Met deze set kan de gebruiker de doorstroming van afzonderlijke spuitdoppen controleren tijdens het werken met een gazonspuitmachine op goed onderhouden gazons in parken en op golfbanen, sportvelden en andere commerciële terreinen. Het is een speciaal werktuig voor een gazonspuitvoertuig en is bedoeld voor gebruik door professionele bestuurders en voor commerciële toepassingen. Dit product gebruiken voor andere doeleinden dan het bedoelde gebruik kan gevaarlijk zijn voor u of voor omstanders.
Lees deze informatie zorgvuldig door, zodat u weet hoe u dit product op de juiste wijze moet gebruiken en onderhouden en om letsel en schade aan de machine te voorkomen. U bent verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van de machine.
Ga naar www.Toro.com voor documentatie over productveiligheid en bedieningsinstructies, informatie over accessoires, hulp bij het vinden van een dealer of om uw product te registreren.
Als u service, originele Toro onderdelen of aanvullende informatie nodig hebt, kunt u contact opnemen met een erkende servicedealer of met de klantenservice van Toro. U dient hierbij altijd het modelnummer en het serienummer van het product te vermelden. De locatie van het plaatje met het modelnummer en het serienummer van het product is aangegeven op Figuur 1. U kunt de nummers noteren in de ruimte hieronder.

Chemische stoffen zijn gevaarlijk en kunnen lichamelijk letsel veroorzaken.
Lees de aanwijzingen op het fabrieksetiket voordat u gaat werken met chemische stoffen, en neem alle aanbevelingen en voorzorgsmaatregelen van de fabrikant in acht.
Zorg ervoor dat uw huid niet in contact komt met chemische stoffen. Als dit toch gebeurt, moet u de desbetreffende plek grondig afspoelen met zeep en schoon water.
Draag een veiligheidsbril of andere beschermende uitrusting volgens de aanbevelingen van de fabrikant van de chemische stoffen.
Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.
Zet het tractiepedaal in de neutraalstand, of zet de transmissie in NEUTRAAL (handgeschakelde transmissie) of de PARKEERSTAND (automatische transmissie).
Stel de parkeerrem in werking.
Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact.
Wacht tot alle onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat.
Maak de spuitmachine schoon; raadpleeg het hoofdstuk De spuitmachine reinigen in de Gebruikershandleiding van de machine.
Laat de componenten van de machine afkoelen.
Koppel de minkabel los van de accu (Figuur 2).

Kantel de bestuurdersstoel naar voren.
Koppel de minkabel los van de accu (Figuur 3).

Laat de bestuurdersstoel zakken.
Benodigde onderdelen voor deze stap:
| Bal | 1 |
| Slotbout (nr. 10 x ⅞") | 3 |
| Verstevigingsplaat | 1 |
| Flensborgmoer (nr. 10) | 3 |
| Display/controller, draaiarm en draadboom | 1 |

Breng vóór de spuitmonitor een horizontale lijn aan tussen de kruiskopschroeven waarmee de kap bevestigd is (Figuur 7).

Meet 57 mm vanaf de linker kruiskopschroef, langs de lijn die u aangebracht hebt in stap 1, en breng een verticale lijn van 50 mm aan op de kap; zie Figuur 7.
Meet 10 mm vanaf de lijn die u aangebracht hebt in stap 1 en breng een horizontale lijn aan op de kap; zie Figuur 7.
Boor waar de lijnen elkaar kruisen een gat van 4 mm in de kap (Figuur 8).

Lijn de opening in de bal uit met de opening in de kap, en breng een slotbout (nr. 10 x ⅞") aan zoals in Figuur 8.
Lijn de opening in de bal uit met de verticale lijn en gebruik de bal als sjabloon om een opening van 4 mm te boren in de kap (Figuur 8).
Lijn de opening in de bal uit met de opening in de kap, en breng nog een slotbout (nr. 10 x ⅞") aan.
Gebruik de bal als sjabloon om een gat van 4 mm in de kap te boren (Figuur 8).
Verwijder de bal en de slotbouten van de kap.
Monteer de 3 slotbouten in de vierkante opening van de verstevigingsplaat; zie Figuur 9.

Monteer de slotbouten en de verstevigingsplaat op de openingen in de kap (Figuur 9).
Monteer de bal op de slotbouten en bevestig de bal met 3 flensborgmoeren (nr. 10) aan de kap (Figuur 9).
Monteer de draaiarm van het display/de controller op de bal, en draai de vleugelschroef van de arm aan (Figuur 10).

Verwijder de 6 flenskopschroeven waarmee het bedieningspaneel bevestigd is aan de bedieningseenheid, en verwijder het paneel zodat u bij de bedieningseenheid kunt (Figuur 11).

Breng een horizontale lijn aan langs de zijkant van de bedieningseenheid; zie Figuur 12.

Meet 47 mm vanaf de hoek van de bedieningseenheid en langs de lijn die u aangebracht hebt in stap 1, en breng een verticale lijn van 50 mm aan op de bedieningseenheid; zie Figuur 13.

Lijn de openingen in de bal uit met de lijnen die u aangebracht hebt in stap 1 en 2; zie Figuur 14.

Gebruik de bal als sjabloon om de opening te markeren op de verticale lijn; zie Figuur 14.
Boor aan de markering die u aangebracht hebt in stap 4 een opening van 4 mm in de zijkant van de bedieningseenheid (Figuur 14).
Lijn de opening in de bal uit met de opening in de bedieningseenheid, en breng een slotbout (nr. 10 x ⅞") aan zoals in Figuur 15.

Lijn de openingen in de bal uit met de verticale lijn en gebruik de bal als sjabloon om een opening van 4 mm te boren in de bedieningseenheid (Figuur 15).
Lijn de opening in de bal uit met de opening in de bedieningseenheid en breng nog een slotbout (nr. 10 x ⅞") aan.
Gebruik de bal als sjabloon om een gat van 4 mm in de bedieningseenheid te boren (Figuur 15).
Verwijder de bal en de slotbouten van de bedieningseenheid.
Monteer de 3 slotbouten in de vierkante opening van de verstevigingsplaat; zie Figuur 16.

Monteer de slotbouten en de verstevigingsplaat op de openingen in de bedieningseenheid (Figuur 16).
Monteer de bal op de slotbouten en bevestig de bal met 3 flensborgmoeren (nr. 10) aan de bedieningseenheid (Figuur 16).
Lijn de openingen in het bedieningspaneel uit met de openingen in de bedieningseenheid (Figuur 17).

Bevestig het paneel op de bedieningseenheid; gebruik hierbij de 6 flenskopschroeven (Figuur 17) die u verwijderd hebt stap Toegang tot de bedieningseenheid.
Monteer de draaiarm van het display/de controller op de bal, en draai de vleugelschroef van de arm aan (Figuur 18).


Meet aan de rechterkant van de spuitmonitor 42 mm naar voren vanaf de kromming in het dashboard, en breng een horizontale lijn aan op het dashboard; zie Figuur 20.

Meet vanaf de kruiskopschroef 104 mm naar links en breng een verticale lijn van 50 mm aan op het dashboard; zie Figuur 20.
Boor waar de lijnen elkaar kruisen een gat van 4 mm in het dashboard (Figuur 20).
Lijn de opening in de bal uit met de opening in het dashboard, en breng een slotbout (nr. 10 x ⅞") aan zoals in Figuur 21.

Lijn de opening in de bal uit met de verticale lijn en gebruik de bal als sjabloon om met een boor van 6 mm een opening te boren in het dashboard (Figuur 21).
Lijn de opening in de bal uit met de opening in het dashboard, en breng nog een slotbout (nr. 10 x ⅞") aan.
Gebruik de bal als sjabloon om een gat van 4 mm in het dashboard te boren (Figuur 21).
Verwijder de bal en de slotbouten van het dashboard.
Monteer de 3 slotbouten in de vierkante opening van de verstevigingsplaat; zie Figuur 22.

Monteer de slotbouten en de verstevigingsplaat op de openingen in het dashboard (Figuur 22).
Monteer de bal op de slotbouten en bevestig de bal met 3 flensborgmoeren (nr. 10) aan het dashboard (Figuur 22).
Monteer de draaiarm van het display/de controller op de bal, en draai de vleugelschroef van de arm aan (Figuur 23).

Breng boven de brandstofmeter een horizontale lijn aan tussen de kruiskopschroeven waarmee het dashboard is bevestigd; zie Figuur 24.

Meet 64 mm vanaf de rechter kruiskopschroef, langs de lijn die u aangebracht hebt in stap 1, en breng een verticale lijn van 50 mm aan op het dashboard; zie Figuur 24.
Lijn de bal uit met het dashboard en lijn de 2 verticale openingen van de bal uit met de verticale lijn (Figuur 25) die u aangebracht hebt in stap 2 van De locatie van de opening markeren.

Gebruik de bal als sjabloon om een gat van 4 mm te boren bovenaan in het dashboard; zie Figuur 25.
Lijn de opening in de bal uit met de opening in het dashboard, en breng een slotbout (nr. 10 x ⅞") aan zoals in Figuur 26.

Lijn de opening in de bal uit met de verticale lijn en gebruik de bal als sjabloon om een opening van 4 mm te boren in het dashboard (Figuur 26).
Breng nog een slotbout (nr. 10 x ⅞") aan in de openingen in de bal en het dashboard.
Gebruik de bal als sjabloon om een gat van 4 mm in het dashboard te boren (Figuur 26).
Verwijder de bal en de slotbouten van het dashboard.
Monteer de 3 slotbouten in de vierkante opening van de verstevigingsplaat; zie Figuur 27.

Monteer de slotbouten en de verstevigingsplaat op de openingen in het dashboard (Figuur 27).
Monteer de bal op de slotbouten en bevestig de bal met 3 flensborgmoeren (nr. 10) aan het dashboard (Figuur 27).
Monteer de draaiarm van het display/de controller op de bal, en draai de vleugelschroef van de arm aan (Figuur 28).


Verwijder de 4 flenskopschroeven waarmee het bedieningspaneel bevestigd is aan de bedieningseenheid, en verwijder het paneel zodat u bij de bedieningseenheid kunt (Figuur 30).

Breng een horizontale lijn aan langs de zijkant van de bedieningseenheid; zie Figuur 31.

Breng een parallelle lijn van 30 mm aan vanaf het oppervlak van de bedieningseenheid; zie Figuur 31.
Breng een verticale snijlijn van 65 mm aan vanaf het oppervlak van de bedieningseenheid; zie Figuur 31.
Note: Zorg dat de lijn de andere lijn die u aangebracht hebt in stap 1 kruist.
Boor op het kruispunt van de lijnen die u aangebracht hebt in stap 1 en 3 een opening van 4 mm in de bedieningseenheid (Figuur 32).

Lijn de opening in de bal uit met de opening in de bedieningseenheid, en breng een slotbout (nr. 10 x ⅞") aan zoals in Figuur 32.
Lijn de bovenste opening in de bal uit met de lijn die u aangebracht hebt in stap 2 en gebruik de bal als sjabloon om een opening van 4 mm te boren in de bedieningseenheid (Figuur 32).
Lijn de opening in de bal uit met de opening in de bedieningseenheid en breng nog een slotbout (nr. 10 x ⅞") aan.
Gebruik de bal als sjabloon om een gat van 4 mm in de bedieningseenheid te boren (Figuur 33).
Verwijder de bal en de slotbouten van de bedieningseenheid.
Monteer de 3 slotbouten in de vierkante opening van de verstevigingsplaat; zie Figuur 33.

Monteer de slotbouten en de verstevigingsplaat op de openingen in de bedieningseenheid (Figuur 33).
Monteer de bal op de slotbouten en bevestig de bal met 3 flensborgmoeren (nr. 10) aan de bedieningseenheid (Figuur 33).
Lijn de openingen in het bedieningspaneel uit met de openingen in de bedieningseenheid (Figuur 34).

Bevestig het paneel op de bedieningseenheid; gebruik hierbij de 4 flenskopschroeven (Figuur 34) die u verwijderd hebt in stap Toegang tot de bedieningseenheid.
Monteer de draaiarm van het display/de controller op de bal, en draai de vleugelschroef van de arm aan (Figuur 35).


Zet de 2 sluitingen open waarmee het schakelpaneel van de spuitbedieningseenheid bevestigd is en open het paneel (Figuur 37).

Boor een opening van 6 mm op het kruispunt van de markeringen (Figuur 39) die u aangebracht hebt in stap 1 en 2.

Lijn de opening in de bal uit met de opening in de bedieningseenheid, en breng een slotbout (nr. 10 x ⅞") aan zoals in Figuur 40.

Centreer de bal en gebruik deze als sjabloon om een gat van 4 mm in de bedieningseenheid te boren (Figuur 40).
Lijn de opening in de bal uit met de opening in de bedieningseenheid en breng nog een slotbout (nr. 10 x ⅞") aan.
Gebruik de bal als sjabloon om een gat van 4 mm in de bedieningseenheid te boren (Figuur 40).
Verwijder de bal en de slotbouten van de bedieningseenheid.
Monteer de 3 slotbouten in de vierkante opening van de verstevigingsplaat; zie Figuur 41.

Monteer de slotbouten en de verstevigingsplaat op de openingen in de bedieningseenheid (Figuur 41).
Monteer de bal op de slotbouten en bevestig de bal met 3 flensborgmoeren (nr. 10) aan de bedieningseenheid (Figuur 41).
Sluit het schakelpaneel van de spuitbedieningseenheid en bevestig het paneel met de 2 sluitingen (Figuur 42).

Monteer de draaiarm van het display/de controller op de bal, en draai de vleugelschroef van de arm aan (Figuur 43).

Benodigde onderdelen voor deze stap:
| Zekering (10 A) | 2 |
| Kabelbinder | |
| Zwarte kabelboom |
Leid de meegeleverde voorste kabelboom door de pakkingring in het dashboard en de pakkingring in de vloer van de machine (Figuur 45).

Bevestig de kabelboom met kabelbinders aan de arm van het display/de controller en het kanaal onder het dashboard (Figuur 45).
Note: Zorg dat de kabelboom slap hangt zodat de gebruiker van de machine het display/de controller kan verstellen.
Leid onderaan de machine de voorste kabelboom door de 3 slangbeschermingen (Figuur 45).
Leid de ringconnector en de vrouwelijke contacten door de opening in de dwarsstang; zie Figuur 45.

Leid de ringconnector en de vrouwelijke contacten naar de zekeringhouder en het aardingsblok (Figuur 46).

Leid aan de rechterkant van de spuittank de voorste kabelboom naar achteren langs de kabelboom voor de spuitmachine (Figuur 47).

Leid de connector met 12 contacten voor de voorste kabelboom naar de voorzijde van de middelste spuitboom, nabij de inschakeleenheid voor de rechterspuitboom (Figuur 47).
Bevestig de voorste kabelboom met kabelbinders aan de kabelboom van de spuitmachine.
Leid de meegeleverde voorste kabelboom die bevestigd is aan het display/de controller langs de draaiarm en onder de bedieningseenheid van de machine (Figuur 48).

Bevestig de kabelboom met een kabelbinder aan de arm.
Note: Zorg dat de kabelboom slap hangt zodat de gebruiker van de machine het display/de controller kan verstellen.
Aan de steunbuis van de schokdemper leidt u de voorste kabelboom naar links, langs de spuitkabelboom van de machine (Figuur 49).

Leid de ringconnector en de vrouwelijke contacten naar de zekeringhouder en het aardingsblok (Figuur 50).

Leid de voorste kabelboom langs de linker bovenste framebuis naar achteren, langs de kabelboom van de spuitmachine (Figuur 51).

Leid links onderaan de machine de voorste kabelboom naar achteren, langs de kabelboom van de spuitmachine (Figuur 52).


Leid de connector met 12 contacten voor de voorste kabelboom naar de spuitboomliftklep (Figuur 53).

Bevestig de voorste kabelboom met kabelbinders aan de kabelboom van de spuitmachine.
Leid de voorste kabelboom uit de set langs de arm van het display/de controller, en naar beneden langs de steunbuis van de spuitbediening (Figuur 54).

Bevestig de kabelboom met een kabelbinder aan de arm.
Note: Zorg dat de kabelboom slap hangt zodat de gebruiker van de machine het display/de controller kan verstellen.
Leid de voorste kabelboom langs de kabelboom voor de spuitmachine, en bevestig de kabelbomen met een kabelbinder aan de steunbuis (Figuur 55).

Leid de ringconnector en de vrouwelijke contacten naar de zekeringhouder en het aardingsblok (Figuur 55).
Leid aan de middelste bedieningseenheid de voorste kabelboom langs de kabelboom van de spuitmachine, en lijn de voorste kabelboom uit binnen de steunklemmen (Figuur 56).

Bevestig de voorste kabelboom en de kabelboom van de spuitmachine met 2 kabelbinders.
Leid de voorste kabelboom aan de linkerkant van de spuittank naar achteren, langs de kabelboom van de spuitmachine (Figuur 57).

Leid de connector met 12 contacten voor de voorste kabelboom langs de voorzijde van de middelste spuitboom, naar de rechter inschakeleenheid voor de spuitboomlift (Figuur 58).

Bevestig de voorste kabelboom met kabelbinders aan de kabelboom van de spuitmachine.
Leid de voorste kabelboom omlaag en over de bedieningseenheid van de spuitmachine (Figuur 59).

Bevestig de kabelboom met een kabelbinder aan de arm.
Note: Zorg dat de kabelboom slap hangt zodat de gebruiker van de machine het display/de controller kan verstellen.
Leid de voorste kabelboom naar achteren, langs de kabelboom van de spuitmachine (Figuur 60).

Leid de ringconnector en de vrouwelijke contacten naar de zekeringhouder en het aardingsblok (Figuur 61).

Leid aan de middelste bedieningseenheid de voorste kabelboom langs de kabelboom van de spuitmachine, en lijn de voorste kabelboom uit binnen de steunklemmen (Figuur 62).

Bevestig de voorste kabelboom en de kabelboom van de spuitmachine met 2 kabelbinders.
Leid aan de rechterkant van de spuittank de voorste kabelboom naar achteren langs de kabelboom voor de spuitmachine (Figuur 63).

Lijn de voorste kabelboom uit in de klem die de kabelboom van de spuitmachine ondersteunt.
Leid de voorste kabelboom langs de kabelboom naar de middelste spuitboom (Figuur 64).

Leid de connector met 12 contacten voor de voorste kabelboom naar de spuitboomliftklep (Figuur 65).

Bevestig de voorste kabelboom met kabelbinders aan de kabelboom van de spuitmachine.
Leid de voorste kabelboom door de pakkingring in het dashboard (Figuur 66).

Bevestig de kabelboom met een kabelbinder aan de arm.
Note: Zorg dat de kabelboom slap hangt zodat de gebruiker van de machine het display/de controller kan verstellen.
Leid de voorste kabelboom langs de kabelboom van de machine en door de pakkingring op de vloer (Figuur 67).

Bevestig de kabelbomen met een kabelbinder aan de hydraulische slangen (Figuur 67).
Verwijder het voorste hittescherm en het scherm van het onderstel; raadpleeg de Gebruikershandleiding.
Leid de voorste kabelboom die bij de set geleverd werd langs de arm van het display/de controller, en over het dashboard (Figuur 68).

Bevestig de kabelboom met een kabelbinder aan de arm.
Note: Zorg dat de kabelboom slap hangt zodat de gebruiker van de machine het display/de controller kan verstellen.
Leid de voorste kabelboom langs de kabelboom van de machine en door de pakkingring op de vloer (Figuur 69).

Verwijder het voorste hittescherm en het scherm van het onderstel (indien aanwezig); raadpleeg de Gebruikershandleiding.
Leid de voorste kabelboom door de pakkingring in het dashboard (Figuur 70).

Bevestig de kabelboom met een kabelbinder aan de arm.
Note: Zorg dat de kabelboom slap hangt zodat de gebruiker van de machine het display/de controller kan verstellen.
Leid de voorste kabelboom langs de kabelboom van de machine en door de pakkingring op de vloer (Figuur 70).
Bevestig de kabelbomen met een kabelbinder aan de hydraulische slangen (Figuur 70).
Bevestig de kabelbomen met een kabelbinder aan de hydraulische slangen (Figuur 71).

Leid bij het motorcompartiment de aftakking van de voorste kabelboom met het vrouwelijke contact en de ringconnector naar boven en langs de kabelboom van de machine (Figuur 72).

Leid de voorste kabelboom onder de middelste bedieningseenheid, en achterwaarts naar de zekeringhouder en het aardingsblok (Figuur 73).

Leid de voorste kabelboom aan het rechter framekanaal langs de kabelboom van de machine (Figuur 74).

Bevestig de voorste kabelboom met kabelbinders aan de kabelboom van de machine.
Leid de voorste kabelboom naar de middelste spuitboom (Figuur 75 en Figuur 76).


Monteer het voorste hittescherm en het scherm van het onderstel (indien aanwezig); raadpleeg de Gebruikershandleiding.
Sluit de platte connector van de zekeringhouder met aanduiding OPTIONS POWER (vermogen opties) aan op het vrouwelijk contact van de voorste kabelboom van de set (Figuur 77).

Verwijder de aansluitingsschroef van het aardingsblok (Figuur 78).

Bevestig de ringconnector van de voorste kabelboom met de aansluitingsschroef aan het aardingsblok (Figuur 78).
Breng de zekering (10 A) aan in de opening voor het optioneel vermogencircuit (Figuur 79).

Verwijder aan het buitenste spuitboomgedeelte de 2 slangklemmen waarmee de spuitdopslangen aan de T-slangpilaar zijn bevestigd, en verwijder de fitting van de slangen; zie Figuur 80.

Herhaal stap 1 aan het andere buitenste spuitboomgedeelte.
Verwijder aan de voorzijde van het middelste spuitboomgedeelte de 2 slangklemmen waarmee de spuitdopslangen aan de T-slangpilaar zijn bevestigd, en verwijder de fitting van de slangen; zie Figuur 81.

Snij de spuitslangen van de buitenste en middelste spuitboomsecties; zie Figuur 83 en Figuur 84.


Verwijder de borgmoeren waarmee de 11 of 12 spuitdophouders aan de buitenste en middelste spuitboomsecties zijn bevestigd, en verwijder de spuitdophouders en -slangen van de machine (Figuur 85).
Note: Bewaar de borgmoeren voor montage in De vloeistofstroommeters en spuitdophouders monteren op de spuitboomgedeelten.

Verwijder de schroef waarmee de zitting van de spuitdophouder bevestigd is, en open de zitting (Figuur 86).
Note: Hou de bout en de zitting samen.

Verwijder de dubbele of enkele slangpilaar en de aangekoppelde slang(en) zoals getoond in Figuur 86.
Note: U hebt de slangpilaar en de aangekoppelde slang(en) niet meer nodig.
Herhaal stap 1 en 2 voor de andere spuitdophouders.
Bewaar de spuitdophouders en bouten voor montage in De vloeistofstroommeters en spuitdophouders monteren op de spuitboomgedeelten. U hebt de slangpilaren en de slangen niet meer nodig.
Benodigde onderdelen voor deze stap:
| Vloeistofstroommeter – machines met 11 of 12 spuitdoppen | 11 |
| Vloeistofstroommeter – machines met 12 spuitdoppen | 1 |
| Snelkoppeldop en borgclip – machines met 11 of 12 spuitdoppen | 6 |
| Rechte geribde snelkoppelfitting en borgclip – machines met 11 of 12 spuitdoppen | 14 |
| Rechte geribde snelkoppelfitting en borgclip – machines met 12 spuitdoppen | 2 |
| Geribde snelkoppelfitting 90° – machines met 11 of 12 spuitdoppen | 2 |
| Slangklem – machines met 11 of 12 spuitdoppen | 13 |
| Slangklem – machines met 12 spuitdoppen | 3 |
| Slang (38 cm) – machines met 11 of 12 spuitdoppen | 4 |
| Slang (20 cm) – machines met 12 spuitdoppen | 2 |
| Slang (17 cm) – machines met 11 of 12 spuitdoppen | 4 |
| Voorgevormde slang – machines met 11 of 12 spuitdoppen | 2 |


Important: Smeer de O-ringen met het siliconenvet dat is meegeleverd met deze set voordat u de snelkoppelfittings monteert.
Gebruik een slangklem om de rechte geribde snelkoppelfitting en een slang (38 cm) te monteren; zie Figuur 89.

Monteer de snelkoppeldop en de rechte geribde snelkoppelfitting op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 89).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar rechts.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 89).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Gebruik een slangklem om de rechte geribde snelkoppelfitting op een slang (38 cm) te monteren; zie Figuur 90.

Monteer de 2 rechte geribde snelkoppelfittings op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 90).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar rechts.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 90).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Monteer de vloeistofstroommeter en spuitdophouders L1 en L2 met een slangklem; zie Figuur 91.

Gebruik een stukje tape om de vloeistofstroommeter en de spuitdophouder L1 EN L2 te markeren.
Important: Smeer de O-ringen met het siliconenvet dat is meegeleverd met deze set voordat u de snelkoppelfittings monteert.
Gebruik een slangklem om de rechte geribde snelkoppelfitting op een slang (17 cm) te monteren; zie Figuur 92.

Monteer de 2 rechte geribde snelkoppelfittings op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 92).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar rechts.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 92).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Gebruik een stukje tape om de vloeistofstroommeter en de spuitdophouder L3 te markeren.
Gebruik een slangklem om de rechte geribde snelkoppelfitting op een slang (17 cm) te monteren; zie Figuur 93.

Monteer de snelkoppeldop en de rechte geribde snelkoppelfitting op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 93).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar links.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 93).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Gebruik een stukje tape om de vloeistofstroommeter en de spuitdophouder L4 te markeren.
Important: Smeer de O-ringen met het siliconenvet dat is meegeleverd met deze set voordat u de snelkoppelfittings monteert.
Gebruik een slangklem om een geribde snelkoppelfitting van 90° op een voorgevormde slang te monteren; zie Figuur 94.

Monteer de snelkoppeldop en de geribde snelkoppelfitting van 90° op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 94).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar links.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 94).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Gebruik een stukje tape om de vloeistofstroommeter en de spuitdophouder C1 te markeren.
Important: Smeer de O-ringen met het siliconenvet dat is meegeleverd met deze set voordat u de snelkoppelfittings monteert.
Gebruik een slangklem om de rechte geribde snelkoppelfitting op een slang (76 mm) te monteren; zie Figuur 95.

Monteer de 2 rechte geribde snelkoppelfittings op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 148).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar rechts.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 95).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Gebruik een slangklem om een geribde snelkoppelfitting van 90° op een voorgevormde slang te monteren (Figuur 96).

Monteer de snelkoppeldop en de geribde snelkoppelfitting van 90° op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 96).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar links.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 96).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Monteer de vloeistofstroommeter en spuitdophouders C2 en C3 met een slangklem; zie Figuur 97.

Gebruik een stukje tape om de vloeistofstroommeter en de spuitdophouder C2 EN C3 te markeren.
Important: Smeer de O-ringen met het siliconenvet dat is meegeleverd met deze set voordat u de snelkoppelfittings monteert.
Monteer een geribde snelkoppelfitting van 90° en een rechte geribde fitting op de voorgevormde slang; gebruik hierbij 2 slangklemmen (Figuur 98).

Monteer de snelkoppeldop en de rechte geribde snelkoppelfitting op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 98).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar rechts.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 98).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Gebruik een slangklem om de rechte geribde snelkoppelfitting op een slang (20 cm) te monteren; zie Figuur 99.

Monteer de rechte geribde snelkoppelfittings op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij een borgclip (zie Figuur 99).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar links.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 99).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Monteer de vloeistofstroommeter en spuitdophouders C1 en C2 met een borgclip voor de snelkoppelfitting; zie Figuur 100.

Gebruik een stukje tape om de vloeistofstroommeter en de spuitdophouder C1 EN C2 te markeren.
Important: Smeer de O-ringen met het siliconenvet dat is meegeleverd met deze set voordat u de snelkoppelfittings monteert.
Gebruik een slangklem om de rechte geribde snelkoppelfitting op een slang (20 cm) te monteren; zie Figuur 101.

Monteer de rechte geribde snelkoppelfittings op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij een borgclip (zie Figuur 101).
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 101).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Monteer een geribde snelkoppelfitting van 90° en een rechte geribde fitting op de voorgevormde slang; gebruik hierbij 2 slangklemmen (Figuur 102).

Monteer de snelkoppeldop en de rechte geribde snelkoppelfitting op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 102).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar links.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 102).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Monteer de vloeistofstroommeter en spuitdophouders C3 en C4 met een borgclip voor de snelkoppelfitting; zie Figuur 103.

Gebruik een stukje tape om de vloeistofstroommeter en de spuitdophouder C3 EN C4 te markeren.
Important: Smeer de O-ringen met het siliconenvet dat is meegeleverd met deze set voordat u de snelkoppelfittings monteert.
Gebruik een slangklem om de rechte geribde snelkoppelfitting op een slang (17 cm) te monteren; zie Figuur 104.

Monteer de snelkoppeldop en de rechte geribde snelkoppelfitting op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 104).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar rechts.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 104).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Gebruik een stukje tape om de vloeistofstroommeter en de spuitdophouder R1 te markeren.
Gebruik een slangklem om de rechte geribde snelkoppelfitting op een slang (17 cm) te monteren; zie Figuur 105.

Monteer de 2 rechte geribde snelkoppelfittings op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 105).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar links.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 104).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Gebruik een stukje tape om de vloeistofstroommeter en de spuitdophouder R2 te markeren.
Important: Smeer de O-ringen met het siliconenvet dat is meegeleverd met deze set voordat u de snelkoppelfittings monteert.
Gebruik een slangklem om de rechte geribde snelkoppelfitting op een slang (38 cm) te monteren; zie Figuur 106.

Monteer de 2 rechte geribde snelkoppelfittings op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 106).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar rechts.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 106).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Gebruik een slangklem om de rechte geribde snelkoppelfitting op een slang (38 cm) te monteren; zie Figuur 107.

Monteer de snelkoppeldop en de rechte geribde snelkoppelfitting op de vloeistofstroommeter; gebruik hierbij 2 borgclips (zie Figuur 107).
Note: Richt de sensor van de vloeistofstroommeter naar links.
Monteer de vloeistofstroommeter op een spuitdophouder; gebruik hierbij de schroef die u verwijderd hebt in De slangpilaar en slangen van de spuitdophouders verwijderen. (zie Figuur 107).
Important: Zorg dat de O-ring op de verbindingsbuis gemonteerd wordt. Lijn de opening van 10 mm in de behuizing van de vloeistofstroommeter voorzichtig uit met de verbindingsbuis van de behuizing van de houder.
Monteer de vloeistofstroommeter en spuitdophouders R3 en R4 met een slangklem; zie Figuur 108.

Gebruik een stukje tape om de vloeistofstroommeter en de spuitdophouder 10 en 11 te markeren.
Benodigde onderdelen voor deze stap:
| Slangklem | 6 |
Monteer aan de buitenkant van de linkerspuitboom de slang van vloeistofstroommeter/spuitdophouders L1 en L2 door de buitenste ring op het frame (Figuur 109).

Lijn de bouten van de framezitting uit door de openingen in de spuitdopsteunen, en bevestig de vloeistofstroommeter/spuitdophouders aan de steunen (Figuur 109); gebruik hierbij 2 flensborgmoeren (5/16").
Breng de vloeistofstroommeter/spuitdophouder L3 aan door de binnenste pakkingring van het frame (Figuur 110).

Koppel de slang aan de binnenzijde van spuitdop/vloeistofstroommeter L2 aan op de rechte slangpilaar van spuitdop/vloeistofstroommeter L3, en bevestig de slang aan de fitting met een slangklem (Figuur 110).
Monteer de T-slangpilaar voor de toevoerslang van het linkerspuitboomgedeelte in de korte slang van vloeistofstroommeter/spuitdophouder L3; gebruik hierbij een slangklem (Figuur 110).
Lijn de bout van de framezitting uit door de openingen in de spuitdopsteun, en bevestig de vloeistofstroommeter/spuitdophouder aan de steun (Figuur 110); gebruik hierbij een flensborgmoer (5/16").
Koppel de slang van vloeistofstroommeter/spuitdophouder L4 aan op de T-slangpilaar van de toevoerslang van het linkerspuitboomgedeelte; gebruik hierbij een slangklem (Figuur 111).

Lijn de bout van de framezitting uit door de openingen in de spuitdopsteun, en bevestig de vloeistofstroommeter/spuitdophouder aan de steun (Figuur 111); gebruik hierbij een flensborgmoer (5/16").
Monteer aan het linkeruiteinde van de middelste spuitboom de vloeistofstroommeter/spuitdophouder C1 op het frame; zie Figuur 112.

Lijn de bout van de framezitting uit door de openingen in de spuitdopsteun, en bevestig de vloeistofstroommeter/spuitdophouder aan de steun (Figuur 112); gebruik hierbij een flensborgmoer (5/16").
Monteer de geribde T-fitting voor de toevoerslang van het middelste spuitboomgedeelte in de voorgevormde slang van vloeistofstroommeter/spuitdophouder C1; gebruik hierbij een slangklem (Figuur 112).
Lijn de vloeistofstroommeter/spuitdophouder die u gemarkeerd hebt als vloeistofstroommeter/spuitdophouder C2 en C3 uit met de middelste spuitboom; zie Figuur 113.

Koppel de geribde T-fitting voor de toevoerslang van het middelste spuitboomgedeelte aan op de korte slang aan de binnenzijde van vloeistofstroommeter/spuitdophouder C2; gebruik hierbij een slangklem (Figuur 113).
Lijn de bouten van de framezitting uit door de openingen in de spuitdopsteunen, en bevestig de spuitdop/vloeistofstroommeter aan de steunen (Figuur 113); gebruik hierbij 2 flensborgmoeren (5/16").
Monteer aan de middelste spuitboom de vloeistofstroommeter/spuitdophouders C1 en C2 tussen de buisverstevigers van het frame (Figuur 114).

Lijn de bouten van de framezitting uit door de openingen in de spuitdopsteunen, en bevestig de spuitdop/vloeistofstroommeter aan de steunen (Figuur 114); gebruik hierbij 2 flensborgmoeren (5/16").
Monteer de geribde T-fitting voor de toevoerslang van het middelste spuitboomgedeelte in de voorgevormde slang van vloeistofstroommeter/spuitdophouder C2; gebruik hierbij een slangklem (Figuur 112).
Monteer de vloeistofstroommeter/spuitdophouders C3 en C4 tussen de buisverstevigers van het frame (Figuur 115).

Lijn de bouten van de framezitting uit door de openingen in de spuitdopsteunen, en bevestig de spuitdop/vloeistofstroommeter aan de steunen (Figuur 115); gebruik hierbij 2 flensborgmoeren (5/16").
Monteer de geribde T-fitting voor de toevoerslang van het middelste spuitboomgedeelte in de korte slang van vloeistofstroommeter/spuitdophouders C3; gebruik hierbij een slangklem (Figuur 115).
Breng aan de buitenzijde van de rechterspuitboom de spuitdop/vloeistofstroommeter posities 10 en 11 aan door de buitenste pakkingring van het frame (Figuur 116).

Lijn de bouten van de framezitting uit door de openingen in de spuitdopsteunen, en bevestig de spuitdop/vloeistofstroommeter aan de steunen (Figuur 116); gebruik hierbij 2 flensborgmoeren (5/16").
Breng de slang van vloeistofstroommeter/spuitdophouder R2 aan door de binnenste pakkingring van het frame (Figuur 117).

Koppel de slang aan de binnenzijde van vloeistofstroommeter/spuitdophouder R3 aan op de rechte geribde fitting van vloeistofstroommeter/spuitdophouder R2, en bevestig de slang aan de fitting met een slangklem (Figuur 117).
Lijn de geribde T-fitting voor de toevoerslang van de rechter spuitboom uit achter de bovenste framebuis van de rechter spuitboom; zie Figuur 117.
Monteer de geribde T-fitting voor de toevoerslang van het rechter spuitboomgedeelte in de korte slang van vloeistofstroommeter/spuitdophouder R2; gebruik hierbij een slangklem (Figuur 117).
Lijn de bout van de framezitting uit door de openingen in de spuitdopsteun, en bevestig de spuitdop/vloeistofstroommeter aan de steun (Figuur 117); gebruik hierbij een flensborgmoer (5/16").
Koppel de slang van vloeistofstroommeter/spuitdophouder R1 aan op de T-slangpilaar van de toevoerslang van het rechterspuitboomgedeelte; gebruik hierbij een slangklem (Figuur 118).

Lijn de bout van de framezitting uit door de openingen in de spuitdopsteun, en bevestig de spuitdop/vloeistofstroommeter aan de steun (Figuur 118); gebruik hierbij een flensborgmoer (5/16").
Benodigde onderdelen voor deze stap:
| Achterste kabelboom – links (L1, L2, L3 en L4). | 1 |
| Achterste kabelboom – midden (center) (C1, C2, C3 en C4). | 1 |
| Achterste kabelboom – rechts (R1, R2, R3 en R4). | 1 |
| Kabelbinder | 21 |
Lijn de achterste kabelboom links, midden en rechts uit met de linker-, middelste en rechterspuitboom zoals getoond in Figuur 119.

Zorg dat de connectors met 12 contacten van de achterste kabelboom links, midden en rechts uitgelijnd zijn aan de voorzijde van de middelste spuitboom, rechts van de spuitboomliftklep (Figuur 120).



Leid de achterste kabelboom aangeduid met CENTER onderaan langs de voorzijde van het frame van de middelste spuitboom (Figuur 121 of Figuur 122).
Sluit de connector C1 van de achterste kabelboom aan op connector C1 van de vloeistofstroommeter (Figuur 121 of Figuur 122, en Figuur 123).

Sluit de connector C2 van de achterste kabelboom aan op connector C2 van de vloeistofstroommeter (Figuur 121 of Figuur 122, en Figuur 123).
Sluit de connector C3 van de achterste kabelboom aan op connector C3 van de vloeistofstroommeter (Figuur 121 of Figuur 122, en Figuur 123).
Voor machines met 12 spuitdoppen dient u de dop van connector C4 van de achterste kabelboom te verwijderen en deze aan te brengen op connector C4 van de vloeistofstroommeter (Figuur 122 en Figuur 123).
Bevestig de achterste kabelboom aan het frame van de middelste spuitboom; gebruik hierbij 7 kabelbinders.
Leid de achterste kabelboom met aanduiding LEFT door de R-klem, langs de slang van de spuitboom, en naar buiten langs de onderzijde vooraan het frame van de linkerspuitboom (Figuur 124 en Figuur 125).

Sluit connector L1 van de achterste kabelboom aan op connector L1 van de vloeistofstroommeter (Figuur 125 en Figuur 126).


Sluit connector L2 van de achterste kabelboom aan op connector L2 van de vloeistofstroommeter (Figuur 125 en Figuur 126).
Sluit connector L3 van de achterste kabelboom aan op connector L3 van de vloeistofstroommeter (Figuur 125 en Figuur 126).
Sluit connector L4 van de achterste kabelboom aan op connector L4 van de vloeistofstroommeter (Figuur 125 en Figuur 126).
Begin bij kabelboomconnector L1 en bevestig de achterste kabelboom aan de 3 buisbeugels en 4 spuitdopsteunen van het frame van de spuitboomsectie; gebruik hiervoor 7 kabelbinders zoals getoond in Figuur 127.
Important: Zorg ervoor dat de elektrische connectors voor de vloeistofstroommeters en de achterste kabelboom zijn bevestigd aan de buisbeugels en spuitdopbeugels.

Bevestig de achterste kabelboom met kabelbinders aan de toevoerslang van de spuitboomsectie (Figuur 124).
Leid de achterste kabelboom met aanduiding RIGHT door de R-klem, langs de slang van de spuitboom, en naar buiten langs de onderzijde vooraan het frame van de rechterspuitboom (Figuur 128).

Sluit connector R4 van de achterste kabelboom aan op connector R4 van de vloeistofstroommeter (Figuur 129 en Figuur 130).


Sluit connector R3 van de achterste kabelboom aan op connector R3 van de vloeistofstroommeter (Figuur 129 en Figuur 130).
Sluit connector R2 van de achterste kabelboom aan op connector R2 van de vloeistofstroommeter (Figuur 129 en Figuur 130).
Sluit connector R1 van de achterste kabelboom aan op connector R1 van de vloeistofstroommeter (Figuur 129 en Figuur 130).
Begin bij kabelboomconnector R4 en bevestig de achterste kabelboom aan de 3 buisbeugels en 4 spuitdopsteunen van het frame van de spuitboomsectie; gebruik hiervoor 7 kabelbinders zoals getoond in Figuur 131.
Important: Zorg ervoor dat de elektrische connectors voor de vloeistofstroommeter en de achterste kabelboom zijn bevestigd aan de buisbeugels en spuitdopbeugels.

Bevestig de achterste kabelboom met kabelbinders aan de toevoerslang van de spuitboomsectie (Figuur 128).
Benodigde onderdelen voor deze stap:
| ECU-beugel | 1 |
| Flenskopschroef (⅜" x 1") | 3 |
| Flensborgmoer (⅜") | 3 |

Meet bovenaan de middelste spuitboom 160 mm vanaf de opening in het midden van het frame, en breng een markering aan zoals op Figuur 133.

Breng de ECU-beugel gelijk met het frame, en lijn de opening in de beugel uit met de markering (Figuur 133) die u aangebracht hebt in stap 1.
Markeer de omtrek van de opening op het frame, neem de beugel weg en maak op de plaats van de markeringen een opening met een centerpons.
Boor een gat (6 mm) door de bovenzijde van het frame (Figuur 134).

Lijn de opening in de ECU-beugel uit met de opening in het frame, en monteer de beugel op het frame (Figuur 135); gebruik hierbij een flenskopschroef (⅜" x 1") en een flensborgmoer (⅜").

Gebruik aan de onderzijde van de middelste spuitboom de ECU-beugel als sjabloon om een opening (6 mm) te boren in het frame (Figuur 136).

Monteer de beugel op het frame (Figuur 136) met een flenskopschroef (⅜" x 1") en flensborgmoer (⅜").
Gebruik bovenaan de middelste spuitboom de ECU-beugel als sjabloon en lijn de boor uit met de binnenzijde van de beugeluitsparing; boor nu een gat van 6 mm in het frame (Figuur 137).

Monteer de beugel op het frame (Figuur 138) met een flenskopschroef (⅜" x 1") en flensborgmoer (⅜").

Draai de inbusbouten en borgmoeren vast met een torsie van 37 tot 45 N·m.
Ga naar het rechterframe van de middelste spuitboom (Figuur 139).

Lijn de openingen en de uitsparing in de ECU-beugel uit met de openingen in het rechterframe (Figuur 140).

Monteer de ECU-beugel op het frame (Figuur 140) met 3 flenskopschroeven (⅜" x 1") en 3 flensborgmoeren (⅜").
Draai de schroeven en moeren vast met een torsie van 37 tot 45 N·m.
Ga naar het rechterframe van de middelste spuitboom (Figuur 141).

Lijn de openingen en de uitsparing in de ECU-beugel uit met de openingen in het rechterframe (Figuur 142).

Monteer de ECU-beugel op het frame (Figuur 142) met 3 flenskopschroeven (⅜" x 1") en 3 flensborgmoeren (⅜").
Draai de schroeven en moeren vast met een torsie van 37 tot 45 N·m.
Benodigde onderdelen voor deze stap:
| ECU | 1 |
| Tapbout (roestvrij staal – ¼" x 1½") | 4 |
| Ring (roestvrij staal – ¼") | 4 |
| Flensborgmoer (roestvrij staal – ⅜") | 4 |

Sluit de connector met 12 contacten voor de voorste kabelboom aan op connector A (uiterst links) van de ECU (Figuur 144).

Sluit de connector met de aanduiding LEFT van de achterste kabelboom aan op connector B van de ECU (Figuur 144).
Sluit de connector met de aanduiding RIGHT van de achterste kabelboom aan op connector C van de ECU (Figuur 144).
Sluit de connector met de aanduiding CENTER van de achterste kabelboom aan op connector D van de ECU (Figuur 144).
Lijn de openingen in de ECU uit met de openingen in de ECU-beugel (Figuur 145).

Bevestig de ECU aan de beugel (Figuur 145) met 4 tapbouten (roestvrij staal – ¼" x 1½"), 4 ringen (roestvrij staal – ¼") en 4 flensborgmoeren (roestvrij staal – ¼").
De accu aansluiten.
Plaats het deksel van de accu (indien aanwezig).
Steek de sleutel in het contact en draai deze naar de stand Draaien.
Het welkomstscherm (Figuur 146) wordt weergegeven.


Het display wordt ingeschakeld wanneer de schakelaar van de machine in de stand DRAAIEN komt.
De status-led gaat branden en het lcd-display wordt opgestart.
| FUNCTIEKNOP 1 | FUNCTIEKNOP 2 | FUNCTIEKNOP 3 | FUNCTIEKNOP 4 | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Schakelt het stroomscherm tussen doorstroomhoeveelheid tonen en verbergen | Schakelt de meeteenheden tussen AMERIKAANSE GALLON PER MINUUT en LITER PER MINUUT | Schakelt het alarm tussen AAN en UIT | Schakelt het display tussen het instellingenscherm en het stroomscherm | ||||
| Pictogram doorstroomhoeveelheden tonen | ![]() | Pictogram meeteenheden doorstroomhoeveelheid Amerikaanse gallon per minuut | ![]() | Pictogram alarm is AAN | ![]() | Pictogram tandwieltje (wordt altijd weergegeven op het scherm) | ![]() |
| Pictogram doorstroomhoeveelheden verbergen | ![]() | Pictogram meeteenheden doorstroomhoeveelheid liter per minuut | ![]() | Pictogram alarm is UIT | ![]() | Druk op FUNCTIEKNOP 4 om naar het instellingenscherm te gaan | |
| Standaard pictogram doorstroomhoeveelheden = verbergen | Standaard meeteenheden doorstroomhoeveelheid =Amerikaanse gallon per minuut | Standaard alarm = AAN | Druk nogmaals op FUNCTIEKNOP 4 om naar het stroomscherm te gaan | ||||

Note: Het NozzAlert systeem geeft standaard het scherm stroomstatus weer.
De doorstroomhoeveelheid van elke spuitdop wordt numeriek weergegeven (Figuur 149).
Kleurencodes geven de stroomstatus van elke spuitdop weer (Figuur 149). Kleurencodes worden weergegeven op basis van de waarden die geprogrammeerd zijn in het instellingenmenu.
| Indicatorkleur | Stroomstatus spuitdop |
|---|---|
| Zwart | Stroomfout spuitdop – geen doorstroming bij de spuitdop, of deze is uitgeschakeld |
| Rood | Stroomfout spuitdop – meer dan 50% buiten de tolerantie |
| Geel | Stroomfout spuitdop – minder dan 50% buiten de tolerantie |
| Groen | Normaal – oké |

Het scherm stroomstatus geeft de spuitdopnummers en de kleurencodes van de stroomstatus weer, hetgeen de bedrijfsstatus van elke spuitdop aangeeft (Figuur 150).

Het scherm doorstroomhoeveelheden geeft de spuitdopnummers en de volgende informatie weer:
De kleurencodes stroomstatus geven de bedrijfsstatus van elke spuitdop weer.
De gemeten doorstroomhoeveelheden van elke spuitdop.

Note: Het NozzAlert systeem geeft standaard het scherm stroomstatus weer.
Wanneer het display een stroomscherm weergeeft, kunt u met functieknop 1 (Figuur 152) tussen de volgende schermen schakelen.
Scherm stroomstatus
Scherm doorstroomhoeveelheden
Wanneer het display het instellingenscherm toont, kunt u met functieknop 1 het scherm stroomstatus of het scherm doorstroomhoeveelheden weergeven.
Note: Het systeem controleert automatisch of u laatst het scherm stroomstatus dan wel het scherm doorstroomhoeveelheden gebruikte.

U kunt de meeteenheden schakelen tussen imperiaal en metrisch:
(VS) GPM (gallons per minuut)
(SI) LPM (liter per minuut)
De standaardwaarde is (VS) GPM
Druk op functieknop 2 om te schakelen tussen imperiale en metrische eenheden (Figuur 153).

U kunt de pieper in- en uitschakelen.
Druk op functieknop 3 om de pieper in- of uit te schakelen (Figuur 154).

Druk op functieknop 4 om naar het instellingenscherm te gaan.

Met de waarde fouttolerantie kunt u de variatie voor de doorstroomhoeveelheid tussen de gemeten spuitdopdoorstroomhoeveelheden instellen. De fouttolerantie bepaalt wanneer de gele kleurencode stroomstatus wordt weergegeven.
Een grotere fouttolerantie laat een groter verschil toe tussen de doorstroomhoeveelheden van de spuitdoppen.
Een kleinere fouttolerantie laat een kleiner verschil toe tussen de doorstroomhoeveelheden van de spuitdoppen.
Het bereik van de fouttolerantie is 5% tot 45%.
U kunt de fouttolerantie instellen in stappen van 5%.
De standaard fouttolerantie is 15%.
Druk op het scherm INSTELLINGEN de navigatie-/invoertoets naar boven of beneden tot de indicator van de actieve instelling de instelling FOUTTOLERANTIE aanwijst (Figuur 156).

Gebruik op de navigatie-/invoertoets de pijlen naar links of rechts (Figuur 156) om de fouttolerantie (%) te veranderen; ga als volgt te werk:
Druk op de pijl naar links om de fouttolerantie te verminderen.
Druk op de pijl naar rechts om de fouttolerantie te vergroten.
Bent u klaar met het instellen van de waarden in het scherm INSTELLINGEN, druk dan op functieknop 4 onder de indicator van de instellingenknop om terug te keren naar het scherm stroomstatus (Figuur 156).
Gebruik de foutvertraging om te bepalen hoe lang het duurt voor het display een andere kleurencodestatus weergeeft omwille van een doorstroomhoeveelheid buiten de tolerantie.
Een grotere foutvertraging maakt de meting minder gevoelig; de displaymetingen zijn minder gevoelig aan schommelingen in de doorstroomhoeveelheid.
Een kleine foutvertraging maakt de meting gevoeliger; de displaymetingen zijn gevoeliger aan schommelingen in de doorstroomhoeveelheid.
Het bereik van de foutvertraging is 2 tot 10 seconden.
U kunt de foutvertraging instellen in stappen van 1 seconde.
De standaard foutvertraging is 3 seconden.
Druk op het scherm INSTELLINGEN de navigatie-/invoertoets naar boven of beneden tot de indicator van de actieve instelling de instelling FOUTVERTRAGING aanwijst (Figuur 157).

Gebruik op de navigatie-/invoertoets de pijlen naar links of rechts (Figuur 157) om de foutvertraging te veranderen; ga als volgt te werk:
Druk op de pijl naar links om de foutvertraging korter te maken.
Druk op de pijl naar rechts om de foutvertraging langer te maken.
Bent u klaar met het instellen van de waarden in het scherm INSTELLINGEN, druk dan op functieknop 4 onder de indicator van de instellingenknop om terug te keren naar het scherm stroomstatus (Figuur 157).
Met de instelling systeemaantal kunt u bepalen hoeveel vloeistofstroommeters het systeem meet.
U kunt het systeem instellen op 11 (vloeistofstroommetersysteem) of 12 (vloeistofstroommetersysteem)
Standaard geeft het display 12 eenheden (vloeistofstroommetersysteem) weer.
Druk op het scherm INSTELLINGEN de navigatie-/invoertoets naar boven of beneden tot de indicator van de actieve instelling de instelling SYSTEEMAANTAL aanwijst (Figuur 158).

Druk op de linker- of rechterknop van de navigatie-/invoertoets om het display in te stellen op een vloeistofstroommetersysteem met 11 of 12 eenheden (Figuur 158).
Bent u klaar met het instellen van de waarden in het scherm INSTELLINGEN, druk dan op functieknop 4 onder de indicator van de instellingenknop om terug te keren naar het scherm stroomstatus (Figuur 158).
Met de piepertest kunt u de pieper laten klinken via het display.
Druk op het scherm INSTELLINGEN de navigatie-/invoertoets naar boven of beneden tot de indicator van de actieve instelling de instelling PIEPERTEST aanwijst (Figuur 159).

Druk op de linker- of rechterknop van de navigatie-/invoertoets om de pieper te laten weerklinken (Figuur 159).
Bent u klaar met het instellen van de waarden in het scherm INSTELLINGEN, druk dan op functieknop 4 onder de indicator van de instellingenknop om terug te keren naar het scherm stroomstatus (Figuur 159).
| Problem | Possible Cause | Corrective Action |
|---|---|---|
| Het display toont een spuitdop met een gele kleurencode stroomstatus. |
|
|
| Het display toont een spuitdop met een rode kleurencode stroomstatus. |
|
|
| Problem | Possible Cause | Corrective Action |
|---|---|---|
| Het display toont een spuitdop met een zwarte kleurencode stroomstatus, maar de spuitdop is toch aan het spuiten. |
|
|