspanning; zie Bandenspanning controleren.

    10. Wanneer het voertuig langer dan 30 dagen niet wordt gebruikt, moet het brandstofsysteem als volgt worden voorbereid op stalling:

      1. Voeg een brandstofstabilizer/conditioner op aardoliebasis toe aan de brandstof in de tank.

        Important: Brandstof waaraan stabilizer/conditioner is toegevoegd, niet langer dan 90 dagen bewaren.

        Volg de mengvoorschriften van de fabrikant van de brandstofstabilizer op.

        Important: Gebruik geen brandstofstabilizer op alcoholbasis (ethanol of methanol).

        Note: Stabilizer/conditioner werkt het best als het met verse benzine wordt vermengd en altijd wordt gebruikt.

      2. Laat de motor vijf minuten lopen om de stabilizer/conditioner door het brandstofsysteem te verspreiden.

      3. Zet de motor af, wacht totdat deze is afgekoeld en laat de benzine uit de tank lopen.

        Note: U moet brandstof op de juiste wijze afvoeren. Verwerk deze volgens de plaatselijk geldende voorschriften.

      4. Start de motor opnieuw en laat deze lopen tot hij afslaat.

      5. Choke de motor.

      6. Start de motor opnieuw totdat deze niet meer start.

    11. Verwijder de bougie en controleer de toestand ervan; zie Onderhoud van de bougie.

    12. Nadat de bougies uit de cilinder zijn verwijderd, giet u twee eetlepels motorolie in de bougie-opening.

    13. Gebruik de elektrische startmotor om de motor te laten draaien en zo de olie over de cilinderwand te verspreiden.

    14. Monteer de bougie(s) en draai ze vast met de aanbevolen torsie; zie De bougie controleren en vervangen.

      Note: De bougiekabel niet op de bougie(s) drukken.

    15. Verwijder de accu van het chassis en laad de accu volledig op; raadpleeg Accu verwijderen.

      Note: U mag de accukabels niet aansluiten op de accupolen tijdens stalling.

      Important: De accu moet volledig opgeladen zijn om te voorkomen dat deze bevriest en beschadigd raakt bij temperaturen beneden 0 °C. Een volledig opgeladen accu kan ongeveer 50 dagen worden gestald bij temperaturen beneden 4 °C zonder tussentijds te worden opgeladen.

    16. Controleer alle bouten, schroeven en moeren en draai deze vast. Repareer of vervang beschadigde delen.

    17. Werk alle krassen en beschadigingen van de lak bij.

      Note: Bijwerklak is verkrijgbaar bij een erkende servicedealer.

    18. Stal de machine in een schone, droge garage of opslagruimte.

    19. Verwijder het contactsleuteltje uit de contactschakelaar en bewaar het op een veilige plaats buiten het bereik van kinderen.

    20. Dek de machine af om deze te beschermen en schoon te houden.