Inleiding

Deze zitmaaier met draaiende messen is bedoeld voor gebruik door particulieren in residentiële toepassingen. De machine is voornamelijk ontworpen voor het maaien van gras op goed onderhouden gazons. Dit product gebruiken voor andere doeleinden dan het bedoelde gebruik kan gevaarlijk zijn voor u of voor omstanders.

Lees deze informatie zorgvuldig door, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze moet gebruiken en onderhouden en om schade aan de machine en letsel te voorkomen. U bent verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van de machine.

Ga naar www.Toro.com voor documentatie over productveiligheid en bedieningsinstructies, informatie over accessoires, hulp bij het vinden van een dealer of om uw product te registreren.

Als u service, originele Toro- onderdelen of aanvullende informatie nodig hebt, kunt u contact opnemen met een erkende servicedealer of met de klantenservice van Toro. U dient hierbij altijd het modelnummer en het serienummer van het product te vermelden. De locatie van het plaatje met het modelnummer en het serienummer van het product is aangegeven op Figuur 1. U kunt de nummers noteren in de ruimte hieronder.

Important: U kunt met uw mobiel apparaat de QR-code op het plaatje met het serienummer (indien aanwezig) scannen om toegang te krijgen tot de garantie, onderdelen en andere productinformatie.

g345284

U kunt het modelnummer en het serienummer noteren in de ruimte hieronder:

Er worden in deze handleiding twee woorden gebruikt om uw aandacht op bijzondere informatie te vestigen. Belangrijk attendeert u op bijzondere technische informatie en Opmerking duidt algemene informatie aan die bijzondere aandacht verdient.

Het veiligheidssymbool (Figuur 2) komt zowel in deze handleiding als op de machine voor om belangrijke veiligheidsberichten te identificeren die u moet opvolgen om ongevallen te voorkomen. Het symbool zal verschijnen met het woord Gevaar of Waarschuwing.

  • Gevaar: een direct gevaarlijke situatie die, als deze niet wordt voorkomen, altijd zal leiden tot de dood of ernstig letsel.

  • Waarschuwing: een mogelijk gevaarlijke situatie die, als deze niet wordt voorkomen, kan leiden tot de dood of ernstig letsel.

  • Waarschuwing: een mogelijk gevaarlijke situatie die, als deze niet wordt voorkomen, kan leiden tot licht of middelmatig letsel.

sa-black

Veiligheid

Algemene veiligheidswaarschuwingen elektrisch gereedschap

Waarschuwing

Lees alle veiligheidswaarschuwingen, instructies, afbeeldingen en specificaties die werden meegeleverd met dit elektrisch gereedschap.

Als u nalaat om de waarschuwingen en instructies op te volgen, kan dit leiden tot elektrische schokken, brand en/of ernstig letsel.

De term 'elektrisch gereedschap' in de waarschuwingen hieronder verwijst naar uw elektrisch apparaat met elektriciteitskabel of met accu (draadloos).

  1. Veiligheid van het werkgebied

    1. Zorg ervoor dat het werkgebied schoon en goed verlicht is. Rommelige of donkere omgevingen lokken ongevallen uit.

    2. Gebruik geen elektrisch gereedschap in omgevingen waar ontploffingsgevaar heerst, bijvoorbeeld in de buurt van ontvlambare vloeistoffen, gassen of stof.Elektrisch gereedschap produceert vonken die het stof of de dampen kunnen doen ontvlammen.

    3. Hou kinderen en omstanders uit de buurt wanneer u elektrisch gereedschap gebruikt.Afleiding kan ervoor zorgen dat u de controle verliest.

  2. Elektrische veiligheid

    1. Stekkers van elektrisch gereedschap moeten passen in het stopcontact. Pas de stekker nooit aan. Gebruik geen verloopstekkers in combinatie met geaard elektrisch gereedschap.Onbewerkte stekkers en passende stopcontacten verkleinen het risico op elektrische schokken.

    2. Vermijd contact tussen uw lichaam en geaarde oppervlakken zoals buizen, radiatoren, fornuizen en koelkasten.Er is meer kans op elektrische schokken als uw lichaam geaard is.

    3. Stel elektrisch gereedschap niet bloot aan regen of natte omgevingen. Water dat elektrisch gereedschap binnendringt, verhoogt het risico op elektrische schokken.

    4. Wees voorzichtig met het snoer. Gebruik het snoer nooit om het elektrisch gereedschap te dragen, trekken of uit het stopcontact te halen. Hou het snoer uit de buurt van hitte, olie, scherpe randen en bewegende onderdelen.Beschadigde of verwarde snoeren verhogen het risico op elektrische schokken.

    5. Als u elektrisch gereedschap buiten gebruikt, gebruik dan een verlengsnoer dat geschikt is voor buitengebruik.Een snoer gebruiken dat geschikt is voor buitengebruik verkleint de kans op elektrische schokken.

    6. Als gebruik van elektrisch gereedschap in een vochtige omgeving noodzakelijk is, gebruik dan een stroomvoorziening die beveiligd is met een aardlekschakelaar.Gebruik van een aardlekschakelaar verkleint het risico op elektrische schokken.

  3. Persoonlijke veiligheid

    1. Blijf alert, let op wat u doet en gebruik uw gezond verstand wanneer u de machine gebruikt. Gebruik geen elektrisch gereedschap als u moe bent of onder de invloed van drugs, alcohol, of medicijnen verkeert.Een moment van onoplettendheid tijdens het gebruik van elektrisch gereedschap kan ernstig lichamelijk letsel tot gevolg hebben.

    2. Gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen.Draag altijd oogbescherming. Beschermingsmiddelen zoals een stofmasker, veiligheidsschoenen met antislipzool, of gehoorbescherming zullen bij juist gebruik het risico op lichamelijk letsel verkleinen.

    3. Voorkom dat u het gereedschap ongewild inschakelt. Zorg ervoor dat de schakelaar in de uitstand staat voordat u het gereedschap aansluit op het elektriciteitsnet en/of het accupack, of voordat u het gereedschap vast neemt of draagt. Elektrisch gereedschap dragen met uw vinger op de schakelaar, of elektrisch gereedschap in werking stellen terwijl de schakelaar aan staat, lokt ongevallen uit.

    4. Verwijder stelsleutels en moersleutels voordat u het elektrische gereedschap inschakelt.Een moer- of stelsleutel laten zitten op het elektrisch gereedschap kan tot lichamelijk letsel leiden.

    5. Reik niet te ver. Zorg dat u te allen tijde stevig en evenwichtig staat.Zo hebt u meer controle over het elektrisch gereedschap als zich onverwachte situaties voordoen.

    6. Draag geschikte kleding. Draag geen losse kleding of juwelen. Hou uw haar en kleren uit de buurt van bewegende onderdelen.Losse kleding, juwelen en lang haar kunnen gegrepen worden door bewegende onderdelen.

    7. Als er toestellen voorzien worden voor de aansluiting van stofafzuiging- en stofopvangvoorzieningen, zorg dan dat deze aangesloten zijn en correct worden gebruikt.Gebruik van stofopvang kan risico's veroorzaakt door stof verkleinen.

    8. Als u vaak met hetzelfde gereedschap werkt en ermee vertrouwd raakt, bestaat het gevaar dat u er minder oplettend mee omgaat en de veiligheidsrichtlijnen niet meer naleeft. Let hiervoor op!Een nonchalante actie kan binnen een fractie van een seconde ernstig letsel veroorzaken.

  4. Gebruik van en zorg voor elektrisch gereedschap

    1. Belast het elektrisch gereedschap niet te zwaar. Gebruik het juiste elektrisch gereedschap voor het werk dat u wilt verrichten.Het juiste elektrische gereedschap doet het werk beter, veiliger en in het tempo waarvoor het bedoeld is.

    2. Gebruik het elektrisch gereedschap niet als u het niet aan en uit kunt schakelen met de schakelaar.Elektrisch gereedschap dat niet kan worden bediend met de schakelaar is gevaarlijk en moet worden hersteld.

    3. Koppel de stekker los van de stroomvoorziening en/of verwijder het accupack van het elektrisch gereedschap, indien dit verwijderbaar is, voordat u aanpassingen maakt, accessoires verandert of het elektrisch gereedschap stalt.Zulke preventieve veiligheidsmaatregelen verkleinen de kans dat u het elektrisch gereedschap per ongeluk inschakelt.

    4. Bewaar elektrisch gereedschap dat niet wordt gebruikt buiten het bereik van kinderen, en voorkom dat personen die het elektrisch gereedschap of deze voorschriften niet kennen het elektrisch gereedschap gebruiken.Elektrisch gereedschap is gevaarlijk in de handen van gebruikers die niet de nodige training hebben genoten.

    5. Onderhoud elektrisch gereedschap en accessoires. Controleer op slechte uitlijning of vastlopen van bewegende onderdelen, defecte onderdelen en andere omstandigheden die de werking van het elektrisch gereedschap nadelig kunnen beïnvloeden. In geval van schade dient u het elektrisch gereedschap te laten herstellen voordat u het weer in gebruik neemt.Veel ongelukken zijn te wijten aan slecht onderhoud van elektrisch gereedschap.

    6. Hou maaimachines scherp en schoon.Goed onderhouden maaimachines met scherpe snijranden lopen minder gemakkelijk vast en zijn eenvoudiger te bedienen.

    7. Gebruik elektrisch gereedschap, accessoires, opzetwerktuigen enz. in overeenstemming met deze instructies, rekening houdend met de werkomstandigheden en het uit te voeren werk.Gebruik van het elektrisch gereedschap voor andere doeleinden dan die waarvoor het bedoeld is, kan aanleiding geven tot een gevaarlijke situatie.

    8. Hou de handgrepen en aanraakoppervlakken droog, schoon en vrij van olie en vet.Als de handgrepen en aanraakoppervlakken glibberig zijn, kunt u niet veilig omgaan met het gereedschap en kunt u het niet beheersen in onverwachte omstandigheden.

  5. Gebruik van en zorg voor gereedschap met accu

    1. Alleen herladen met de door de fabrikant aanbevolen lader.Een lader die geschikt is voor het ene type accupack kan in combinatie met een ander accupack voor brandgevaar zorgen.

    2. Gebruik elektrisch gereedschap alleen met specifiek daartoe bestemde accu's.Gebruik van andere accu's kan lichamelijk letsel en brand veroorzaken.

    3. Als het accupack niet wordt gebruikt, hou het dan uit de buurt van metalen voorwerpen zoals paperclips, muntjes, sleutels, nagels, schroeven en andere kleine metalen objecten die een brug kunnen vormen tussen de polen.Kortsluiting tussen de accupolen kan brandwonden en brand veroorzaken.

    4. Bij verkeerd gebruik kan vloeistof uit de accu lekken; vermijd contact hiermee. Als u er per ongeluk toch in aanraking mee komt, spoel dan met water.Als de vloeistof in uw ogen terechtkomt, vraag dan bijkomend om medische bijstand. Vloeistof die uit de accu wordt geworpen, kan irritatie van de huid of brandwonden veroorzaken.

    5. Gebruik geen accupack of gereedschap dat beschadigd of aangepast is. Beschadigde of aangepaste accu's kunnen onverwacht gedrag vertonen, wat kan leiden tot brand, explosie of lichamelijk letsel.

    6. Stel een accupack of gereedschap niet bloot aan brand of een buitensporige temperatuur. Blootstelling aan brand of een temperatuur boven 130 °C kan een explosie veroorzaken.

    7. Volg alle instructies aangaande het laden en laad het accupack of het gereedschap niet op buiten het temperatuurbereik dat wordt gespecificeerd in de instructies.Als u de accu of het gereedschap niet juist oplaadt of met temperaturen buiten het gespecificeerde bereik, dan kan dit de accu beschadigen en het risico op brand verhogen.

  6. Onderhoud

    1. Laat uw elektrisch gereedschap nazien door een erkende hersteller die alleen identieke vervangonderdelen gebruikt.Dit waarborgt veilig gebruik van het elektrisch gereedschap.

    2. Voer nooit onderhoudswerkzaamheden uit aan beschadigde accupacks. Onderhoud van de accupacks mag enkel worden uitgevoerd door de fabrikant of erkende dienstverleners.

Veiligheidswaarschuwingen voor de gazonmaaier

  1. Gebruik de gazonmaaier niet in slechte weersomstandigheden, vooral wanneer er een kans is op bliksem. Dit verhoogt de kans dat u getroffen wordt door bliksem.

  2. Controleer grondig of er wilde dieren zitten in het gebied waar u de gazonmaaier gaat gebruiken. Wilde dieren kunnen gewond raken door de gazonmaaier tijdens het werk.

  3. Inspecteer het terrein waarop u de gazonmaaier gaat gebruiken grondig en verwijder alle stenen, takken, draden, botten of andere vreemde voorwerpen. Uitgeworpen objecten kunnen ernstig lichamelijk letsel veroorzaken.

  4. Voordat u de gazonmaaier gebruikt, moet u altijd de messen en de meseenheid controleren op sporen van slijtage of beschadiging. Versleten of beschadigde onderdelen vergroten het risico op letsel.

  5. Zorg ervoor dat alle schermen op hun plaats zitten. De schermen moeten in goede staat verkeren en goed gemonteerd zijn. Een scherm dat los zit, beschadigd is of niet juist werkt, kan lichamelijk letsel tot gevolg hebben.

  6. Houd de inlaat voor de koellucht vrij van vuil. Geblokkeerde luchtinlaten en vuil kunnen leiden tot brand of oververhitting.

  7. Gebruik de gazonmaaier niet op steile hellingen. Dit verkleint het risico op verlies van controle, slippen en vallen, wat kan leiden tot lichamelijk letsel.

  8. Draag altijd een lange broek wanneer u de gazonmaaier gebruikt. Onbedekte huid vergroot de kans op letsel door uitgeworpen voorwerpen.

  9. Werk altijd recht op en af hellingen, nooit dwars, en ga zeer zorgvuldig te werk als u van richting verandert. Dit verkleint het risico op verlies van controle, slippen en vallen, wat kan leiden tot lichamelijk letsel.

  10. Raak messen en andere gevaarlijke bewegende onderdelen niet aan terwijl deze nog bewegen. Dit verkleint het risico op letsel door bewegende onderdelen.

  11. Zet alle voedingsschakelaars uit en verwijder het sleuteltje voordat u vastgelopen materiaal verwijdert of de gazonmaaier schoonmaakt. Onverwacht gebruik van de gazonmaaier kan leiden tot ernstig lichamelijk letsel.

  12. Als de machine een voorwerp raakt en begint te trillen, moet u meteen de gazonmaaier uitschakelen, de contactsleutel verwijderen (indien de machine hiermee is uitgerust) en wachten totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de machine op beschadiging controleert. Voer alle noodzakelijke reparaties uit voordat u de machine weer in gebruik neemt.

  13. Voordat u de gazonmaaier stalt, moet u gras en vuil verwijderen van de maai-eenheid, de aandrijvingen, de grasvanger en de motor om brand te helpen voorkomen.

  14. Om veilige en optimale prestaties te verkrijgen, moet u ter vervanging alleen originele Toro onderdelen en accessoires gebruiken. Gebruik ter vervanging nooit onderdelen en accessoires van andere fabrikanten, omdat dit gevaarlijk kan zijn. Dit kan ertoe leiden dat de garantie op het product komt te vervallen.

  15. Vervang versleten of beschadigde messen en bouten altijd als complete set om een goede balans te behouden.

  16. Let op dat bij machines met meerdere maaimessen andere messen kunnen gaan draaien doordat u één mes draait.

  17. Houd handen en voeten uit de buurt van de bewegende onderdelen van de machine.

  18. Schakel de gazonmaaier uit, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. Laat de machine afkoelen voordat u deze afstelt, reinigt, stalt of er onderhoudswerkzaamheden aan verricht.

  19. Gebruik de machine niet op vochtig gras of wanneer het regent. Als u dit toch doet, vergroot u het risico op elektrische schokken.

Bijkomende Toro veiligheid

Algemene veiligheid

Dit product kan handen of voeten afsnijden en voorwerpen uitwerpen. Volg altijd alle veiligheidsinstructies op om ernstig letsel te voorkomen.

  • Laat kinderen of personen die geen instructie hebben ontvangen de machine niet gebruiken of er onderhoudswerkzaamheden aan verrichten. Laat enkel mensen die verantwoordelijk en getraind zijn en die bovendien vertrouwd zijn met de instructies en fysiek ertoe in staat zijn de machine bedienen of er onderhoudswerkzaamheden aan verrichten. Voor de bestuurder kan een wettelijke minimumleeftijd gelden.

  • Gebruik de machine niet in de buurt van steile hellingen, greppels, oevers, water of andere gevaren, of op hellingen steiler dan 12°.

Veiligheidsinstructies voorafgaand aan het werk

  • Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningsorganen en de veiligheidssymbolen, en weet hoe u de machine veilig kunt gebruiken.

  • Controleer de aanwezigheid en goede werking van de dodemansinrichtingen, veiligheidsschakelaars en schermen. Gebruik de machine uitsluitend als deze naar behoren werkt.

  • Controleer voordat u begint te maaien de machine om zeker te zijn dat de maai-eenheden goed werken.

  • Inspecteer het terrein om na te gaan welke accessoires en werktuigen nodig zijn om de machine veilig en goed te gebruiken.

  • Vervoer geen passagiers op de machine.

Veiligheid tijdens het werk

  • De eigenaar/gebruiker is verantwoordelijk voor ongelukken die persoonlijk letsel of materiële schade kunnen veroorzaken, en hij dient zulke ongelukken te voorkomen.

  • Houd uw handen en voeten uit de buurt van de maai-eenheden. Blijf uit de buurt van de afvoeropening.

  • Maai niet als de grasgeleider in de geheven stand staat, verwijderd is of gewijzigd is, tenzij een grasvanger of mulchset gemonteerd is en goed werkt.

  • Kijk altijd naar beneden en achterom voordat u achteruitrijdt.

  • Wees uiterst voorzichtig bij het naderen van blinde hoeken, struiken, bomen en andere objecten die het zicht kunnen belemmeren.

  • Stop de maaimessen als u niet daadwerkelijk maait.

  • Verminder uw snelheid en wees voorzichtig als u een bocht maakt of wegen en voetpaden oversteekt met de machine. Verleen altijd voorrang.

  • Doe het volgende voordat u de bestuurdersstoel verlaat:

    • Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    • Schakel de aftakas uit.

    • Stel de parkeerrem in werking.Stel de parkeerrem in werking.

    • Schakel de machine uit en verwijder het contactsleuteltje.

    • Wacht tot alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen.

  • Als u de machine verlaat, laat deze dan niet draaien.

  • Let op de uitworp van de maaier en richt deze uit de buurt van mensen. Zorgt dat het afgevoerde materiaal niet tegen een muur of obstakel komt omdat het materiaal naar u terug kan ketsen.

  • Stop de messen, verminder de snelheid van de machine en wees voorzichtig wanneer u een oppervlak zonder gras oversteekt of wanneer u de machine transporteert van en naar het werkgebied.

  • Kinderen komen vaak naar de machine en het maaien kijken. Ga er nooit van uit dat kinderen op de plaats blijven waar u ze voor laatst zag.

  • Houd kinderen uit de buurt van het werkgebied en plaats ze onder toezicht van een andere verantwoordelijke volwassene dan de bediener van de maaier.

  • Wees alert en schakel de machine uit als kinderen het werkgebied betreden.

  • Voordat u de machine achteruitrijdt of draait, moet u naar beneden en rond u kijken of er geen kleine kinderen in de buurt zijn.

  • Vervoer geen kinderen op de machine, zelfs wanneer de messen niet bewegen. Kinderen kunnen van de machine vallen en kunnen ernstig letsel oplopen of u verhinderen in het veilig gebruiken van de machine. Als een kind in het verleden op een maaier heeft meegereden, kan het in het maaigebied verschijnen zonder waarschuwing, en kan dan overreden worden door de maaier, bij het vooruit- of achteruitrijden.

  • Wees uiterst voorzichtig met werktuigen. Deze kunnen de machine minder stabiel maken.

  • Probeer de machine niet in evenwicht te houden door uw voet op de grond te zetten.

De machine veilig gebruiken op hellingen

  • Het maaien op hellingen is een belangrijke factor bij ongelukken waarbij de controle over de machine wordt verloren of deze omkantelt. Dit kan ernstig of dodelijk letsel veroorzaken. De bestuurder is verantwoordelijk voor een veilig gebruik van de machine op hellingen. Gebruik van de machine op hellingen vereist altijd extra voorzichtigheid. Doe het volgende voordat u de machine op een helling gaat gebruiken:

    • Lees de instructies voor gebruik op een helling in de handleiding en op de machine, en zorg dat u deze instructies begrijpt.

    • Gebruik een hellingsindicator om de hellingshoek bij benadering te bepalen.

    • Gebruik de gazonmaaier nooit op hellingen van meer dan 12°.

    • Onderzoek de toestand van het werkgebied op die dag om te bepalen of de machine veilig kan worden gebruikt op de helling. Gebruik uw gezond verstand en uw beoordelingsvermogen wanneer u dit onderzoek uitvoert. Veranderingen in het terrein, zoals de vochtigheidsgraad, kunnen snel van invloed zijn op de manier waarop de machine reageert op een helling.

  • Spoor gevaren onderaan de helling op. Gebruik de machine niet in de buurt van steile hellingen, greppels, oevers, water of andere gevaren. De machine kan plotseling omslaan als een wiel over de rand komt of als de rand instort. Houd een veilige afstand (tweemaal de breedte van de machine) tussen de machine en landschapselementen die gevaarlijk kunnen zijn. Gebruik een loopmaaier of een handtrimmer om gras te maaien op deze plaatsen.

    g231393
  • Rijd hellingen op en neer, rijd niet dwars op hellingen. Ga zeer zorgvuldig te werk als u van richting verandert op een helling.

  • Vermijd starten, stoppen of bochten maken op hellingen. Vermijd plotse veranderingen van snelheid of richting; verander traag en geleidelijk van richting.

  • Als u de machine stopt terwijl u hellingopwaarts rijdt, moet u de messen stoppen en langzaam achterwaarts de helling afrijden.

  • Gebruik een machine nooit in omstandigheden waarbij u twijfelt over tractie, sturen of stabiliteit. Denk eraan dat de machine tractie kan verliezen doordat u bergafwaarts, op nat gras of dwars op een helling maait. Als de aandrijfwielen tractie verliezen, kunnen ze gaan slippen en kunt u niet meer remmen of sturen. De machine kan schuiven, zelfs als de aandrijfwielen niet draaien.

  • Verwijder of let op obstakels als sloten, gaten, geulen, hobbels, stenen of andere verborgen gevaren. In hoog gras zijn obstakels niet altijd zichtbaar. De machine kan omslaan op oneffenheden in het terrein.

  • Laat het maaidek indien mogelijk neer op de grond wanneer u de machine op een helling gebruikt. Als u het maaidek omhoog brengt op hellingen, kan de machine onstabiel worden.

Veiligheid na het werk

Verwijder het contactsleuteltje voordat u de machine stalt of vervoert.

Veiligheid van accu en lader

Algemeen

  • Gebruik alleen het meegeleverde stroomsnoer voor het opladen van de accu.

  • Controleer de gangbare netspanning in uw land alvorens de lader te gebruiken.

  • Als u de lader buiten de VS aansluit op het stroomnet dient u mogelijk een adapterstekker van het juiste type te gebruiken.

  • Laad de machine niet op in regen of in natte omgevingen.

  • Het gebruik van een accessoire dat niet aanbevolen of verkocht wordt door Toro kan leiden tot brandgevaar, elektrische schok of letsel.

  • Om het gevaar op ontploffing van de accu te verminderen, moet u deze instructies in acht nemen, alsook de instructies van apparatuur die u in de buurt van de lader gaat gebruiken.

  • U mag een accu nooit openmaken.

  • Als een accu gaat lekken, voorkom dan dat u in aanraking komt met de vloeistof. Als u per ongeluk in contact komt met de vloeistof, moet u spoelen met water een arts raadplegen. Vloeistof die uit de accu wordt geworpen, kan irritatie van de huid of brandwonden veroorzaken.

  • Neem contact op met een erkende Toro distributeur wanneer een accu onderhoud behoeft of aan vervanging toe is.

Instructie

Laat kinderen of personen die geen instructie hebben ontvangen de machine nooit gebruiken of opladen. Plaatselijke voorschriften kunnen nadere eisen stellen aan de leeftijd van degene die met de machine werkt. Plaatselijke voorschriften kunnen nadere eisen stellen aan de leeftijd van degene die met de machine werkt. De eigenaar is verantwoordelijk voor de instructie van alle bestuurders en technici.De eigenaar is verantwoordelijk voor de instructie van alle bestuurders en technici.

Voorbereiding

  • Hou omstanders en kinderen uit de buurt tijdens het laden.

  • Schakel de machine uit en wacht tot de machine volledig zonder stroom is gevallen alvorens te laden. Als u dit niet doet, kan een vlamboog ontstaan.

  • Lees alle voorzorgsmaatregelen voor het laden en volg deze op.

  • Gebruik alleen een door Toro goedgekeurd stroomsnoer.

Bediening

  • Lees en begrijp de laadinstructies voordat u de accu's gaat laden. Neem ook de volgende voorzorgsmaatregelen voordat u de accu's oplaadt:

    • Schakel de machine uit voordat u de lader aansluit op een stopcontact.

    • Gebruik uitsluitend de oplader die is geleverd bij de machine om de accu's op te laden.

    • Laad de accu op in een open, goed geventileerde ruimte, uit de buurt van vonken en open vuur. Haal de oplader uit het stopcontact voordat u de accu aan- of loskoppelt. Draag beschermende kleding en gebruik geïsoleerd gereedschap.

    • U mag een beschadigde of bevroren accu nooit opladen.

    • Haal om vonken te voorkomen altijd de stekker van het netsnoer uit het stopcontact voordat u het snoer losmaakt van het oplaadcontact op de machine.

    • Indien een accu tijdens het opladen heet wordt, grote hoeveelheden gas uitstoot of accuzuur verliest, moet u onmiddellijk de stekker van het netsnoer van de oplader uit het stopcontact trekken. Laat de machine repareren door een erkende servicedealer voordat u ze weer in gebruik neemt.

  • Wees voorzichtig met het stroomsnoer; ruk er niet aan om de lader uit het stopcontact te trekken. Houd het snoer uit de buurt van hitte, olie en scherpe randen.

  • Koppel de lader rechtstreeks aan op een geaard stopcontact. Laad de accu niet op met een ongeaard stopcontact, zelfs niet als u een adapter gebruikt.

  • Maak geen aanpassingen aan het meegeleverde stroomsnoer of de stekker.

  • Gebruik een geschikt verlengsnoer.

  • Als het stroomsnoer beschadigd raakt bij het aansluiten, haal het snoer dan uit het stopcontact en neem contact op met een erkende Toro- distributeur voor een vervangsnoer.

  • Haal de lader uit het stopcontact als u hem niet gebruikt, voordat u hem verplaatst, of voordat u onderhoud uitvoert.

Onderhoud en opslag

  • Koppel het stroomsnoer af van het stopcontact voordat u onderhoud uitvoert of de lader gaat schoonmaken; zo verkleint u het risico op elektrische schokken.

  • Laad de accu's niet op terwijl u onderhoud uitvoert aan de machine.

  • Zorg ervoor dat bij het verwijderen of installeren van de accu's de accupolen niet in aanraking komen met metalen onderdelen van de machine.

  • Zorg ervoor dat de accuhouders altijd op hun plaats zitten om de accu's te beschermen en vast te zetten.

  • Als de lader of het stroomsnoer beschadigd is, gebruik deze dan niet; breng ze naar een erkende Toro verdeler.

  • Om het risico op brand te verminderen, moet u de omgeving van de accu's en de motor vrij van overtollig vet, gras, bladeren en aangekoekt vuil houden.

  • Laad de machine niet op als het snoer of de stekker beschadigd is. Vervang een beschadigde kabel of stekker onmiddellijk.

  • Zorg ervoor dat de veiligheids- en instructiestickers in goede staat zijn en vervang ze indien nodig.

  • Bewaar de machine binnen op een droge, veilige plaats die buiten het bereik is van onbevoegde gebruikers.

Veiligheid bij onderhoud

  • Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de machine per ongeluk start, waardoor u en andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine.

  • Doe het volgende voordat u de bestuurdersstoel verlaat:

    • Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    • Schakel de aandrijvingen uit.

    • Stel de parkeerrem in werking.Stel de parkeerrem in werking.

    • Schakel de machine uit en verwijder het contactsleuteltje.

    • Laat de onderdelen van de machine afkoelen voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert.

  • Laat personeel dat niet bekend is met de instructies, nooit onderhoudswerkzaamheden aan de machine uitvoeren.

  • Haal voorzichtig de druk van onderdelen met opgeslagen energie.

  • Controleer de werking van de parkeerrem regelmatig. Indien nodig moet u deze afstellen en een onderhoudsbeurt geven.

  • Knoei nooit met de veiligheidsvoorzieningen. Controleer regelmatig of ze goed werken.

  • Vertrouw niet op een hydraulisch systeem of mechanische krik om de machine te ondersteunen; ondersteun de machine altijd met kriksteunen.

  • Zorg ervoor dat alle onderdelen in goede staat verkeren en alle bevestigingselementen stevig vastzitten, in het bijzonder het bevestigingsmateriaal van de maaimessen. Vervang versleten of beschadigde stickers.

  • Koppel de accu af voordat u reparaties aan de machine verricht. Maak eerst de minpool van de accu los en daarna de pluspool. Bevestig eerst de pluspool van de accu en daarna de minpool.

  • Controleer op gezette tijden de maaimessen op slijtage of beschadigingen.

  • Wees voorzichtig als u de messen controleert. Omwikkel de maaimessen of draag handschoenen en wees voorzichtig als u onderhoudswerkzaamheden aan de maaimessen verricht. De maaimessen mogen alleen worden vervangen of geslepen, probeer ze nooit recht te maken of er aan te lassen.

Veiligheid tijdens opslag

  • Zet de machine uit, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. Laat de machine afkoelen voordat u deze afstelt, reinigt, stalt of er onderhoudswerkzaamheden aan verricht.

  • Sla de machine niet op op plaatsen waar open vlammen, vonken of waakvlammen (bv. van een boiler of andere toestellen) aanwezig kunnen zijn.

Bewaar alle waarschuwingen en voorschriften zodat u deze later nog kunt raadplegen.

Hellingsindicator

g011841

Veiligheids- en instructiestickers

Graphic

Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers.

decal134-6026
decal134-6029
decal134-6032
decal134-6033
decal134-6069
decal134-6070
decal134-6027
decal134-6028
decal134-6900

Montage

De accu's opladen

De grasgeleider monteren

Algemeen overzicht van de machine

g340907

Zorg dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen voordat u de machine start en gebruikt.

Bedieningspaneel

g340906

Contactschakelaar

De contactschakelaar heeft 2 standen: AAN en UIT. Gebruik de contactschakelaar om de machine in en uit te schakelen.

Maaimesschakelaar (aftakas, PTO)

Met de maaimesschakelaar, aangeduid met het aftakassymbool (PTO), schakelt u de aandrijving naar de maaimessen in of uit.

Rempedaal

Druk op het rempedaal om de machine te stoppen of snelheid te verminderen.

Parkeerremhendel

Als u de machine uitschakelt, moet u de parkeerrem in werking stellen om te voorkomen dat de machine per ongeluk in beweging komt.

  • Om de parkeerrem in werking te stellen, moet u de parkeerremhendel naar omhoog trekken.

    g341485
  • Om de parkeerrem vrij te zetten, drukt u op de knop op de parkeerremhendel en dan duwt u de parkeerremhendel naar voren.

Tractiepedaal

Met het tractiepedaal kunt u de rijsnelheid van de machine regelen. Hoe verder u het pedaal intrapt, des te sneller zal de machine rijden.

Rijmodusschakelaar

De rijmodusschakelaar heeft 3 standen: VOORUIT, NEUTRAAL en ACHTERUIT. De rijmodusschakelaar moet in de stand VOORUIT staan voordat u de maaimessen inschakelt.

Note: Er klinkt een waarschuwingssignaal wanneer de rijmodusschakelaar in ACHTERUIT staat. De machine rijdt achteruit met de helft van de snelheid vooruit.

Knop achteruit maaien

Gebruik de knop achteruit maaien om de maaimessen te bedienen terwijl u achteruitrijdt met de machine.

Schakel de modus achteruit maaien in op de volgende manieren:

  • Voordat u de messen inschakelt

    • Druk op de knop achteruit maaien, schakel de maaimessen in en zet dan de rijmodusschakelaar op de stand ACHTERUIT.

    • Schakel de maaimessen in, druk op de knop achteruit maaien en zet dan de rijmodusschakelaar op de stand ACHTERUIT.

  • Terwijl u vooruitrijdt

    • Druk op de knop achteruit maaien en zet dan de rijmodusschakelaar in de stand ACHTERUIT.

    • Zet de rijmodusschakelaar in de stand ACHTERUIT, schakel de maaimessen uit, druk op de knop achteruit maaien en schakel dan de maaimessen in.

Cruisecontrolknop

Gebruik de cruisecontrolknop om de tractiesnelheid te behouden zonder dat u het pedaal intrapt.

Druk het tractiepedaal in tot de gewenste snelheid, houd de cruisecontrolknop ongeveer 3 seconden ingedrukt en haal dan uw voet van het pedaal.

Druk op het tractiepedaal of het rempedaal om de cruisecontrol uit te schakelen.

Accu-ontladingsindicator

De accu-ontladingsindicator geeft de resterende acculading weer. Als de accu's volledig opgeladen zijn, lichten 10 indicatiestaven op. Deze verdwijnen naarmate u de accu's gebruikt. Wanneer de accu bijna leeg is, lichten de indicatielampjes rood op en de maaimessen worden dan automatisch uitgeschakeld. Laad de accu's op wanneer dit gebeurt.

Note: De accu-ontladingsindicator wordt enkel weergegeven wanneer de bestuurder op de bestuurdersstoel zit.

Maaihoogtehendel

Met de maaihoogtehendel kunt u het maaidek opheffen en neerlaten vanuit de bestuurdersstoel. Als u de hendel naar u toe zet, wordt het maaidek opgeheven van de grond en als u de hendel weg van u zet, wordt het maaidek neergelaten. De maaihoogte mag uitsluitend worden ingesteld als de machine stilstaat.

Note: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.

Maaibreedte76 cm
Breedte zonder geleider80 cm
Lengte148 cm
Gewicht188 kg
Hoogte106 cm
Oplaadtijd11 uur

Werktuigen/accessoires

Een selectie van door Toro goedgekeurde werktuigen en accessoires is verkrijgbaar voor gebruik met de machine om de mogelijkheden daarvan te verbeteren en uit te breiden. Neem contact op met een erkende servicedealer of een erkende Toro- distributeur, of bezoek www.Toro.com voor een lijst van alle goedgekeurde werktuigen en accessoires.

Om de beste prestaties te verkrijgen en er zeker van te zijn dat de machine altijd veilig kan worden gebruikt, moet u ter vervanging uitsluitend originele Toro- onderdelen en accessoires gebruiken. Gebruik ter vervanging nooit onderdelen en accessoires van andere fabrikanten, omdat dit gevaarlijk kan zijn. Dit kan ertoe leiden dat de garantie op het product komt te vervallen.

Gebruiksaanwijzing

Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.

Voor gebruik

Dagelijks onderhoud uitvoeren

Voer elke dag, voordat u de machine start, de dagelijkse procedures uit beschreven in .

Het veiligheidssysteem gebruiken

Waarschuwing

Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken.

  • Laat de interlockschakelaars ongemoeid.

  • Controleer elke dag de werking van de interlockschakelaars en vervang beschadigde schakelaars voordat u de machine weer in gebruik neemt.

Werking van het veiligheidssysteem

Het veiligheidssysteem is bedoeld om starten van de machine alleen mogelijk te maken wanneer:

  • de messchakelaar (aftakas) is uitgeschakeld;

  • de parkeerrem is uitgeschakeld;

  • u op de bestuurdersstoel zit;

  • de rijmodusschakelaar in de stand VOORUIT of NEUTRAAL staat.

Het veiligheidssysteem is ook bedoeld om het inschakelen van de maaimessen alleen mogelijk te maken wanneer de rijmodusschakelaar in de stand VOORUIT staat.

Het veiligheidssysteem testen

OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer het veiligheidssysteem (interlock).
  • Controleer de werking van het veiligheidssysteem telkens voordat u de machine in gebruik neemt. Als het veiligheidssysteem niet werkt zoals hieronder wordt beschreven, moet u het direct laten repareren door een erkende servicedealer.

    1. Neem plaats op de stoel, schakel de parkeerrem in, zet de rijmodusschakelaar in de stand VOORUIT en zet de messchakelaar in de stand UIT. Draai het contactsleuteltje naar de stand AAN, en de machine zal één keer piepen. Druk op het tractiepedaal; de machine mag niet naar voren bewegen. Zet het contact op UIT.

    2. Neem plaats op de stoel, zet de parkeerrem vrij, zet de rijmodusschakelaar in de stand VOORUIT en zet de messchakelaar in de stand AAN. Draai het contactsleuteltje naar de stand AAN, en de machine zal vijf keer piepen. Druk op het tractiepedaal; de machine mag niet naar voren bewegen. Zet het contactsleuteltje op UIT.

    3. Neem plaats op de stoel, zet de parkeerrem vrij, zet de rijmodusschakelaar in de stand ACHTERUIT en zet de messchakelaar in de stand UIT. Draai het contactsleuteltje naar de stand AAN, en de machine zal één keer piepen. Druk op het tractiepedaal; de machine mag niet naar voren bewegen. Zet het contactsleuteltje op UIT.

    4. Neem plaats op de stoel, zet de parkeerrem vrij, zet de rijmodusschakelaar in de stand NEUTRAAL en zet de messchakelaar in de stand UIT. Draai het contactsleuteltje naar de stand AAN, en de machine zal één keer piepen. Zet de rijmodusschakelaar naar de stand VOORUIT. Druk op het tractiepedaal, en de machine moet vooruit rijden. Sta tijdens het vooruit rijden gedeeltelijk op uit de stoel; de machine moet stoppen en 5 keer piepen. Zet het contactsleuteltje op UIT.

    5. Neem plaats op de stoel, zet de parkeerrem vrij, zet de rijmodusschakelaar in de stand NEUTRAAL en zet de messchakelaar in de stand UIT. Draai het contactsleuteltje naar de stand AAN, en de machine zal één keer piepen. Activeer de maaimessen en sta gedeeltelijk op uit de stoel; de maaimessen moeten uitschakelen en de machine moet 5 keer piepen. Zet het contactsleuteltje op UIT.

    6. Neem plaats op de stoel, zet de parkeerrem vrij, zet de rijmodusschakelaar in de stand NEUTRAAL en zet de messchakelaar in de stand UIT. Draai het contactsleuteltje naar de stand AAN, en de machine zal één keer piepen. Zet de rijmodusschakelaar naar de stand VOORUIT en schakel de maaimessen in. Zet de rijmodusschakelaar in de stand ACHTERUIT; de maaimessen moeten uitschakelen. Zet het contactsleuteltje op UIT.

    Bestuurdersstoel instellen

    U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven. De stand van de stoel moet zo zijn dat u de machine het best kunt bedienen en dat u comfortabel zit.

    g341496

    De maaier omschakelen naar zijuitworp of mulchen

    Gevaar

    Als de grasgeleider, afsluiter van de afvoer of de grasvanger niet op de juiste plaats zijn gemonteerd, kunnen u of anderen in aanraking komen met het maaimes of uitgeworpen voorwerpen. Contact met het draaiende maaimes en uitgeworpen voorwerpen kan lichamelijk of dodelijk letsel veroorzaken.

    • Verwijder de grasgeleider nooit van het maaidek omdat hiermee het maaisel wordt afgevoerd naar het gazon. Een beschadigde grasgeleider moet direct worden vervangen.

    • Steek nooit uw handen of voeten onder het maaidek.

    • Probeer nooit het afvoersysteem of de maaimessen te reinigen zonder eerst de messchakelaar (aftakas) UIT te schakelen, het contactsleuteltje op UIT te draaien en het sleuteltje uit het contact te nemen.

    • Controleer of de grasgeleider omlaag staat.

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking.

    2. Schakel de machine uit en verwijder het contactsleuteltje.

    3. Schakel het maaidek om naar zijuitworp of mulchen.

      • Om het maaidek om te schakelen naar zijuitworp:

        1. Druk op de hendel op de mulchingkap om deze te openen.

          g341499
        2. Plaats de afvoergeleider onder de kap zodat de geleider wordt bevestigd door de pennen van de mulchingkap.

        g341498
      • Om het maaidek om te schakelen naar mulching, verwijdert u de geleider en sluit u de mulchingkap.

        Note: De kap wordt automatisch vergrendeld wanneer ze volledig wordt gesloten.

    Tijdens gebruik

    De machine starten

    1. Ga op de bestuurdersstoel zitten.

    2. Zet de parkeerrem vrij.

    3. Zorg ervoor dat de messchakelaar (aftakas) is uitgeschakeld.

    4. Zet de rijmodusschakelaar naar de NEUTRAALSTAND.

    5. Draai het contactsleuteltje naar de stand AAN.

    Met de machine rijden

    Note: Wees altijd voorzichtig als u achteruitrijdt of draait.

    1. Zet de parkeerrem vrij.

    2. Zet de rijmodusschakelaar in de stand VOORUIT of ACHTERUIT.

    3. Zet uw voet op het tractiepedaal en trap het pedaal langzaam in om te beginnen rijden.

      Note: Hoe verder u het pedaal intrapt, des te sneller zal de machine rijden.

    4. Laat het tractiepedaal opkomen en trap langzaam het rempedaal in om de machine te stoppen of te vertragen.

      Note: Stop de machine voordat u van richting verandert naar vooruit of achteruit.

    De machine afzetten

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.

    2. Schakel de maaimessen uit.

    3. Stel de parkeerrem in werking.

    4. Draai het sleuteltje naar de stand UIT en verwijder het.

    De messchakelaar (aftakas) bedienen

    De messchakelaar (aftakas) start en stopt de maaimessen.

    Messchakelaar (aftakas) inschakelen

    Zorg ervoor dat de rijmodusschakelaar in de stand VOORUIT staat voordat u de maaimessen inschakelt. Zie Knop achteruit maaien voor achteruit maaien.

    g008945

    Messchakelaar uitschakelen

    Note: De maaimessen worden automatisch uitgeschakeld wanneer u de machine in achteruit gebruikt (wanneer u de knop voor achteruit maaien niet gebruikt) of wanneer de bestuurder overeind komt uit de stoel.

    g009174

    De maaihoogte instellen

    U kunt de maaihoogte instellen van 25 tot 104,7 mm. Trek de hendel naar rechts, zet hem op de gewenste hoogte en laat de hendel los in de sleuf. Raadpleeg de tabel voor de maaihoogtestanden.

    g343035
    MaaihoogtestandHoogte
    125,0 mm
    231,8 mm
    340,7 mm
    451,2 mm
    562,4 mm
    673,4 mm
    783,4 mm
    891,9 mm
    999 mm
    10104,7 mm

    Tips voor bediening en gebruik

    Wanneer u een gazon voor de eerste keer maait

    Laat het gras iets langer dan normaal om te voorkomen dat oneffenheden in het gras volledig worden weggemaaid. In het algemeen kan het best de voorheen gebruikte maaihoogte worden gekozen. Als u gras van meer dan 15 cm lang gaat maaien, kunt u het best in twee keer maaien om een goed maairesultaat te verkrijgen.

    Eén derde van de lengte van het gras afmaaien

    Maai niet meer dan ongeveer een derde van de lengte van het gras af of niet meer dan 2,5 cm van de lengte van het gras. Meer afmaaien wordt afgeraden, tenzij het gras dun is, of in de late herfst, wanneer het gras langzamer groeit.

    Maairichting afwisselen

    Maai afwisselend in verschillende richtingen, zodat het gras rechtop blijft staan. Dit zorgt ook voor een betere verspreiding van het maaisel, wat de vertering en bemesting ten goede komt.

    Met de juiste regelmaat maaien

    Het tempo waarmee het gras groeit, varieert per jaargetijde. Om dezelfde maaihoogte te behouden, moet u in het vroege voorjaar vaker maaien. Als de groeisnelheid in de zomer afneemt, maait u minder vaak. Als u langere tijd niet hebt kunnen maaien, maait u eerst op een hoge maaihoogte. Maai 2 dagen later op een lagere maaihoogte.

    Een lagere maaisnelheid gebruiken

    Om de maairesultaten te verbeteren, moet u in bepaalde omstandigheden bij een lagere rijsnelheid maaien.

    Gras niet te kort afmaaien

    Wanneer u op oneffenheden maait, moet u de maaihoogte hoger zetten om een golvend gazon te voorkomen.

    De machine stoppen

    Als u de machine tijdens het maaien moet stoppen, kan er een kluit maaisel op uw gazon achterblijven. Om dit te voorkomen kunt u naar een reeds gemaaid oppervlak gaan met de messen ingeschakeld, of u kunt het maaidek uitschakelen terwijl u vooruitgaat.

    Onderkant van het maaidek schoonhouden

    Verwijder na elk gebruik maaisel en vuil van de onderkant van het maaidek. Als zich gras en vuil in het maaidek ophopen, leidt dat uiteindelijk tot een onbevredigend maairesultaat.

    Onderhoud van de maaimessen

    Zorg gedurende het hele maaiseizoen voor een scherp maaimes. Een scherp mes snijdt het gras goed af zonder het te scheuren of te kwetsen. Door scheuren en kwetsen wordt het gras bruin aan de randen, waardoor het langzamer groeit en gevoeliger is voor ziekten. Controleer na elk gebruik of de maaimessen scherp zijn en of ze versleten of beschadigd zijn. Vijl regelmatig kerven en inkepingen weg en slijp de messen indien dit nodig is. Als een mes beschadigd of versleten is, moet u dit onmiddellijk vervangen door een origineel Toro mes.

    Na gebruik

    De machine transporteren

    Gebruik een aanhanger of vrachtwagen voor zwaar vervoer om de machine te transporteren. Gebruik altijd een oprijplaat over de volledige breedte. Zorg ervoor dat de aanhanger of vrachtwagen is voorzien van alle benodigde remmen, verlichting en aanduidingen die wettelijk vereist zijn. Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies. Met behulp van deze informatie kunt u voorkomen dat omstanders of uzelf letsel oplopen. Raadpleeg de lokale vereisten inzake aanhangwagens en de bevestiging van machines.

    Waarschuwing

    Rijden op de weg zonder richtingaanwijzers, verlichting, reflectoren of een bord met de aanduiding 'Langzaam rijdend voertuig' is gevaarlijk en kan leiden tot ongelukken die lichamelijk letsel veroorzaken.

    Rijd niet met de machine op de openbare weg.

    Een aanhanger kiezen

    Waarschuwing

    Als een machine wordt geladen op een aanhanger of een vrachtwagen, wordt de kans vergroot dat de machine kantelt. Dit kan ernstig lichamelijk letsel of de dood veroorzaken (Figuur 14).

    • Gebruik één oprijplaat over de volledige breedte. Gebruik geen afzonderlijke oprijplaten voor elke kant van de machine.

    • Zorg ervoor dat de hoek van de oprijplaat en de grond of van de oprijplaat en de aanhanger of vrachtwagen niet groter is dan 12 graden.

    • Zorg ervoor dat de oprijplaat minstens 4 keer zo lang is als de afstand van de laadbak van de vrachtwagen of aanhanger tot de grond. Hierdoor is de hoek die de oprijplaat maakt niet groter dan 12 graden op een vlakke ondergrond.

    g027996

    De machine laden

    Waarschuwing

    Als een machine wordt geladen op een aanhanger of een vrachtwagen, wordt de kans vergroot dat de machine kantelt. Dit kan ernstig lichamelijk letsel of de dood veroorzaken.

    • Ga zeer voorzichtig te werk als u een machine een hellingbaan op-/afrijdt.

    • Rij de machine achteruit op de oprijplaat en rij er vooruit af.

    • U mag niet abrupt versnellen of vertragen als u de machine een hellingbaan op- of afrijdt, omdat anders de machine kan kantelen of u de controle over de machine kunt verliezen.

    1. Als u een aanhanger gebruikt, bevestig deze dan aan het sleepvoertuig en sluit de veiligheidskettingen aan.

    2. Sluit indien van toepassing de remmen en verlichting van de aanhanger aan.

    3. Laat de oprijplaat zakken; zorg dat de hellingshoek van de oprijplaat ten opzichte van de grond niet groter is dan 12 graden (Figuur 14).

    4. Rij de machine achteruit op de oprijplaat.

      g028294
    5. Zet de machine uit, verwijder het sleuteltje en stel de parkeerrem in werking.

    6. Zet de machine vast bij de voorste en achterste assen; gebruik hierbij spanbanden, kettingen, kabels of touwen. Raadpleeg de lokale vereisten inzake de bevestiging van machines.

      g343282

    De machine van de aanhanger rijden

    1. Laat de oprijplaat zakken; zorg dat de hellingshoek van de oprijplaat ten opzichte van de grond niet groter is dan 12 graden (Figuur 14).

    2. Rij de machine vooruit de oprijplaat af (Figuur 15).

    Een defecte machine verplaatsen

    De machine geeft een melding wanneer de accuspanning te laag wordt. Zo hebt u nog genoeg vermogen om terug te gaan naar het oplaadstation; zie Accu-ontladingsindicator.

    Moet u de machine slepen, schakel de parkeerrem dan uit en sleep de machine aan loopsnelheid.

    Onderhoud

    Note: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.

    Aanbevolen onderhoudsschema

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • Controleer het veiligheidssysteem (interlock).
  • De accu's opladen.
  • De maaimessen controleren.
  • Na elk gebruik
  • Maaikast reinigen.
  • Om de 25 bedrijfsuren
  • De lagers van de voorwielen smeren.
  • De accu's reinigen.
  • De bandenspanning controleren.
  • Vóór de stalling
  • Voorafgaande aan de stalling moeten alle bovengenoemde onderhoudsprocedures worden uitgevoerd.
  • Beschadigde oppervlakken bijwerken.
  • Maandelijks
  • Controleer op lekkages van de accu.
  • Voorzichtig

    Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de machine per ongeluk start, waardoor u en andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen.

    Zet de machine uit en haal het sleuteltje uit het contact voordat u onderhoud uitvoert.

    Procedures voorafgaande aan onderhoud

    Toegang tot de accu's

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking.

    2. Schakel de machine uit en verwijder het contactsleuteltje.

    3. Kantel de bestuurdersstoel naar voren.

      g358655
    4. Zet de maaihoogtehendel in de middelste stand en verwijder de handgreep.

      g358658
    5. Steek de kabelboomconnectoren in de opening van het bedieningspaneel.

    6. Verwijder de 4 schroeven waarmee het deksel is bevestigd aan de linkerkant van de machine. Herhaal deze procedure aan de rechterkant.

      g358653
    7. Verwijder de 3 achterste schroeven van het deksel.

      g358652
    8. Verwijder de 4 bovenste schroeven van het deksel.

      g358654
    9. Til het deksel voorzichtig op en zet het naast de machine.

      Note: Het is niet nodig de kabelboom af te koppelen van de bedieningsorganen.

      g358651
    10. Voer de omgekeerde procedure uit om het deksel te monteren.

    Important: Zorg ervoor dat er na onderhoudswerkzaamheden geen open circuits of losse draden zijn.

    Smering

    De lagers van de voorwielen smeren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 25 bedrijfsuren
  • De lagers van de voorwielen smeren.
  • Type vet: universeel smeervet

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking.

    2. Schakel de machine uit en verwijder het contactsleuteltje.

    3. Reinig de smeernippels met een doek.

      Note: Indien nodig verf van de voorkant van de nippel(s) afkrabben.

    4. Zet een smeerpistool op de nippel.

    5. Spuit vet in de nippels totdat er nieuw vet bij de lagers naar buiten komt.

    6. Overtollig vet wegvegen.

    g343313

    Onderhoud elektrisch systeem

    Onderhoud van de accu's

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Maandelijks
  • Controleer op lekkages van de accu.
  • Note: De oorspronkelijke accus hebben geen onderhoud nodig.

    Waarschuwing

    Accupolen of metalen gereedschappen kunnen kortsluiting maken met metalen onderdelen, waardoor vonken kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen, waardoor lichamelijk letsel kan ontstaan.

    • Zorg ervoor dat bij het verwijderen of installeren van de accu de accupolen niet in aanraking komen met metalen onderdelen van de machine.

    • Voorkom dat metalen gereedschappen kortsluiting veroorzaken tussen de accupolen en metalen onderdelen van de machine.

    • Gebruik geïsoleerd gereedschap voor het onderhoud van de accu's.

    • Zorg ervoor dat de accuhouders altijd op hun plaats zitten om de accu's te beschermen en vast te zetten.

    Gevaar

    Raak elektrische onderdelen of contacten op de motor niet aan.

    Indien u dergelijke onderdelen of contacten aanraakt, kan dit ernstig of dodelijk letsel veroorzaken.

    De accu's reinigen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 25 bedrijfsuren
  • De accu's reinigen.
    1. Zorg ervoor dat alle doppen vastzitten.

    2. Veeg de accu's schoon met een tissue.

    3. Als de accupolen zijn geoxideerd, moet u deze schoonmaken met een oplossing van vier delen water en één deel zuiveringszout. Reinig ook de accuklemmen en kabelklemmen met een speciaal schoonmaakmiddel.

      Note: De klemmen moeten een heldere metaalglans hebben.

    4. Spuit een dun laagje Toro beschermspray op de accupolen.

    De accu's opladen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • De accu's opladen.
  • Voor een maximale levensduur van de accu moet u de accu's gebruiken tot ze bijna leeg zijn voor elke oplaadbeurt. Laad de accu's onmiddellijk op als u een aanzienlijke hoeveelheid vermogen hebt gebruikt. De accu's zullen een efficiëntere elektrische productie leveren nadat u ze een aantal keren hebt opgeladen en gebruikt tot ze bijna leeg waren.

    Note: De normale oplaadtijd bedraagt ongeveer 11 uur.

    Important: Laad de accu's op tussen 0 en 40 °C.

    Waarschuwing

    Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen.

    Rook nooit in de buurt van de accu's en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu's komen.

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, in een goed geventileerde ruimte in de buurt van een geschikt stopcontact.

    2. Schakel de messchakelaar uit en stel de parkeerrem in werking.

    3. Schakel de machine uit, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.

    4. Sluit de lader aan op het oplaadcontact en draai de plug rechtsom om deze te bevestigen (Figuur 24).

      Note: De oplaadplug past maar op 1 manier op de machine.

      Note: Controleer of de instelling van het voltage op de oplader overeenstemt met het voltage op het gebruikte stopcontact.

      Note: Als de acculader te heet is, kan deze niet goed opladen. Bij koude temperaturen kan het langer duren om de accu's op te laden.

      g354110g341469
    5. Steek het netsnoer van de oplader in het stopcontact.

      Note: Het oplaadlampje zal rood oplichten om aan te geven dat er een verbinding is tussen de accu en de lader.

    6. Laat de accu opladen.

      Note: De accu is enkel volledig opgeladen wanneer het oplaadlampje groen oplicht.

    7. Haal na het opladen de stekker van het netsnoer uit het stopcontact.

    8. Schuif de knop op de plug naar achteren, draai de plug linksom en trek de plug uit het contact (Figuur 25).

      g341470

    De accu's vervangen

    Neem contact op met uw erkende servicedealer om de accu's te vervangen.

    Onderhoud aandrijfsysteem

    De bandenspanning controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Om de 25 bedrijfsuren
  • De bandenspanning controleren.
  • Zorg ervoor dat de voor- en achterbanden de voorgeschreven spanning hebben. Een ongelijke bandenspanning kan leiden tot onregelmatige maairesultaten. Controleer de bandenspanning bij het ventiel wanneer de banden koud zijn om de meest accurate meting te verkrijgen.

    Pomp alle banden op tot 1,38 bar.

    g000554

    Olie bijvullen in de tandwielkast

    Olie type: SAE 90 tandwielkast olie

    Tandwielkast inhoud: 200 ml

    De tandwielkast van de achteras vereist geen onderhoud. Als er echter olieverlies is kan de olie worden bijgevuld.

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking.

    2. Schakel de machine uit en verwijder het contactsleuteltje.

    3. Neem de plug uit de tandwielkast.

      g392333
    4. Vul de tandwielkast met olie.

    5. Plaats de plug.

    Onderhoud van het maaimachine

    Onderhoud van de maaimessen

    Om een goed maairesultaat te verkrijgen, moet u de maaimessen scherp houden. Om het slijpen en vervangen te vergemakkelijken, is het handig extra messen in voorraad te hebben.

    Vóór controle en onderhoud van de maaimessen

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking.

    2. Schakel de machine uit en verwijder het contactsleuteltje.

    3. Krik de machine op zodat u de onderkant ervan kunt bereiken. Ondersteun de machine met assteunen.

      Waarschuwing

      Een mechanische of hydraulische krik kan een machine niet altijd dragen. Als de machine dan valt, kan dit ernstig letsel veroorzaken.

      Plaats de machine altijd op assteunen.

    De maaimessen controleren

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Bij elk gebruik of dagelijks
  • De maaimessen controleren.
    1. Controleer de snijranden (Figuur 28).

    2. Als de randen niet scherp zijn of bramen vertonen, moet u het maaimes verwijderen en slijpen; zie De maaimessen slijpen.

    3. Controleer de messen, in het bijzonder het gebogen deel.

    4. Als u scheuren, slijtage of groefvorming in dit deel constateert, moet u direct een nieuw mes monteren (Figuur 28).

      g006530

    Controle op kromme messen

    Note: De machine moet op een egaal oppervlak staan voor de volgende procedure.

    1. Zet het maaidek op de hoogste maaipositie.

    2. Trek dikke handschoenen of andere adequate handbescherming aan en draai langzaam het mes in een stand die meting mogelijk maakt van de afstand tussen de maairand en het egale oppervlak waarop de machine staat (Figuur 29).

      g343366
    3. Meet de afstand tussen het uiteinde van het mes en de vlakke ondergrond (Figuur 30).

      g343365
    4. Draai hetzelfde mes 180 graden, zodat de maairand aan de andere kant nu in dezelfde stand staat (Figuur 31).

      g343369
    5. Meet de afstand tussen het uiteinde van het mes en de vlakke ondergrond (Figuur 32).

      Note: De speling mag niet meer dan 3 mm bedragen.

      g343365
      1. Als het verschil tussen A en B groter is dan 3 mm, vervang dan het mes door een nieuw mes; zie Maaimessen verwijderen en Maaimessen monteren.

        Note: Als een krom mes is vervangen door een nieuw mes en de afstand nog altijd groter is dan 3 mm, dan is het mogelijk dat de mesas verbogen is. Neem contact op met een erkende onderhoudsdealer voor service.

      2. Ga als het verschil binnen de grenzen ligt door met het volgende mes.

    6. Herhaal deze procedure op elk mes.

    Maaimessen verwijderen

    Vervang messen die een vast voorwerp hebben geraakt of uit balans of krom zijn.

    1. Plaats een houten blok tussen het mes en de maaibehuizing om te verhinderen dat het mes kan draaien.

    2. Pak het uiteinde van het mes vast met een doek of een dikke handschoen.

    3. Verwijder het mes.

      g343371

    De maaimessen slijpen

    1. Gebruik een vijl om de snijranden aan beide uiteinden van het mes te slijpen (Figuur 34).

      Note: Houd daarbij de oorspronkelijke hoek in stand.

      Note: Het mes blijft in balans als u van beide snijranden dezelfde hoeveelheid materiaal verwijdert.

      g000552
    2. Controleer de balans van het mes met een mesbalans (Figuur 35).

      Note: Als het mes horizontaal blijft, is het in balans en geschikt voor gebruik.

      Note: Als het mes niet in balans is, moet u wat metaal afvijlen van het uiteinde van de vleugel (Figuur 34).

      g000553
    3. Herhaal dit indien nodig totdat het mes in balans is.

    Maaimessen monteren

    1. Monteer het mes en de adapter op de maaias (Figuur 36).

      Important: Het gebogen deel van het mes moet naar de binnenzijde van de maaikast wijzen om een goede maaikwaliteit te garanderen.

      g343371
    2. Monteer de klemring (holle kant naar het mes toe) en de moer.

    3. Draai de moer vast met een torsie van 35 N·m.

    Reiniging

    De onderkant van het maaidek reinigen

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure
    Na elk gebruik
  • Maaikast reinigen.
  • Nadat u de maaimachine heeft gebruikt, moet u de onderkant van het maaidek telkens wassen om te voorkomen dat er zich gras verzamelt. Hierdoor wordt gras beter fijn gemaakt en het maaisel beter verstrooid.

    Important: Gebruik geen water om het maaidek te reinigen, anders kunt u de elektrische motoren beschadigen.

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking.

    2. Schakel de machine uit, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.

    3. Krik de machine op zodat u de onderkant ervan kunt bereiken. Ondersteun de machine met assteunen.

      Waarschuwing

      Een mechanische of hydraulische krik kan een machine niet altijd dragen. Als de machine dan valt, kan dit ernstig letsel veroorzaken.

      Plaats de machine altijd op assteunen.

    4. Schraap aangekoekt gras en ander vuil van het maaidek, de afgewerkte oppervlaktes en de wielen.

    Afval afvoeren

    Motorolie, accu's, hydraulische vloeistof en motorkoelvloeistof verontreinigen het milieu. Verwijder deze stoffen volgens de plaatselijke voorschriften.

    Stalling

    Reiniging en stalling

    1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de messchakelaar (aftakas) uit en stel de parkeerrem in werking.

    2. Schakel de machine uit, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.

    3. Verwijder maaisel, vuil en vet van de buitenkant van de gehele machine, met name van de motor.

    4. Controleer de werking van de parkeerrem; zie Parkeerremhendel.

    5. Smeer de machine; zie Smering.

    6. Controleer de bandenspanning; zie De bandenspanning controleren.

    7. Laad de accu's op; zie De accu's opladen.

    8. Schraap zwaar aangekoekt gras en vuil van de onderkant van de maaier.

    9. Controleer de staat van de maaimessen; raadpleeg Onderhoud van de maaimessen.

    10. Controleer alle bevestigingen en zet ze vast. Repareer of vervang beschadigde delen.

    11. Werk alle krassen en beschadigingen van de lak bij. Bijwerklak is verkrijgbaar bij een erkende servicedealer.

    12. Stal de machine in een schone, droge garage of opslagruimte. Verwijder het sleuteltje uit het contact en bewaar het buiten het bereik van kinderen en onbevoegde personen. Dek de machine af om deze te beschermen en schoon te houden.

    Opslag van de accu

    OnderhoudsintervalOnderhoudsprocedure

    Important: Sla de accu's op tussen -10 en 40 °C.

    1. Laad de accu's volledig op voordat u de machine stalt; zie De accu's opladen. Koppel de lader af wanneer de accu's volledig opgeladen zijn.

    2. Laad de accu minstens om de 60 dagen op.

      Important: Laat de lader niet aangesloten op de machine terwijl de machine gestald is.

    Problemen, oorzaak en remedie

    ProblemPossible CauseCorrective Action
    De aandrijfmotor start niet.
    1. De rijmodusschakelaar staat in de Neutraalstand.
    2. De parkeerrem is in werking gesteld.
    3. Het rempedaal is ingetrapt.
    4. Het tractiepedaal is ingetrapt.
    5. De mesmotor is geblokkeerd.
    6. De aandrijfmotor is geblokkeerd.
    7. De accuspanning is laag.
    1. Zet de rijmodusschakelaar in de stand Vooruit of Achteruit.
    2. Zet de parkeerrem vrij.
    3. Laat het rempedaal opkomen.
    4. Laat het tractiepedaal opkomen.
    5. Zet de machine uit en verwijder vuil, of wacht tot de controller automatisch wordt ontgrendeld na 5 seconden.
    6. Verwijder vuil of obstakels van de aandrijfmotor.
    7. Laad de accu's op.
    De mesmotor start niet.
    1. De rijmodusschakelaar staat in de Neutraalstand.
    2. De parkeerrem is in werking gesteld.
    3. De mesmotor is geblokkeerd.
    4. De accuspanning is laag.
    1. Zet de rijmodusschakelaar naar de stand Vooruit.
    2. Zet de parkeerrem vrij.
    3. Zet de machine uit en verwijder vuil, of wacht tot de controller automatisch wordt ontgrendeld na 5 seconden.
    4. Laad de accu's op.
    De machine start niet.
    1. De controller of de motor is beschadigd.
    2. Een accu is defect.
    1. Schakel de machine uit en start ze opnieuw na 5 seconden. Als de machine niet start na verschillende cycli, moet u de controller vervangen.
    2. Vervang de accu.
    De machine trilt abnormaal.
    1. Het maaimes (de maaimessen) is (zijn) verbogen of niet in balans.
    2. De bevestigingsbout van het maaimes zit los.
    3. Mesas verbogen.
    4. De motorophangplaat zit los of is versleten.
    1. Nieuwe maaimes(sen) monteren.
    2. De bevestigingsbout van het maaimes vastdraaien.
    3. Neem contact op met een erkende servicedealer.
    4. Neem contact op met een erkende servicedealer.
    De maaihoogte is ongelijk.
    1. Maaimes(sen) bot.
    2. Maaimes(sen) verbogen of niet in balans.
    3. De onderkant van het maaidek is vuil.
    4. De bandenspanning is niet correct.
    5. Mesas verbogen.
    1. Mes(sen) slijpen.
    2. Nieuwe maaimes(sen) monteren.
    3. Reinig de onderkant van het maaidek.
    4. Banden op juiste spanning brengen.
    5. Neem contact op met een erkende servicedealer.
    De machine werpt niet (goed) uit.
    1. Het gras is te zwaar of te lang.
    2. Het gras is te vochtig.
    1. Maai op de hoogste maaihoogte; maai dan op de gewenste hoogte.
    2. Wacht tot het gazon droog is.

    Schema's

    Elektrisch schema

    g355680