TimeCutter® MR4275T en MR5075T
zero-turn zitmaaier

Disclaimers en wettelijke informatie
Dit product voldoet aan alle relevante Europese richtlijnen; zie voor details de aparte productspecifieke conformiteitsverklaring.
Bruto- en nettokoppel: Het bruto- en nettokoppel van deze motor is door de motorfabrikant in laboratoriumomstandigheden gemeten volgens standaard J1940 of J2723 van de Society of Automotive Engineers (SAE). Omdat bij de configuratie rekening is gehouden met de veiligheids-, emissie- en gebruiksvoorschriften, zal de motor van dit type maaiers in de praktijk veel minder koppel hebben. Raadpleeg de meegeleverde documentatie van de motorfabrikant.
 
CALIFORNIË
 
Proposition 65 Waarschuwing
 
De uitlaatgassen van de motor van dit product bevatten chemische stoffen waarvan de staat Californië weet dat ze kanker, geboorteafwijkingen of andere schade aan de voortplantingsorganen kunnen veroorzaken.
 
Accuklemmen, accupolen en dergelijke onderdelen bevatten lood en loodverbindingen. Van deze stoffen weet de staat Californië dat ze kanker en schade aan de voortplantingsorganen veroorzaken. Was uw handen nadat u met deze onderdelen in aanraking bent geweest.
 
Gebruik van dit product kan u blootstellen aan chemische stoffen waarvan de staat Californië weet dat ze kanker, geboorteafwijkingen of schade aan de voortplantingsorganen veroorzaakt.
 

 
 
 
Inleiding
 

Beoogd gebruik

Deze zitmaaier met draaiende messen is bedoeld voor gebruik door particulieren in residentiële toepassingen. De machine is voornamelijk ontworpen voor het maaien van gras op goed onderhouden gazons. Dit product gebruiken voor andere doeleinden dan het bedoelde gebruik kan gevaarlijk zijn voor u of voor omstanders.
Lees deze informatie zorgvuldig door, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze moet gebruiken en onderhouden en om schade aan de machine en letsel te voorkomen. U bent verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van de machine.

Hulp zoeken

Graphic
G586609
Ga naar www.Toro.com voor documentatie over productveiligheid en bedieningsinstructies, informatie over accessoires, hulp bij het vinden van een dealer of om uw product te registreren.
Als u service, originele Toro onderdelen of aanvullende informatie nodig hebt, kunt u contact opnemen met een erkende servicedealer of met Toro de klantenservice. U dient hierbij altijd het model- en het serienummer van het product te vermelden. Deze nummers bevinden zich op het plaatje met het serienummer op uw product . U kunt de nummers noteren in de ruimte hieronder.
Belangrijk  
U kunt met uw mobiele apparaat de QR-code op het plaatje met het serienummer (indien aanwezig) scannen om toegang te krijgen tot de garantie, onderdelen en andere productinformatie.
 
Modelnummer:
Serienummer:

Handleidingconventies

Er worden in deze handleiding een aantal mogelijke gevaren en een aantal veiligheidsberichten genoemd met het volgende veiligheidssymbool, dat duidt op een gevaarlijke situatie die zwaar lichamelijk letsel of de dood tot gevolg kan hebben wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen.
Graphic
G405934
Er worden in deze handleiding twee woorden gebruikt om uw aandacht op bijzondere informatie te vestigen. Belangrijk attendeert u op bijzondere technische informatie en Opmerking duidt algemene informatie aan die bijzondere aandacht verdient.
Classificaties voor veiligheidswaarschuwingen
Het waarschuwingssymbool dat wordt getoond in deze handleiding en op de machine geeft belangrijke veiligheidsinformatie aan die u moet opvolgen om ongelukken te voorkomen.
Het waarschuwingssymbool wordt weergegeven boven informatie die u waarschuwt voor onveilige acties of situaties en wordt gevolgd door het woord GEVAAR, WAARSCHUWING, of VOORZICHTIG.
Gevaar
Gevaar: een direct gevaarlijke situatie die, als deze niet wordt voorkomen, altijd zal leiden tot de dood of ernstig letsel.
 
Waarschuwing
Waarschuwing: een mogelijk gevaarlijke situatie die, als deze niet wordt voorkomen, kan leiden tot de dood of ernstig letsel.
 
Opgelet
Voorzichtig: een mogelijk gevaarlijke situatie die, als deze niet wordt voorkomen, kan leiden tot licht of middelmatig letsel.
 

 
 
 
Veiligheid
 

Algemene veiligheid

Dit product kan handen of voeten afsnijden en voorwerpen uitwerpen. Volg altijd alle veiligheidsinstructies op om ernstig of mogelijk dodelijk letsel te voorkomen.
  • Voordat u de motor start, moet u de instructies en waarschuwingen in deze Gebruikershandleiding en op de machine, de motor en de hulpstukken lezen, begrijpen en uitvoeren.
  • Laat kinderen of personen die geen instructie hebben ontvangen de machine niet gebruiken of er onderhoudswerkzaamheden aan verrichten. Laat enkel mensen die verantwoordelijk en getraind zijn en die bovendien vertrouwd zijn met de instructies en fysiek ertoe in staat zijn de machine bedienen of er onderhoudswerkzaamheden aan verrichten.
  • Houd omstanders, en vooral kinderen, uit het werkgebied.
  • Gebruik de machine niet in de buurt van steile hellingen, greppels, oevers, water of andere gevaren, of op hellingen steiler dan 15°.
  • Houd handen en voeten uit de buurt van de bewegende onderdelen.
  • Gebruik de machine alleen als alle veiligheidsplaten, afschermingen, veiligheidsschakelaars en andere voorzieningen aanwezig zijn en juist werken.
  • Parkeer de machine op een gelijke ondergrond, schakel de aandrijvingen uit, stel de parkeerrem in werking, zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat.
  • Wacht totdat de machine is afgekoeld, voordat u de machine afstelt, met brandstof vult, reinigt, stalt of er onderhoudswerkzaamheden aan verricht.

Hellingshoekindicator

U mag deze pagina kopiëren voor persoonlijk gebruik.
Graphic
G011841s
  1. De maximale hellingshoek waarbij u de machine mag gebruiken is 15 graden. Gebruik het hellingsschema om de hellingshoek te bepalen voordat u de machine bedient. Gebruik de machine niet op hellingen van meer dan 15 graden. Langs de betreffende lijn van de aanbevolen hellingshoek vouwen.
  2. Lijn deze rand uit met een verticaal oppervlak, bijvoorbeeld een boom, gebouw of hek.
  3. Voorbeeld van het vergelijken van de hellingshoek met de gevouwen rand

Veiligheids- en instructiestickers

Image
Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of ontbrekende stickers.
Symbolen op accu
Sommige of alle symbolen staan op de accu.
Graphic
s_batterysymbols2
  1. Risico van explosie
  2. Niet roken. Geen open vuur of vonken
  3. Risico van bijtende vloeistof/chemische brandwonden
  4. Draag oogbescherming.
  5. Lees de Gebruikershandleiding.
  6. Houd omstanders uit de buurt van de accu.
  7. Draag oogbescherming; explosieve gassen kunnen blindheid en ander letsel veroorzaken.
  8. Accuzuur kan blindheid of ernstige brandwonden veroorzaken.
  9. Ogen direct met water spoelen en snel arts raadplegen.
  10. Bevat lood; niet weggooien
Sticker onderdeel: Merkteken van fabrikant
Graphic
s_decaloemmarkt
  1.  Dit merkteken geeft aan dat het mes onderdeel van een originele Toro maaimachine is.
Symbolen brandstoftank
Graphic
s_decalfueltanksymbols
  1.  Lees de Gebruikershandleiding.
  2.  Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak wanneer u de brandstoftank vult.
  3.  De tank niet te vol vullen.
Symbolen op aftakas
Graphic
s_decalptosymbols
  1.  Aftakas – uitschakelen
  2.  Aftakas – inschakelen
Sticker onderdeel: 99-3943
Alleen voor modellen met een maaidek van 127 cm
Graphic
s_decal99-3943
  1.  Geleiding van drijfriem
  2.  Motor
Sticker onderdeel: 105-7015
Alleen voor modellen met een maaidek van 107 cm
Graphic
decal105-7015
  1.  Geleiding van drijfriem
Sticker onderdeel: 112-9840
Alleen voor modellen met een maaidek van 127 cm
Graphic
s_decal112-9840
  1.  Lees de Gebruikershandleiding.
  2.  Maaihoogte
  3.  Verwijder het sleuteltje uit het contact en lees de instructies voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden uitvoert.
Sticker onderdeel: 121-2989
Graphic
s_decal121-2989
  1.  Omloophendel, hendel in duwstand.
  2.  Omloophendel, hendel in gebruikstand.
Sticker onderdeel: 130-0731
Graphic
s_decal130-0731
  1.  Waarschuwing – de machine kan voorwerpen uitwerpen; zorg ervoor dat de grasgeleider op zijn plaats zit.
  2.  Handen of voeten kunnen worden gesneden door het maaimes – blijf uit de buurt van bewegende onderdelen.
Sticker onderdeel: 132-0872
Graphic
s_decal132-0872
  1.  Risico op weggeslingerde objecten – houd omstanders op een afstand.
  2.  Risico op uitgeworpen voorwerpen, maaier – gebruik de machine niet met een open maaidek; gebruik een grasvanger of een geleider.
  3.  Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd, maaimes – blijf uit de buurt van bewegende onderdelen.
  4.  Risico dat de handen gegrepen worden, riem – blijf uit de buurt van van bewegende delen; houd alle beschermende delen op hun plaats.
Sticker onderdeel: 139-2391
Graphic
s_decal139-2391s
  1.  Snel
  2.  Langzaam
Sticker onderdeel: 139-2394
Graphic
s_decal139-2394
  1.  Tractiebediening
  2.  Snel
  3.  Langzaam
  4.  Vrijstand
  5.  Achteruit
  6.  Parkeerrem
Sticker onderdeel: 139-2395
Graphic
s_decal139-2395
  1.  Parkeerrem
  2.  Snel
  3.  Langzaam
  4.  Vrijstand
  5.  Achteruit
  6.  Tractiebediening
Sticker onderdeel: 140-2748
Graphic
s_decal140-2748
Sticker onderdeel: 142-5864
Graphic
decal142-5864
Sticker onderdeel: 144-5288
Graphic
s_decal144-5288
  1.  Waarschuwing – lees de Gebruikershandleiding.
  2.  Handen of vingers kunnen worden gesneden/geamputeerd – blijf uit de buurt van bewegende delen; houd alle beschermende delen op hun plaats.
  3.  Machine kan voorwerpen uitwerpen – houd omstanders uit de buurt; raap afval op; zorg ervoor dat de grasgeleider op zijn plaats zit.
  4.  Risico om overreden te worden/achterover te kantelen – vervoer geen passagiers; kijk achterom en omlaag wanneer u achteruitrijdt.
  5.  Kantelgevaar - gebruik geen dubbele oprijplaat bij het laden op een aanhanger. Gebruik een enkele oprijplaat die breed genoeg is voor de machine. Gebruik geen oprijplaat die een hellingshoek heeft van meer dan 15°. Rij achteruit de oprijplaat op en rij vooruit de oprijplaat af.
  6.  Kantelgevaar – gebruik de machine niet in de buurt van steile hellingen of hellingen van meer dan 15°; gebruik de machine alleen op hellingen van minder dan 15°.
Opmerking: Deze machine voldoet aan de tests die de statische breedte- en lengtestabiliteit meten en die standaard zijn in de sector. De maximale aanbevolen hellingshoek wordt vermeld op de sticker. Raadpleeg de instructies voor gebruik van de machine op hellingen in de Gebruikershandleiding en de omstandigheden waarin u de machine zou gebruiken om na te gaan of u de machine op een bepaalde dag en op het terrein in kwestie kunt gebruiken. Veranderingen in het terrein kunnen tot gevolg hebben dat de machine anders reageert op hellingen.
Sticker onderdeel: 164-3327
Graphic
s_decal164-3327

 
 
 
Productoverzicht
 

Graphic
G594367
  1. Motor
  2. MyRide™ stelhendel (alleen machines met MyRide)
  3. Bedieningspaneel
  4. Grasgeleider
  5. Maaihoogtehendel
  6. Antiscalpeerrol
  7. Voorste zwenkwiel
  8. Hefpedaal maaidek (enkel modellen van 127 cm)
  9. Rijhendel
  10. Dop van brandstoftank
Bedieningspaneel
Graphic
G593625
  1.  Gashendel
  2.  Chokeknop
  3.  Aftakasschakelaar
  4.  Contactschakelaar
Sleutelcontact
Gebruik de contactschakelaar om de motor in en uit te schakelen.
Graphic
G375755s
  1.  Zet de motor af
  2.  Laat de motor draaien
  3.  Start de motor
Gashendel
Graphic
G450843
De gashendel regelt het motortoerental en zorgt voor een continu verstelbare regeling van Langzaam naar Snel.
Chokeknop
Gebruik de chokeknop om een koude motor te starten.
Opmerking: Laat een warme motor nooit lopen als de choke op 'AAN' staat.
Graphic
G419508
  1.  Aan
  2.  Uit
Maaimesschakelaar (aftakas)
Met de maaimesschakelaar, aangeduid met het aftakassymbool, schakelt u de aandrijving naar de maaimessen in of uit.
Graphic
G566903
  1.  Aan (ingeschakeld)
  2.  Uit (uitgeschakeld)

Rijhendels

De rijhendels worden gebruikt om de motor vooruit en achteruit te laten rijden en om bochten naar links of naar rechts te maken.
Parkeerstand
Graphic
G438246
Beweeg de rijhendels vanuit het midden naar buiten in de parkeerstand om de parkeerrem aan te halen wanneer u de machine stopt of verlaat.

MyRide®-instelhendel voor de vering

Voor machines met het MyRide-ophangingssysteem
Gebruik de verstelhendel om de stoelvering in te stellen voor een soepele en comfortabele rit.
Graphic
G292102s
  1.  Instelhendel
  2.  Zachtere vering
  3.  Strakkere vering

Maaihoogtehendel

Met de maaihoogtehendel kunt u het maaidek opheffen en neerlaten vanuit de bestuurdersstoel. De maaihoogte mag uitsluitend worden ingesteld als de machine stilstaat.

Maaidekpedaal

Alleen modellen van 127 cm
Gebruik het maaidekpedaal om het maaidek vanuit de zittende positie even omhoog te brengen om obstakels te ontwijken of om de maaihoogte te wijzigen.

Brandstofvenstertje

Graphic
G567032
Door het brandstofvenstertje ziet u of er brandstof in de tank zit.
Specificaties
Opmerking: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.
Maaidek van 107 cm
Maaidek van 127 cm
Maaibreedte
107 cm
127 cm
Breedte met grasgeleider omlaag
135 cm
155 cm
Breedte met grasgeleider omhoog
123 cm
130 cm
Lengte
185 cm
186 cm
Hoogte
112 cm
109 cm
Gewicht
262 kg
283 kg
Hulpstukken/accessoires
Een selectie van door Toro goedgekeurde werktuigen en accessoires is verkrijgbaar voor gebruik met de machine om de mogelijkheden daarvan te verbeteren en uit te breiden. Neem contact op met uw erkende servicedealer of een erkendeToro distributeur, of bezoek www.Toro.com voor een lijst van alle goedgekeurde werktuigen en accessoires.
Om de beste prestaties te verkrijgen en ervoor te zorgen dat de veiligheidscertificaten van de machine blijven gelden, moet u ter vervanging altijd originele Toro onderdelen en accessoires aanschaffen.

 
 
 
Gebruik
 

Voorafgaand aan de werking

Veiligheidsinstructies voorafgaand aan het werk
  • Laat kinderen of personen die geen instructie hebben ontvangen de machine niet gebruiken of er onderhoudswerkzaamheden aan verrichten. Plaatselijke voorschriften kunnen nadere eisen stellen aan de leeftijd van degene die met de machine werkt. Plaatselijke voorschriften kunnen nadere eisen stellen aan de leeftijd van degene die met de machine werkt. De eigenaar is verantwoordelijk voor de instructie van alle bestuurders en technici.
  • Inspecteer het gebied waar u het apparaat gaat gebruiken en verwijder alle voorwerpen die kunnen worden weggeslingerd of die de werking van het apparaat kunnen belemmeren.
  • Inspecteer het terrein om na te gaan welke accessoires en werktuigen nodig zijn om de machine veilig en goed te gebruiken.
  • Vervoer geen passagiers op de machine.
  • Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningsorganen en de veiligheidssymbolen, en weet hoe u de machine veilig kunt gebruiken.
  • Controleer de aanwezigheid en goede werking van de dodemansinrichtingen, veiligheidsschakelaars en schermen. Gebruik de machine uitsluitend als deze naar behoren werkt.
  • Draag geschikte kleding en uitrusting, zoals oogbescherming, een lange broek, stevige schoenen met een gripvaste zool en gehoorbescherming. Draag lang haar niet los en draag geen losse kleding of juwelen.
  • Gebruik de machine niet tenzij alle schermen en veiligheidsvoorzieningen zoals de geleiders en de volledige grasvanger op hun plaats zitten en goed werken. Vervang versleten of kapotte onderdelen indien nodig.
  • Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. Wacht totdat de machine is afgekoeld, voordat u de machine afstelt, met brandstof vult, reinigt, stalt of er onderhoudswerkzaamheden aan verricht.
    Waarschuwing
    Contact met het mes kan leiden tot ernstig lichamelijk letsel.
    Als u de motor uitschakelt moet het maaimes (of de maaimessen) stoppen. Als dit niet het geval is, mag u de machine niet verder gebruiken en moet u contact opnemen met een erkende servicedealer.
     
  • Controleer voordat u begint te maaien de machine om zeker te zijn dat de maai-eenheden goed werken.
  • Houd omstanders, met name kinderen, en huisdieren tijdens het werk uit de buurt van de machine. Schakel de machine en het/de werktuig(en) uit indien iemand het werkgebied betreedt.
Brandstofveiligheid
  • Brandstof is uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van brandstof kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken.
    • Om te voorkomen dat een statische lading de brandstof tot ontbranding kan brengen, moet u het benzinevat en/of de machine voordat u de tank vult op de grond plaatsen, niet op een voertuig of een ander object.
    • Vul de brandstoftank op een horizontaal oppervlak en in de open lucht wanneer de motor koud is. Eventueel gemorste brandstof opnemen.
    • Rook niet als u omgaat met brandstof, en houd brandstof uit de buurt van open vuur en vonken.
    • Als de motor draait of heet is, mag de brandstoftankdop niet worden verwijderd en mag de tank niet met brandstof worden bijgevuld.
    • Probeer de motor niet te starten als u brandstof morst. Zorg ervoor dat er geen ontstekingsbronnen in de buurt zijn totdat de brandstofdampen volledig zijn verdwenen.
    • Brandstof in een goedgekeurd vat of blik en buiten bereik van kinderen bewaren.
  • Giet de brandstoftank niet te vol. Plaats de brandstofdop terug en maak hem stevig vast.
  • In bepaalde omstandigheden kan tijdens het tanken statische elektriciteit worden ontladen, waardoor vonken ontstaan die de brandstofdampen tot ontbranding kunnen brengen.
  • Vul brandstofvaten niet in een voertuig, vrachtwagen of op een aanhanger met kunststof beplating. Zet brandstofvaten altijd op de grond en uit de buurt van het voertuig voordat u de tank bijvult.
  • Laad de machine uit de vrachtwagen of aanhanger en vul deze bij met brandstof wanneer ze op de grond staat. Als dit niet mogelijk is, vul dan brandstof bij uit een draagbaar vat in plaats van met een brandstofpistool.
  • Houd het vulpistool in contact met de rand van de benzinetank of het vat tot het tanken voltooid is. Gebruik geen vergrendeling voor het vulpistool.
  • Brandstof is schadelijk of dodelijk bij inname. Langdurige blootstelling aan dampen kan leiden tot ernstig letsel en ziekte.
    • Voorkom dat u dampen lange tijd inademt.
    • Houd uw handen en gezicht uit de buurt van het vulpistool en de opening van de brandstoftank.
    • Houd brandstof uit de buurt van ogen en huid.
  • Neem eventueel gemorste brandstof op.
  • Sla de machine en de brandstofhouder niet op plaatsen waar open vlammen, vonken of waakvlammen (bv. van een boiler of andere toestellen) aanwezig kunnen zijn.
  • Gebruik de machine uitsluitend als het complete uitlaatsysteem is gemonteerd en naar behoren werkt.
Brandstof
Brandstof
Capaciteit
19 liter
Type
Loodvrije benzine
Minimaal octaangetal
87 (VS) of 91 (researchoctaangetal; buiten de VS)
Ethanol
Niet meer dan 10% van het volume
Methanol
Geen
MTBE (methyl-tertiair-butylether)
Niet meer dan 15% van het volume
Olie
Niet toevoegen aan de brandstof
Gebruik uitsluitend schone, verse brandstof (minder dan 30 dagen oud) van een gerespecteerde bron.
Belangrijk  
Als u minder problemen wilt ondervinden tijdens de start, kunt u een brandstofstabilisator/conditioner aan de verse brandstof toevoegen volgens de voorschriften van de fabrikant van de brandstofstabilisator/conditioner.
 
Brandstoftank vullen
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.
  2. Zet de rijhendels in Parkeer.
  3. Zet de motor af en verwijder het sleuteltje.
  4. Maak de omgeving rond de tankdop schoon en vul de brandstoftank.
    Belangrijk  
    Vul de tank tot aan de onderkant van de vulnek. Vul de brandstoftank niet helemaal.
     
    Graphic
    G567079
Dagelijks onderhoud uitvoeren
Voer elke dag, voordat u de machine start, de dagelijkse procedures uit die beschreven staan in het onderhoudsschema.
Inrijperiode
Een nieuwe motor heeft tijd nodig om vol vermogen te ontwikkelen. Maai-eenheden en aandrijfsystemen hebben meer wrijving als zij nieuw zijn, waardoor de motor extra wordt belast. Houd er rekening mee dat een nieuwe machine een inrijperiode van 40 tot 50 bedrijfsuren nodig heeft om vol vermogen te ontwikkelen voor de beste prestaties.
Veiligheidssysteem
Het veiligheidssysteem is bedoeld om starten van de motor alleen mogelijk te maken wanneer:
  • de messchakelaar (aftakas) is uitgeschakeld;
  • De rijhendels staan in de parkeerstand.
Het veiligheidssysteem zorgt ook dat de motor wordt gestopt wanneer de rijhendels niet in Parkeer staan en u de bestuurdersstoel verlaat.
Waarschuwing
Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken.
  • Laat de interlockschakelaars ongemoeid.
  • Controleer elke dag de werking van de interlockschakelaars en vervang beschadigde schakelaars voordat u de machine weer in gebruik neemt.
 
Het veiligheidssysteem testen
Controleer de werking van het veiligheidssysteem telkens voordat u de machine in gebruik neemt. Als het veiligheidssysteem niet werkt zoals hieronder wordt beschreven, moet u het direct laten repareren door een erkende servicedealer.
  1. Neem plaats op de bestuurdersstoel, zet de rijhendels in de Parkeerstand en zet de messchakelaar Aan. Probeer de motor te starten; de motor mag nu niet gaan draaien.
    Graphic
    G511504
  2. Blijf zitten op de bestuurdersstoel en schakel de messchakelaar in de Uit-stand. Zet één van de rijhendels in de middelste, onvergrendelde stand. Probeer de motor te starten; de motor mag nu niet gaan draaien. Beweeg nu de andere rijhendel.
    Graphic
    G511505
  3. Blijf zitten op de bestuurdersstoel, zet de messchakelaar Uit en zet de rijhendels in de Parkeerstand. Start de motor. Als de motor loopt, schakelt u de messchakelaar in en komt u iets overeind uit de bestuurdersstoel; de motor moet binnen 1 seconde stoppen.
    Graphic
    G511506
  4. Blijf zitten op de bestuurdersstoel, zet de messchakelaar Uit en zet de rijhendels in de Parkeerstand. Start de motor. Als de motor loopt, moet u de rijhendels in de middelste, onvergrendelde stand zetten. Kom dan iets overeind uit de bestuurdersstoel; de motor moet binnen 1 seconde stoppen.
    Graphic
    G511507
De bestuurdersstoel instellen
Graphic
G594372
De hoogte van de rijhendel afstellen
U kunt de hoogte van de rijhendels afstellen, voor meer comfort.
Graphic
G441093
De hoek van de rijhendel afstellen
U kunt de hoek van de rijhendels naar voren of achteren afstellen, voor meer comfort.
    Graphic
    G333846s
  1. Maak de bovenste bout los.
  2. Draai de onderste bout los totdat u de rijhendels naar voren of naar achteren kunt bewegen.
  3. Draai beide bouten vast.
  4. Stel vervolgens ook de andere rijhendel af.
Omzetten naar zijafvoer voor maaidekken van 107 cm
Plaats de bevestigingen in dezelfde openingen in het maaidek als waar deze oorspronkelijk uit verwijderd zijn. Hierdoor voorkomt u dat er openingen niet afgedekt zijn wanneer u het maaidek gebruikt.
Waarschuwing
Het maaidek kan voorwerpen uitwerpen uit niet-afgedichte openingen, waardoor u en anderen letsel kunnen oplopen.
  • Gebruik de machine nooit zonder dat alle openingen in het maaikast zijn afgedicht met bouten en moeren.
  • Zorg ervoor dat er bouten en moeren zijn gemonteerd in de montageopeningen als de mulchplaat is verwijderd.
 
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Verwijder het maaidek; zie Het maaidek verwijderen.
  4. Verwijder het schot zoals getoond; bewaar de bevestigingsmiddelen.
    Graphic
    G296990s
    1.  Borgmoer – 5/16" (4)
    2.  Slotbout – 5/16" x ¾" (2)
    3.  Schot
    4.  Gelaste pen (2)
  5. Gebruik 2 bouten van de losse onderdelen en gebruik de 2 aanwezige borgmoeren om de openingen die worden gebruikt voor de gelaste pennen te monteren om zo rondvliegende voorwerpen te voorkomen.
    Opmerking: Installeer de bevestigingen zo dat de moeren zich buiten het dek bevinden.
  6. Gebruik de bout can de losse onderdelen en gebruik de aanwezige borkmoer on de opening aan de voorkant van het maaidek te monteren.
    Opmerking: Installeer de bevestigingen zo dat de moeren zich buiten het dek bevinden.
  7. Monteer het maaidek; zie Het maaidek monteren.
Omzetten naar zijafvoer voor maaidekken van 127 cm
Plaats de bevestigingen in dezelfde openingen in het maaidek als waar deze oorspronkelijk uit verwijderd zijn. Hierdoor voorkomt u dat er openingen niet afgedekt zijn wanneer u het maaidek gebruikt.
Waarschuwing
Het maaidek kan voorwerpen uitwerpen uit niet-afgedichte openingen, waardoor u en anderen letsel kunnen oplopen.
  • Gebruik de machine nooit zonder dat alle openingen in het maaikast zijn afgedicht met bouten en moeren.
  • Zorg ervoor dat er bouten en moeren zijn gemonteerd in de montageopeningen als de mulchplaat is verwijderd.
 
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Verwijder het maaidek; zie Het maaidek verwijderen.
  4. Verwijder het rechterschot zoals getoond; bewaar de bevestigingen.
    Graphic
    G297022s
    1.  Borgmoer – 5/16" (4)
    2.  Rechter schot
    3.  Slotbout – 5/16" x ¾"
    4.  Gelaste pen (3)
  5. Gebruik de verwijderde slotbout en een borgmoer om de opening aan de rechterkant van het maaidek te monteren en zo rondvliegend afval te voorkomen.
    Opmerking: Installeer de bevestigingen zo dat de moeren zich buiten het dek bevinden.
  6. Gebruik 3 bouten van de losse onderdelen en gebruik de 3 aanwezige borgmoeren om de openingen die worden gebruikt voor de gelaste pennen te monteren.
    Opmerking: Installeer de bevestigingen zo dat de moeren zich buiten het dek bevinden.
  7. Verwijder het linkerschot zoals getoond; bewaar de bevestigingsmiddelen.
    Graphic
    G297021s
    1.  Borgmoer – 5/16" (3)
    2.  Linker schot
    3.  Gelaste pen (2)
    4.  Slotbout – 5/16" x ¾"
  8. Gebruik de verwijderde slotbout en een borgmoer om de opening aan de rechterkant van het maaidek te monteren en zo rondvliegend afval te voorkomen.
    Opmerking: Installeer de bevestigingen zo dat de moeren zich buiten het dek bevinden.
  9. Gebruik 2 bouten van de losse onderdelen en gebruik de 2 aanwezige borgmoeren om de openingen die worden gebruikt voor de gelaste pennen te monteren.
    Opmerking: Installeer de bevestigingen zo dat de moeren zich buiten het dek bevinden.
  10. Verwijder de moer van de stang van de grasgeleider onder het maaidek.
    Graphic
    G297046s
    1.  Grasgeleider
    2.  Stang van grasgeleider
    3.  Moer
    4.  Keerplaat
  11. Gebruik de moer om de keerplaat te monteren aan de stang van de grasgeleider. Gebruik hierbij de buitenste opening in de keerplaat.
  12. Monteer het maaidek; zie Het maaidek monteren.

Tijdens de werking

Veiligheid tijdens het werk
  • De eigenaar/gebruiker is verantwoordelijk voor ongelukken die persoonlijk letsel of materiële schade kunnen veroorzaken, en hij dient zulke ongelukken te voorkomen.
  • Geef uw volledige aandacht als u de machine gebruikt. Zorg ervoor dat u met niets anders bezig bent waardoor u kunt worden afgeleid, anders kunnen er letsels ontstaan of kan eigendom worden beschadigd.
  • Gebruik de machine niet als u ziek, moe of onder de invloed van alcohol of drugs bent.
  • Gebruik de machine niet tenzij alle schermen en veiligheidsvoorzieningen zoals de geleiders en de volledige grasvanger op hun plaats zitten en goed werken. Vervang indien nodig versleten of versleten onderdelen door originele onderdelen van Toro.
  • Diverse motoronderdelen, vooral de knaldemper, kunnen bijzonder heet worden. Het aanraken daarvan kan leiden tot ernstige brandwonden, en ze kunnen bladeren, gras, struiken, enz. in brand steken. Houd het motorgebied vrij van vuil en overmatige olie en vet.
  • Laat de motor enkel draaien in goed verluchte omgevingen. Uitlaatgassen bevatten koolstofmonoxide, dat dodelijk is bij inademing.
  • Gebruik de machine uitsluitend als het zicht goed is en bij geschikte weersomstandigheden. Gebruik de machine niet als er kans op bliksem is.
  • Start de motor en zorg er hierbij voor dat uw voeten uit de buurt van de messen zijn.
  • Houd uw handen en voeten uit de buurt van bewegende onderdelen. Blijf uit de buurt van de afvoeropening.
  • Blijf uit de buurt van gaten, bandensporen, stenen en andere gevaren. Wees voorzichtig bij het naderen van blinde hoeken, struiken, bomen, hoog gras en andere objecten die obstakels kunnen verbergen of het zicht verminderen.
  • Maai niet als de grasgeleider in de geheven stand staat, verwijderd is of gewijzigd is, tenzij een grasvanger of mulchset gemonteerd is en goed werkt.
  • Maai uitsluitend in de achteruitstand, als dat strikt noodzakelijk is. Kijk altijd naar beneden en achterom voordat u achteruitrijdt.
  • Stop de maaimessen als u niet daadwerkelijk maait. Vertraag de machine en wees voorzichtig wanneer u een oppervlak zonder gras oversteekt of wanneer u de machine van en naar het werkgebied transporteert.
  • Let op de uitworp van de maaier en richt deze uit de buurt van mensen. Zorgt dat het afgevoerde materiaal niet tegen een muur of obstakel komt omdat het materiaal naar u terug kan ketsen.
  • Als de maaimachine toch een voorwerp raakt en begint te trillen, moet u meteen de motor afzetten, de contactsleutel verwijderen en wachten totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de machine op beschadiging controleert. Voer alle noodzakelijke reparaties uit voordat u de machine weer in gebruik neemt.
  • Verminder uw snelheid en wees voorzichtig als u een bocht maakt of wegen en voetpaden oversteekt met de machine. Verleen altijd voorrang.
  • Als u de machine verlaat, laat deze dan niet draaien.
  • Doe het volgende voordat u de bestuurdersstoel verlaat:
    • Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.
    • Schakel de aftakas uit en laat de werktuigen zakken.
    • Haal de parkeerrem aan.
    • Zet de motor af en verwijder het sleuteltje.
    • Wacht tot alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen.
  • Vervoer nooit kinderen op deze machine.
  • Vervoer geen kinderen op de machine, zelfs wanneer de messen niet bewegen. Kinderen kunnen van de machine vallen en kunnen ernstig letsel oplopen of u verhinderen in het veilig gebruiken van de machine. Als een kind in het verleden op een maaier heeft meegereden, kan het in het maaigebied verschijnen zonder waarschuwing, en kan dan overreden worden door de maaier, bij het vooruit- of achteruitrijden.
  • Kinderen komen vaak naar de machine en het maaien kijken. Ga er nooit van uit dat kinderen op de plaats blijven waar u ze voor laatst zag.
  • Houd kinderen uit de buurt van het werkgebied en plaats ze onder toezicht van een andere verantwoordelijke volwassene dan de bediener van de maaier.
  • Wees alert en schakel de machine uit als kinderen het werkgebied betreden.
  • Voordat u de machine achteruitrijdt of draait, moet u naar beneden en rond u kijken of er geen kleine kinderen in de buurt zijn.
  • Gebruik de machine enkel als sleepvoertuig als ze voorzien is van een trekhaak. Bevestig materiaal dat wordt gesleept uitsluitend aan het sleeppunt aan de machine.
  • Gebruik alleen door The Toro® Company goedgekeurde accessoires en werktuigen.
De machine veilig gebruiken op hellingen
  • Het maaien op hellingen is een belangrijke factor bij ongelukken waarbij de controle over de machine wordt verloren of deze omkantelt. Dit kan ernstig of dodelijk letsel veroorzaken. De bestuurder is verantwoordelijk voor een veilig gebruik van de machine op hellingen. Gebruik van de machine op hellingen vereist altijd extra voorzichtigheid. Doe het volgende voordat u de machine op een helling gaat gebruiken:
    • Lees de instructies voor gebruik op een helling in de handleiding en op de machine, en zorg dat u deze instructies begrijpt.
    • Gebruik een hellingsindicator om de hellingshoek bij benadering te bepalen.
    • Gebruik de maaimachine nooit op hellingen van meer dan 15°.
    • Onderzoek de toestand van het werkgebied op die dag om te bepalen of de machine veilig kan worden gebruikt op de helling. Gebruik uw gezond verstand en uw beoordelingsvermogen wanneer u dit onderzoek uitvoert. Veranderingen in het terrein, zoals de vochtigheidsgraad, kunnen snel van invloed zijn op de manier waarop de machine reageert op een helling.
  • Spoor gevaren onderaan de helling op. Gebruik de machine niet in de buurt van steile hellingen, greppels, oevers, water of andere gevaren. De machine kan plotseling omslaan als een wiel over de rand komt of als de rand instort. Houd een veilige afstand (tweemaal de breedte van de machine) tussen de machine en landschapselementen die gevaarlijk kunnen zijn. Gebruik een loopmaaier of een handtrimmer om gras te maaien op deze plaatsen.
    Graphic
    G229111s
    1.  Veilige zone – Gebruik de machine in deze zone op hellingen van minder dan 15° of vlakke gebieden.
    2.  Gevarenzone – Gebruik een loopmaaier en/of een handtrimmer op hellingen van meer dan 15° en in de buurt van steile hellingen of water.
    3.  Water
    4.  W = breedte van de machine
    5.  Houd een veilige afstand (tweemaal de breedte van de machine) tussen de machine en landschapselementen die gevaarlijk kunnen zijn.
  • Vermijd starten, stoppen of bochten maken op hellingen. Vermijd plotse veranderingen van snelheid of richting; verander traag en geleidelijk van richting.
  • Gebruik een machine nooit in omstandigheden waarbij u twijfelt over tractie, sturen of stabiliteit. Denk eraan dat de machine tractie kan verliezen doordat u bergafwaarts, op nat gras of dwars op een helling maait. Als de aandrijfwielen tractie verliezen, kunnen ze gaan slippen en kunt u niet meer remmen of sturen. De machine kan schuiven, zelfs als de aandrijfwielen niet draaien.
  • Verwijder of let op obstakels als sloten, gaten, geulen, hobbels, stenen of andere verborgen gevaren. In hoog gras zijn obstakels niet altijd zichtbaar. De machine kan omslaan op oneffenheden in het terrein.
  • Wees extra voorzichtig wanneer u de machine gebruikt met accessoires of werktuigen zoals grasopvangsystemen. Deze kunnen de machine minder stabiel maken, waardoor u de controle over de machine kunt verliezen. Volg de instructies voor gebruik van contragewichten op.
  • Laat het maaidek indien mogelijk neer op de grond wanneer u de machine op een helling gebruikt. Als u het maaidek omhoog brengt op hellingen, kan de machine onstabiel worden.
Veiligheid tijdens het slepen
  • Bevestig materiaal dat wordt gesleept, uitsluitend aan het sleeppunt.
  • Gebruik de machine enkel als sleepvoertuig als ze voorzien is van een trekhaak.
  • U mag het maximale bruto sleepgewicht niet overschrijden.
  • Laat kinderen of andere personen nooit in de buurt komen van het gesleepte werktuig.
  • Op een helling kan het gewicht van een gesleept werktuig ertoe leiden dat de wielen hun grip verliezen, een hoger risico op omslaan, en verlies van de controle over de machine door de bestuurder Verminder het sleepgewicht en verminder uw snelheid.
  • Hoe zwaarder een gesleepte last, hoe langer de stopafstand kan worden. Rij langzaam en zorg voor voldoende afstand om te stoppen.
  • Maak grote bochten om ervoor te zorgen dat het werktuig de machine niet raakt.
De motor starten
  1. Start de motor zoals weergegeven.
    Opmerking: Als de motor warm of heet is, hoeft u de choke niet te gebruiken.
    Belangrijk
    Schakel de starter niet langer dan 5 seconden achter elkaar in, anders raakt de startmotor beschadigd. Als de motor niet wil starten, moet u 15 seconden wachten voordat u de startmotor opnieuw in werking stelt.
     
    Graphic
    G593649
De motor afzetten
    Graphic
    G593663
  1. Schakel de maaimessen uit door de aftakasschakelaar op Uit te zetten.
  2. Zet de rijhendels in de Parkeerstand.
  3. Zet de gashendel op Traag en laat de motor gedurende 1 minuut op stationair toerental draaien.
  4. Draai het sleuteltje op Uit en verwijder het sleuteltje.
    Opgelet
    Kinderen of omstanders kunnen letsel oplopen als zij de machine verplaatsen of proberen te bedienen terwijl deze onbeheerd staat.
    Verwijder altijd het sleuteltje en stel de parkeerrem in werking wanneer u de machine onbeheerd achterlaat.
     
Met de machine rijden
Opgelet
Als de ene hendel te ver voor de andere staat zal de machine snel ronddraaien. Daardoor kunt u de beheersing over machine verliezen, wat kan leiden tot letsel aan u, of beschadiging van de machine.
Verminder de snelheid van de machine voordat u een scherpe bocht maakt.
 
De aandrijfwielen draaien onafhankelijk en worden aangedreven door motoren op elke as. U kunt de wielen aan de ene zijde achteruit laten draaien en tegelijk die aan de andere zijde vooruit, waardoor de machine om zijn as draait in plaats van een bocht te maken. Zo is de machine veel wendbaarder, maar het kan wat tijd vergen eer u gewend bent aan de manier waarop de machine beweegt.
  1. Zet de rijhendels in de middelste, niet-vergrendelde stand.
    Graphic
    G426843s
    1.  Rijhendels – Parkeerstand
    2.  Centrale ontgrendelde stand
    3.  Vooruit
    4.  Achteruit
    5.  Voorzijde van de machine
  2. Graphic
    G397314s
  3. Beweeg de rijhendels langzaam naar voren of naar achteren. Zet 1 hendel verder dan de andere hendel om te draaien.
    Opmerking: Hoe verder u de rijhendels in een richting beweegt, des te sneller de machine in die richting rijdt.
  4. Om te stoppen, zet u beide rijhendels terug in de neutraalstand.
De messchakelaar (aftakas) bedienen
Gevaar
De draaiende messen onder het maaidek zijn gevaarlijk. Het aanraken van de messen zal leiden tot ernstig of dodelijk letsel.
Als de maaimessen zijn ingeschakeld mogen uw handen of voeten niet onder de maaier of de maaidekken komen.
 
Gevaar
Een open uitwerpopening kan objecten naar u en mensen in de buurt werpen. Daarnaast kunt u ook in contact komen met het mes. Uitgeworpen objecten of aanraking van maaimessen leiden tot ernstig letsel of de dood.
Gebruik de machine niet als de grasgeleider in de geheven stand staat, verwijderd is of gewijzigd is, tenzij er een grasvanger of mulchset gemonteerd is en goed werkt.
 
  1. Zet de gashendel op Snel.
  2. Schakel de messchakelaar in.
    Graphic
    G567276
  3. Maaien, zoals gewenst.
  4. Schakel de messchakelaar uit.
    Graphic
    G567275
Zijuitworp
De scharnierende grasgeleider voert het maaisel zijwaarts en omlaag naar het gazon.
Gevaar
Zonder gemonteerde grasgeleider, uitworpafsluiter of complete grasvanger kunnen u of omstanders in aanraking komen met het maaimes of uitgeworpen voorwerpen. Contact met het draaiende maaimes en uitgeworpen voorwerpen kan lichamelijk of dodelijk letsel veroorzaken.
  • Verwijder de grasgeleider niet van de machine, want de grasgeleider voert het maaisel af naar het gazon. Een beschadigde grasgeleider moet direct worden vervangen.
  • Steek nooit handen of voeten onder het maaidek.
  • Probeer nooit de uitwerpzone of de maaimessen te reinigen zonder eerst de aftakas uit te schakelen. Draai het sleuteltje op Uit en haal het weg.
 
De maaihoogte instellen
  1. Gebruik de maaihoogtehendel rechts van de bedieningspositie om de maaihoogte in te stellen van 38 tot 114 mm in stappen van 13 mm.
    Opmerking: De transportstand is de hoogste maaihoogtestand.
    Graphic
    G441492
Antiscalpeerrollen afstellen
Als u de maaihoogte wijzigt, stel dan de hoogte van de antiscalpeerrollen in.
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Stel de antiscalpeerrollen in, zodat ze zo goed mogelijk overeenkomen met de ingestelde maaihoogte.
    Opmerking: Stel de antiscalpeerrollen zo af dat ze de grond niet raken op normale, vlakke maaiterreinen.
    Graphic
    G567278
Tips voor bediening en gebruik
De luchtcirculatie maximaliseren
Voor een optimaal maairesultaat en een maximale luchtcirculatie moet u de gashendel op Snel zetten. Om het gras goed te maaien, is een goede luchtcirculatie nodig; zet de maaihoogte dus niet te laag en zorg ervoor dat het maaidek niet helemaal door ongemaaid gras is omgeven. Probeer altijd één zijkant van het maaidek vrij van ongemaaid gras te houden, zodat lucht in het maaidek kan worden gezogen.
Gras niet te kort afmaaien
Wanneer u een oneffen ondergrond maait, moet u de maaihoogte iets hoger instellen dan normaal om te voorkomen dat u de graszoden afsnijdt. In het algemeen kan het best de voorheen gebruikte maaihoogte worden gekozen. Als u gras van meer dan 15 cm lang gaat maaien, kunt u het best in twee keer maaien om een goed maairesultaat te verkrijgen.
Eén derde van de lengte van het gras afmaaien
Aanbevolen wordt niet meer dan ongeveer één derde van de lengte van het gras af te maaien. Meer afmaaien wordt afgeraden, tenzij het gras dun is, of in de late herfst, wanneer het gras langzamer groeit.
Verander van maairichting
Maai afwisselend in verschillende richtingen, zodat het gras rechtop blijft staan. Dit zorgt ook voor een betere verspreiding van het maaisel, wat de vertering en bemesting ten goede komt.
Maaifrequentie
Het tempo waarmee het gras groeit, varieert per jaargetijde. Om dezelfde maaihoogte te behouden, moet u in het vroege voorjaar vaker maaien. Als de groeisnelheid in de zomer afneemt, maait u minder vaak. Als u langere tijd niet hebt kunnen maaien, maait u eerst op een hoge maaihoogte. Maai 2 dagen later op een lagere maaihoogte.
Maai met een lagere rijsnelheid
In bepaalde omstandigheden kan maaien met een lagere rijsnelheid de maaikwaliteit verbeteren.
Vermijd graspollen
Als u de machine tijdens het maaien moet stoppen, kan er een kluit maaisel op uw gazon achterblijven. Om dit te voorkomen kunt u naar een reeds gemaaid oppervlak gaan met de messen ingeschakeld of u kunt het maaidek uitschakelen terwijl u vooruit gaat.
Houd de onderkant van het maaidek schoon
Verwijder na elk gebruik maaisel en vuil van de onderkant van het maaidek. Opgehoopt gras en vuil zullen uiteindelijk de maaikwaliteit aantasten.
De maaimessen onderhouden
Zorg gedurende het hele maaiseizoen voor een scherp maaimes. Een scherp mes snijdt het gras goed af zonder het te scheuren of te kwetsen. Door scheuren en rafelen wordt het gras bruin aan de randen, waardoor het langzamer groeit en gevoeliger is voor ziekten. Controleer na elk gebruik of de maaimessen scherp zijn en of ze versleten of beschadigd zijn. Vijl regelmatig kerven en inkepingen weg en slijp de messen indien dit nodig is. Als een maaimes beschadigd of versleten is, dient u het te vervangen.

Na de werking

Veiligheid na het werk
  • Parkeer de machine op een gelijke ondergrond, schakel de aandrijvingen uit, stel de parkeerrem in werking, zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat.
  • Wacht totdat de machine is afgekoeld, voordat u de machine afstelt, met brandstof vult, reinigt, stalt of er onderhoudswerkzaamheden aan verricht.
  • Verwijder gras, bladeren, overtollig vet, olie en ander vuil van het maaidek, de geluiddemper, de aandrijvingen, de grasvanger en de motor om brand te voorkomen.
  • Sluit de brandstofafsluitklep (indien aanwezig) voordat u de machine transporteert of stalt.
  • Gebruik een oprijplaat van volledige breedte bij het laden van de machine op een aanhanger of vrachtwagen.
  • Zet de machine goed vast met spanbanden, kettingen, kabels of touwen. Zowel de voorste als de achterste spanband moet naar beneden en naar de buitenkant van de machine lopen.
De machine reinigen
Reinig de machine na elk gebruik.
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Verwijder gras en vuil van de maai-eenheid, de geluiddemper, de aandrijvingen, de grasvanger en de motor. Gebruik indien mogelijk perslucht.
    Belangrijk  
    U kunt het voertuig met een mild reinigingsmiddel en water wassen. Was de machine nooit met een hogedrukreiniger. Gebruik niet te veel water, vooral niet in de buurt van het bedieningspaneel, onder de stoel en rond de motor, de hydraulische pompen en de motors.
     
De machine transporteren
Gebruik een aanhanger of vrachtwagen voor zwaar vervoer om de machine te transporteren. Gebruik altijd een oprijplaat over de volledige breedte. Zorg ervoor dat de aanhanger of vrachtwagen is voorzien van alle benodigde remmen, verlichting en aanduidingen die wettelijk vereist zijn. Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies. Met behulp van deze informatie kunt u voorkomen dat omstanders of uzelf letsel oplopen. Raadpleeg de lokale vereisten inzake aanhangwagens en de bevestiging van machines.
Waarschuwing
Rijden op de weg zonder richtingaanwijzers, verlichting, reflectoren of een bord met de aanduiding 'Langzaam rijdend voertuig' is gevaarlijk en kan leiden tot ongelukken die lichamelijk letsel veroorzaken.
Rijd niet met de machine op de openbare weg.
 
Vereisten voor aanhangers
Waarschuwing
Als een machine wordt geladen op een aanhanger of een vrachtwagen, wordt de kans vergroot dat de machine kantelt. Dit kan ernstig lichamelijk letsel of de dood veroorzaken.
  • Gebruik één oprijplaat over de volledige breedte. Gebruik geen afzonderlijke oprijplaten voor elke kant van de machine.
  • Zorg ervoor dat de hoek van de oprit en de grond of van de oprit en de aanhanger of vrachtwagen niet groter is dan 15 graden.
  • Zorg ervoor dat de oprijplaat minstens 4 keer zo lang is als de afstand van de laadbak van de vrachtwagen of aanhanger tot de grond.
 
Graphic
G027996s
  1.  Oprijplaat of oprijplaten over volledige breedte in opslagstand.
  2.  Zijaanzicht van oprijplaat over volledige breedte in laadstand
  3.  Niet groter dan 15 graden
  4.  De hellingbaan is minstens 4 keer zo lang als de afstand van de aanhangwagen of de laadbak tot de grond
  5.  H = Afstand van de aanhanger of laadbak tot de grond
  6.  Aanhanger
De machine laden
Waarschuwing
Als een machine wordt geladen op een aanhanger of een vrachtwagen, wordt de kans vergroot dat de machine kantelt. Dit kan ernstig lichamelijk letsel of de dood veroorzaken.
  • Ga zeer voorzichtig te werk als u een machine een hellingbaan op-/afrijdt.
  • Rij de machine achteruit op de oprijplaat en rij er vooruit af.
  • U mag niet abrupt versnellen of vertragen als u de machine een hellingbaan op- of afrijdt, omdat anders de machine kan kantelen of u de controle over de machine kunt verliezen.
 
  1. Als u een aanhanger gebruikt, bevestig deze dan aan het sleepvoertuig en sluit de veiligheidskettingen aan.
  2. Sluit indien van toepassing de remmen van de aanhanger aan.
  3. Laat de oprijplaat zakken; zorg dat de hellingshoek tussen de oprijplaat en de grond niet groter is dan 15 graden.
  4. Graphic
    G414592
  5. Rij de machine achteruit op de oprijplaat.
  6. Zet de motor uit, verwijder het sleuteltje en zet de rijhendels naar buiten in de Parkeerstand.
  7. Graphic
    G451313
  8. Zet de machine vast met spanbanden, kettingen, kabels of touwen. Raadpleeg de lokale vereisten inzake de bevestiging van machines.
    Opmerking: Leid de spanbanden omlaag en richt ze weg van de machine.
De machine van de aanhanger af rijden
    Graphic
    G414593
  1. Laat de oprijplaat zakken; zorg dat de hellingshoek tussen de oprijplaat en de grond niet groter is dan 15 graden.
  2. Rij de machine vooruit de oprijplaat af.

 
 
 
Onderhoud
 

Veiligheid bij onderhoud

  • Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u en andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine.
  • Doe het volgende voordat u de bestuurdersstoel verlaat:
    • Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.
    • Schakel de aandrijvingen uit.
    • Haal de parkeerrem aan.
    • Zet de motor af en verwijder het sleuteltje.
    • Wacht tot de machine is afgekoeld voordat u met onderhoudswerkzaamheden gaat beginnen.
  • Laat personeel dat niet bekend is met de instructies, nooit onderhoudswerkzaamheden aan de machine uitvoeren.
  • Houd uw handen en voeten uit de buurt van bewegende onderdelen of hete oppervlakken. Stel indien mogelijk de machine niet af terwijl de motor loopt.
  • Zorg ervoor dat alle afschermingen, afschermplaten, schakelaars en alle veiligheidsvoorzieningen op hun plaats zitten en goed werken. Controleer regelmatig of er onderdelen versleten zijn of hun toestand achteruit is gegaan en vervang ze zo nodig door originele onderdelen van Toro.
  • Haal voorzichtig de druk van onderdelen met opgeslagen energie.
    Waarschuwing
    Door de originele apparatuur, onderdelen en/of accessoires te verwijderen of aan te passen kunnen de garantie en de beheersbaarheid en veiligheid van de machine worden gewijzigd. Door niet-goedgekeurde wijzigingen aan de originele apparatuur of het gebruik van onderdelen die niet van Toro zijn, kan ernstig of fataal letsel worden veroorzaakt.
     
  • Controleer de werking van de parkeerrem regelmatig. Indien nodig moet u deze afstellen en een onderhoudsbeurt geven.
  • Knoei nooit met de veiligheidsvoorzieningen. Controleer regelmatig of ze goed werken.
  • Verwijder gras, bladeren, overtollig vet, olie en ander vuil van de maai-eenheid, de geluiddemper, de aandrijvingen, de grasvanger en de motor om brand te voorkomen.
  • Verwijder gemorste olie of brandstof en met brandstof doortrokken rommel.
  • Vertrouw nooit uitsluitend op een mechanische of hydraulische krik om het maaidek te ondersteunen. Gebruik geschikte kriksteunen.
  • Zorg ervoor dat alle onderdelen in goede staat verkeren en alle bevestigingselementen stevig vastzitten, in het bijzonder het bevestigingsmateriaal van de maaimessen.
  • Om veilige en optimale prestaties te verkrijgen, moet u ter vervanging alleen originele onderdelen en accessoires van Toro gebruiken. Gebruik ter vervanging nooit onderdelen en accessoires van andere fabrikanten, omdat dit gevaarlijk kan zijn.
Aanbevolen onderhoudsschema
Onderhoud
Onderhoudsinterval
Onderhoudsprocedure
Na de eerste 8 bedrijfsuren
Ververs de motorolie.
Voor elk gebruik of dagelijks
Controleer het veiligheidssysteem.
Controleer het luchtfilter op vuile, losse of beschadigde onderdelen.
Controleer het oliepeil.
Reinig het luchtinlaatrooster.
Controleer de maaimessen.
Controleer de grasgeleider op schade.
Na elk gebruik
Verwijder al het gras en vuil van de machine.
Reinig de maaikast.
Om de 25 bedrijfsuren
Smeer de lagers van de zwenkwielen (vaker bij gebruik in zanderige bodems).
Controleer de bandenspanning.
Controleer de riemen op slijtage en scheurtjes.
Om de 100 bedrijfsuren
Ververs de motorolie (dit moet vaker gebeuren in vuile of stoffige omstandigheden).
De bougie vervangen, reinigen en afstellen.
Vervang het brandstoffilter van de slang.
Om de 100 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden
Vervang het papierelement van het luchtfilter (vaker in stoffige, vuile omstandigheden).
Om de 200 bedrijfsuren
Vervang het motoroliefilter (dit moet vaker gebeuren in vuile of stoffige omstandigheden).
Om de 300 bedrijfsuren
Klepspeling controleren en afstellen. Neem contact op met een erkende Service Dealer.
Voorafgaand aan stalling
Laad de accu op en ontkoppel de accukabels.
Voorafgaande aan de stalling moeten alle bovengenoemde onderhoudsprocedures worden uitgevoerd.
Werk alle beschadigde oppervlakken bij.
 
Belangrijk  
Raadpleeg de gebruikershandleiding van de motor voor verdere onderhoudsprocedures.
 

Procedures voorafgaand aan het onderhoud

De afdekking van het maaidek losmaken
  1. Maak de 2 onderste bouten van de afdekking los om toegang te verkrijgen tot de bovenkant van het maaidek.
    Belangrijk  
    Draai de bouten altijd vast om de afdekking te bevestigen na onderhoudswerkzaamheden.
     
    Graphic
    G589610
Een defecte machine verplaatsen
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de Parkeerstand.
  2. Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Zoek de omloophendels op het frame aan weerszijden van de machine.
    Graphic
    G595033
  4. Zet beide omloophendels naar voren door de sleufopening en dan zijwaarts om ze vast te zetten .
    Waarschuwing
    Contact met hete oppervlakken kan lichamelijk letsel veroorzaken.
    Houd uw kleding, gezicht, handen, voeten en andere lichaamsdelen uit de buurt van de motor, geluiddemper en andere hete oppervlakken.
     
    Waarschuwing
    De machine kan onbedoeld in beweging komen terwijl de omloophendels naar voren in de sleuf zijn vergrendeld en u of omstanders verwonden.
    Vergrendel de omloophendels naar achteren na het verplaatsen van de machine.
     
  5. Schakel de parkeerrem uit door de beide rijhendels in de middelste, ontgrendelde stand te zetten.
    Opmerking: Start de machine niet.
  6. Beweeg de machine indien nodig.
    Belangrijk  
    U moet de machine altijd met de hand duwen. Sleep de machine niet: dit kan schade veroorzaken.
     
  7. Zet de rijhendels in de Parkeerstand.
  8. Zet beide omloophendels naar achteren en opzij door de sleufopening om ze op hun plaats te vergrendelen .
De machine opkrikken
  1. Plaats de machine op assteunen wanneer u ze omhoogbrengt.
    Waarschuwing
    De machine ondersteunen op het onderste geluiddemperscherm kan het scherm beschadigen en kan de machine doen vallen, waardoor u en omstanders letsel kunnen oplopen.
    Gebruik het onderste geluiddemperscherm niet om de machine te ondersteunen of op te tillen.
     
    Graphic
    G595034

Smering

De lagers smeren
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de Parkeerstand.
  2. Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Graphic
    G451140
  4. Reinig de smeernippels met een doek.
    Opmerking: Indien nodig verf van de voorkant van de nippels afkrabben.
  5. Sluit een smeerpistool aan op elke smeernippel.
  6. Spuit vet in de nippels totdat er vet bij de lagers naar buiten komt.
  7. Veeg overtollig vet weg.

Motor onderhouden

Veiligheid van de motor
  • Houd uw handen, voeten, gezicht, andere lichaamsdelen en kleding uit de buurt van de geluiddemper en andere hete oppervlakken. Wacht tot de motor is afgekoeld voordat u met onderhoudswerkzaamheden gaat beginnen.
  • Verander de snelheid van de toerenregelaar niet en laat de motor het maximale toerental niet overschrijden.
Luchtfilter onderhouden
Het luchtfilterelement verwijderen
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de Parkeerstand.
  2. Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Graphic
    G207139s
  4. Maak de omgeving van het luchtfilterdeksel schoon om te voorkomen dat vuil in de motor komt en schade veroorzaakt.
  5. Draai de slangklem los en verwijder het papierelement .
Papierelement van het luchtfilter onderhoudsbeurt geven
  1. Reinig het papierelement door er voorzichtig op te kloppen en het stof te verwijderen.
    Opmerking: Als het papierelement zeer vuil is, vervang het dan door een nieuwe papierelement.
  2. Controleer het filter op scheuren, een vettig oppervlak of beschadiging van de rubberen afdichting.
  3. Vervang het papierelement als het is beschadigd.
    Belangrijk  
    U mag het papierfilter niet reinigen.
     
Het luchtfilterelement plaatsen
    Graphic
    G207139s
  1. Plaats het luchtfilterelement op het onderstuk van het luchtfilter.
  2. Plaats het deksel en maak de slangklem vast.
Motorolie verversen
Motorolietype
Type olie
Reinigingsolie (API onderhoudsclassificatie SF, SG, SH, SJ of SL)
Carterinhoud
1,8 liter; zonder filter; 2,1 liter met filter
Viscositeit
Zie onderstaande tabel
Image
Het motoroliepeil controleren
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Wacht totdat de motor afgekoeld is, zodat de olie tijd heeft gekregen om in de opvangbak te stromen.
  4. Om te voorkomen dat er vuil, maaisel, enz. in de motor terechtkomt, moet u de omgeving van de vuldop/peilstok reinigen voordat u deze verwijdert.
  5. Controleer het oliepeil, zoals weergegeven.
    Graphic
    G307458s
    Belangrijk  
    Als er te veel of te weinig olie zit in het carter van de motor en u laat de motor toch draaien, kunt u deze beschadigen.
     
Motorolie verversen
  1. Parkeer de machine zo dat de aftapkant iets lager staat dan de andere kant zodat alle olie kan weglopen.
  2. Schakel de aftakasschakelaar uit en zet de rijhendels naar buiten in de Parkeerstand.
  3. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  4. Laat de olie uit de motor lopen.
    Graphic
    G454330
  5. Giet langzaam ongeveer 80% van de gespecificeerde olie in de vulbuis en voeg langzaam de rest van de olie toe tot het peil de markering Vol bereikt.
    Graphic
    G594022
  6. Voer de oude olie af volgens de plaatselijk geldende voorschriften.
Het motoroliefilter vervangen
  1. Laat de olie uit de motor lopen.
  2. Vervang het oliefilter van de motor zoals wordt getoond.
    Opmerking: Controleer of de pakking van het oliefilter contact maakt met de motor en draai het oliefilter nog 3/4 slag extra vast.
    Graphic
    G398545s
  3. Vul langzaam de aanbevolen olie bij in de vulbuis om het oliepeil bij de Vol-markering te brengen.
    Graphic
    G235264s
Onderhoud van de bougie
Controleer of de elektrodenafstand tussen de centrale elektrode- en de massa-elektrode correct is voordat u de bougie monteert. Gebruik een bougiesleutel voor het (de)monteren van de bougie en een voelermaat om de elektrodenafstand te meten en af te stellen. Monteer een nieuwe bougie indien dit nodig is.
Type: NGK BPR4ES
Elektrodenafstand: 0,75 mm
Bougie verwijderen
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Maak de omgeving van de onderkant van de bougie schoon om te voorkomen dat er vuil en rommel in de motor terechtkomt.
  4. Verwijder de bougie.
    Graphic
    G437139
Bougie controleren
Belangrijk  
Maak de bougie(s) niet schoon. Verwijder een bougie altijd als deze een zwarte laag heeft, als de elektroden versleten zijn, als er een vettige laag op ligt of als de bougie scheuren vertoont.
 
Als de isolator lichtbruin of grijs is, werkt de motor naar behoren. Een zwarte laag op de isolator duidt meestal op een vuil luchtfilter.
  1. Stel de afstand in op 0,76 mm.
    Graphic
    G437150
De bougie monteren
Graphic
G560324
Het koelsysteem reinigen
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Verwijder het luchtfilter van de motor.
  4. Graphic
    G561575
  5. Zet de bouten los waarmee het motorscherm vastzit en verwijder het scherm.
  6. Om te voorkomen dat vuil in de luchtinlaat komt, plaats het luchtfilter op de filterbasis.
  7. Verwijder vuil en gras van de onderdelen.
  8. Verwijder het luchtfilter en monteer het motorscherm; draai de bouten aan tot 8,8 N∙m.
  9. Monteer het luchtfilter.

Brandstofonderhoud

Gevaar
In bepaalde omstandigheden is brandstof uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van brandstof kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken.
Zie Brandstofveiligheid voor een volledige lijst van voorzorgsmaatregelen met betrekking tot brandstof.
 
Het brandstoffilter vervangen
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Klem de brandstofleidingen aan weerszijden van het brandstoffilter vast.
  4. Filter vervangen.
    Opmerking: Zorg ervoor dat de pijl voor de stroomrichting op het vervangfilter naar de motor wijst.
    Belangrijk
    Na verwijdering mag u nooit een vuil filter opnieuw aan de brandstofslang monteren.
     
    Graphic
    G420323
  5. Verwijder de klemmen die de brandstofstroom blokkeren.

Elektrisch systeem onderhouden

Veiligheid van het elektrisch systeem
  • Maak de kabel los van de minpool van de accu voordat u de machine repareert.
  • Laad de accu op in een open, goed geventileerde ruimte, uit de buurt van vonken en open vuur. Haal de oplader uit het stopcontact voordat u de accu aan- of loskoppelt. Draag beschermende kleding en gebruik geïsoleerd gereedschap.
De accu onderhouden
De accu verwijderen
Waarschuwing
Accupolen of metalen gereedschappen kunnen kortsluiting maken met metalen onderdelen van de machine, waardoor vonken kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen en lichamelijk letsel veroorzaken.
  • Zorg ervoor dat bij het verwijderen of installeren van de accu de accupolen niet in aanraking komen met metalen onderdelen van de machine.
  • Voorkom dat metalen gereedschappen kortsluiting veroorzaken tussen de accupolen en metalen onderdelen van de machine.
 
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Til de stoel omhoog om toegang te krijgen tot de accu.
  4. Maak de minkabel (zwart) los van de accupool.
    Opmerking: Bewaar alle bevestigingsmiddelen.
    Waarschuwing
    De accukabels onjuist afkoppelen kan schade aan de machine en de kabels tot gevolg hebben en vonken veroorzaken. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen en lichamelijk letsel veroorzaken.
    • Maak altijd de minkabel (zwart) van de accu los voordat u de pluskabel (rood) losmaakt.
    • Sluit altijd de pluskabel (rood) van de accu aan voordat u de minkabel (zwart) aansluit.
     
  5. Schuif het rubberen kapje van de pluskabel (rood).
  6. Maak de pluskabel (rood) los van de accupool (+).
    Opmerking: Bewaar alle bevestigingsmiddelen.
  7. Verwijder de bevestigingsband van de accu en til de accu uit de accubak.
    Graphic
    G293472s
    1. Accu
    2. Pluspool (+) van de accu
    3. Bout, ring en moer
    4. Stofkapje van de accupool
    5. Minpool (–) van de accu
    6. Vleugelmoer, ring en bout
    7. Bevestiging van accu
De accu opladen
Waarschuwing
Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen.
Rook nooit in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu komen.
 
Belangrijk
Zorg ervoor dat de accu altijd volledig geladen is. Dit is vooral belangrijk om beschadiging van de accu te voorkomen bij temperaturen beneden 0°C.
 
  1. Verwijder de accu uit de machine.
  2. Laad de accu op volgens de aanwijzingen van de fabrikant van de lader.
    Belangrijk  
    Laad de accu niet te veel op, anders raakt die beschadigd.
     
    Graphic
    G003792S
    1.  Pluspool van de accu
    2.  Minpool van de accu
    3.  Rode (+) oplaadkabel
    4.  Zwarte (–) oplaadkabel
  3. Zodra de accu volledig is opgeladen, haalt u de acculader uit het stopcontact (indien van toepassing) en maakt u vervolgens de oplaadkabels los van de accuklemmen.
De accu reinigen
Opmerking: Zorg ervoor dat de accuklemmen en de gehele accubehuizing schoon zijn omdat een vuile accu langzaam stroom afgeeft.
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de Parkeerstand.
  2. Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Verwijder de accu uit de machine.
  4. Maak de gehele accubehuizing schoon met een oplossing van natriumbicarbonaat en water.
  5. Spoel de accu af met helder water.
  6. Smeer een dun laagje Grafo 112X-vet of vaseline op de accupolen en de kabelklemmen om corrosie te voorkomen.
  7. De accu plaatsen.
De accu plaatsen
  1. Plaats de accu in de bak.
  2. Gebruik de eerder verwijderde bevestigingsmiddelen om de pluskabel (rood) op de pluspool (+) van de accu aan te sluiten.
  3. Gebruik de eerder verwijderde bevestigingsmiddelen om de minkabel op de minpool (–) van de accu aan te sluiten.
  4. Schuif het rode stofkapje voor de accupool op de pluspool (rood) van de accu.
  5. Bevestig de accu met de bevestigingsband.
    Graphic
    G293472s
    1. Accu
    2. Pluspool (+) van de accu
    3. Bout, ring en moer
    4. Stofkapje van de accupool
    5. Minpool (–) van de accu
    6. Vleugelmoer, ring en bout
    7. Bevestiging van accu
  6. Zet de stoel omlaag.
Machine starten met startkabel
Waarschuwing
De accu starten met een startkabel kan gassen produceren die tot ontploffing kunnen komen.
Rook niet in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen bij de accu komen.
 
Gevaar
Het gebruik van startkabels als de accu in slechte staat is en gebarsten of bevroren is, of een laag accuzuurpeil heeft of open/kortgesloten cellen heeft, kan leiden tot een explosie en ernstig lichamelijk letsel.
Gebruik geen startkabels op een zwakke accu die zulke eigenschappen vertoont.
 
  1. Controleer de accupolen op roestvorming en verwijder roest voordat u de machine start met een startkabel. Zorg dat de verbindingen stevig vastzitten.
    Opgelet
    Roest en losse verbindingen kunnen op om het even welk moment van de startprocedure ongewenste elektrische spanningspieken veroorzaken.
    Gebruik geen startkabels als de accupolen loszitten of verroest zijn, dit kan schade aan de motor veroorzaken.
     
  2. Gebruik als startaccu een goede, volledig opgeladen zuur-loodaccu met een spanning van minstens 12,6 V.
    Opmerking: Gebruik korte startkabels van de juiste grootte om het spanningsverlies tussen de systemen te beperken. Zorg ervoor dat de kabels voorzien zijn van een kleurcode of markering voor de juiste polariteit.
    Waarschuwing
    Accu's bevatten zuur en produceren ontvlambare gassen.
    • Bescherm te allen tijde uw ogen en gezicht voor de accu's.
    • Leun niet over de accu's.
     
    Opmerking: Zorg dat de vuldoppen stevig vastzitten en horizontaal zijn. Indien vochtige doeken voorhanden zijn, legt u deze over de vuldoppen van de accu's. Zorg er ook voor dat de machines elkaar niet raken, dat de beide elektrische systemen uitgeschakeld zijn en dat ze hetzelfde nominale voltage hebben. Deze instructies gelden alleen voor negatief geaarde systemen.
  3. Koppel de pluskabel (+) aan op de pluspool (+) van de ontladen accu die verbonden is met de starter of de solenoïde, zoals weergegeven:
    Graphic
    g012785
    1.  Pluskabel (+) van de ontladen accu
    2.  Pluskabel (+) van de startaccu
    3.  Minkabel (-) van de startaccu
    4.  Minkabel (-) van het motorblok
    5.  Startaccu
    6.  Ontladen accu
    7.  Motorblok
  4. Sluit het andere uiteinde van de plusstartkabel (+) aan op de pluspool van de accu van de andere machine.
  5. Sluit een uiteinde van de minstartkabel (-) aan op de minpool van de accu van de andere machine.
  6. Sluit het andere uiteinde van de minstartkabel (-) aan op een massapunt, zoals een ongelakte bout of een onderdeel van het chassis.
  7. Start de motor van de andere machine. Laat de motor enkele minuten draaien en start vervolgens uw eigen motor.
  8. Verwijder de kabels in omgekeerde volgorde van de aansluiting.
  9. Plaats het deksel op de startklem.
Onderhoud van de zekeringen
De elektrische installatie is beveiligd door middel van zekeringen. Deze behoeven geen onderhoud. Als er een zekering is doorgebrand, moet u echter het onderdeel of circuit controleren op defecten of kortsluiting.
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Zet de stoel omhoog.
  4. Vervang de doorgeslagen zekering door een nieuwe.
    Graphic
    G293931s
    1.  Laadcircuit (15 A)
    2.  Hoofdstroom (25 A)
  5. Zet de stoel omlaag.

Aandrijfsysteem onderhouden

De bandenspanning controleren
Zorg ervoor dat de voor- en achterbanden de voorgeschreven spanning hebben. Een ongelijke bandenspanning kan leiden tot onregelmatige maairesultaten. Controleer de bandenspanning bij het ventiel wanneer de banden koud zijn om de meest accurate meting te verkrijgen.
    Graphic
    G441539
  1. Pomp de voorste zwenkwielbanden op tot 2,06 bar of tot de bandenspanning die is aangegeven op de wang van de band. Kies hierbij de laagste bandenspanning.
  2. Pomp de banden van de achteraandrijfwielen op tot 0,9 bar.
De wielmoeren controleren
  1. Controleer de wielmoeren en draai ze vast met een torsie van 95 tot 122 N∙m.
De sporing afstellen
Als de machine naar een kant trekt terwijl u op volle snelheid vooruitrijdt op een vlakke, egale ondergrond, dan moet u de sporing afstellen.
Als de machine naar links trekt, moet u de rechter rijhendel afstellen; als de machine naar rechts trekt, moet u de linker rijhendel afstellen.
Opmerking: U kunt de sporing alleen afstellen voor vooruitrijden.
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Zoek de stelbout voor sporing in de buurt van de rijhendel aan die kant die afgesteld moet worden.
    Graphic
    G590953
  4. Draai de bout om de snelheid voor dat wiel te doen afnemen.
    Opmerking: Draai de bout een klein beetje om kleine afstellingen uit te voeren.
  5. Start de machine en rijd vooruit op een vlakke, horizontale ondergrond met de rijhendels volledig naar voren om te controleren of de machine recht rijdt. Herhaal deze procedure als dit nodig is.

De riem onderhouden

De riemen controleren
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de Parkeerstand.
  2. Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Zet de maaihoogte op de laagste stand.
  4. Controleer de riem op slijtage. Vervang de riem als die versleten is.
    Een aantal indicaties van een versleten riem: een gierend geluid tijdens het draaien van de riem, de messen die slippen tijdens het maaien, gerafelde randen en schroeiplekken en scheuren op de riem.
Drijfriem van maaidek vervangen
Een aantal indicaties van een versleten riem: een gierend geluid tijdens het draaien van de riem, messen die slippen tijdens het maaien, gerafelde randen en schroeiplekken en scheuren op de riem. Vervang de riem als u deze zaken constateert.
Opmerking: Uw maaidek kan afwijken van de versie die in deze procedure getoond wordt.
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Zet de maaihoogte op de laagste stand.
  4. Maak de afdekking van het maaidek los.
  5. Maak de schroef los en duw de lip op de kap in om de poeliekappen te verwijderen.
    Graphic
    G595579
  6. Voor maaidekken van 127 cm: zet de moer los waarmee de draadvorm is bevestigd aan de spanpoelie.
    Graphic
    G590110
  7. Verwijder de spanpoelieveer van de maaidekhaak met een veerverwijderaar (Toro onderdeelnr. 92-5771) om de spanning van de spanpoelie te nemen.
    Waarschuwing
    De veer is onder spanning gemonteerd en kan lichamelijk letsel veroorzaken.
    Wees voorzichtig als u de riem verwijdert.
     
    Graphic
    G298026
    1.  Spanpoelie
    2.  Drijfriem van maaidek
    3.  Dekpoelie
    4.  Veer
    5.  Motorpoelie
    6.  Veerverwijderaar
  8. Rol de riem van de poelies af.
  9. Leg de nieuwe riem rond de motorpoelie en de poelies van het maaidek.
  10. Gebruik een veerverwijderaar en plaats de spanpoelieveer terug op de maaidekhaak om spanning op de spanpoelie en riem te zetten.
  11. Voor maaidekken van 127 cm: draai de moer vast waarmee de draadvorm is bevestigd aan de spanpoelie.
    Opmerking: Plaats de draadvorm tegen de arm van de spanpoelie.
    Graphic
    G590110
  12. Monteer de kappen van de poelies.
  13. Draai de bouten vast waarmee de afdekking van het maaidek is bevestigd.

Het maaidek onderhouden

Veiligheid van de messen
  • Controleer op gezette tijden de maaimessen op slijtage of beschadigingen.
  • Wees voorzichtig als u de messen controleert. Omwikkel de maaimessen of draag handschoenen en wees voorzichtig als u er onderhoudswerkzaamheden aan verricht. U moet beschadigde maaimessen vervangen, u mag ze nooit recht proberen te maken of eraan lassen.
  • Let op dat bij machines met meerdere maaimessen andere messen kunnen gaan draaien doordat u één mes draait.
  • Vervang versleten of beschadigde messen en bouten altijd als complete set om een goede balans te behouden.
Maaimessen onderhouden
Om een goed maairesultaat te verkrijgen, moet u de maaimessen scherp houden. Om het slijpen en vervangen te vergemakkelijken, is het handig extra messen in voorraad te hebben.
Vervang messen die een vast voorwerp hebben geraakt of uit balans of krom zijn.
Vóór controle en onderhoud van de maaimessen
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Maak de bougiekabels los van de bougies.
Controle op kromme messen
De machine moet op een egaal oppervlak staan voor deze procedure.
  1. Zet het maaidek op de hoogste maaipositie.
  2. Trek dikke handschoenen of andere adequate handbescherming aan en draai langzaam het mes in een stand die meting mogelijk maakt van de afstand tussen de maairand en het egale oppervlak.
    Graphic
    G451424
  3. Meet vanaf het uiteinde van het mes tot het egale oppervlak.
    Graphic
    G451422
    1.  Mes, in meetstand
    2.  Vlakke ondergrond
    3.  Gemeten afstand tussen mes en de ondergrond (A)
  4. Draai hetzelfde mes 180 graden, zodat de mesrand aan de andere kant nu in dezelfde stand staat.
    Graphic
    G451423
    1.  Vorige gemeten mesrand
    2.  Tegenoverliggende mesrand
  5. Meet vanaf het uiteinde van het mes tot het egale oppervlak.
    Graphic
    G451422
    1.  Mes, in meetstand
    2.  Vlakke ondergrond
    3.  Gemeten afstand tussen mes en de ondergrond (B)
  6. Als het verschil tussen A en B groter is dan 3 mm, vervang dan het mes.
    Opmerking: Als u het mes vervangt en het verschil blijft groter dan 3 mm, dan kan de bladspil verbogen zijn. Neem contact op met een erkende onderhoudsdealer voor service.
  7. Herhaal deze procedure voor elk mes.
De maaimessen verwijderen
  1. Pak het uiteinde van het mes vast met een doek of een dikke handschoen.
  2. Verwijder het mes zoals afgebeeld.
    Graphic
    G451425
De maaimessen slijpen
    Graphic
    G000552s
  1. Gebruik een vijl om de snijranden aan beide uiteinden van het mes te slijpen. Zorg ervoor dat de oorspronkelijke hoek behouden blijft .
    Opmerking: Verwijder evenveel materiaal van beide snijranden zodat het mes in balans blijft.
  2. Graphic
    G000553s
  3. Controleer de balans van het mes met een mesbalans .
    Opmerking: Als het mes horizontaal blijft, is het in balans en geschikt voor gebruik.
    Als het mes niet in balans is, moet u wat metaal afvijlen van het uiteinde van de vleugel.
  4. Herhaal dit indien nodig totdat het mes in balans is.
De maaimessen monteren
Waarschuwing
Als een machine wordt gebruikt na onjuiste montage van de meseenheid en/of het gebruiken van messen en bevestigingsmiddelen die niet van Toro zijn, kan een mes(onderdeel) uit het maaidek worden geworpen, wat ernstig of fataal letsel kan veroorzaken.
Monteer altijd originele maaimessen en bevestigingsmiddelen van Toro, volgens de aanwijzingen.
 
    Graphic
    G451425
  1. Installeer het mes zoals weergegeven.
    Opmerking: Het gebogen deel van het mes moet naar de binnenzijde van de maaikast wijzen om een goede maaikwaliteit te garanderen.
  2. Draai de mesbout vast met een torsie van 81 tot 108 N·m.
Maaidek horizontaal stellen
Controleer of het maaidek horizontaal staat telkens wanneer u het maaidek installeert of wanneer u een ongelijke maaiplek in uw gras ziet.
Opmerking: Uw maaidek kan afwijken van de versie die in de volgende procedures getoond wordt.
Het maaidek voorbereiden op waterpas stellen
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Zorg ervoor dat de banden de juiste spanning hebben en dat de zwenkwielen recht naar voren staan.
  4. Controleer of er verbogen maaimessen zijn; verwijder en vervang eventueel verbogen maaimessen.
  5. Zet het maaidek omhoog tot een maaihoogte van 76 mm.
De maaidekhoogte controleren
    Graphic
    G414698
  1. Plaats de messen naast elkaar.
  2. Meet bij punten  en de afstand tussen een horizontaal oppervlak en de snijranden van de maaimessen .
    Het verschil tussen de metingen mag niet meer dan 5 mm zijn. Als de afstand groter is, pas dan het niveau aan de zijkant aan.
  3. Graphic
    G414700
  4. Plaats 1 blad van voor naar achter.
  5. Meet bij punten  en de afstand tussen een horizontaal oppervlak en de snijranden van de maaimessen .
    De rand van het voorste mes moet 1,6 tot 7,9 mm lager staan dan de rand van het achterste mes. Als de afstand niet juist is, past u het niveau van voor naar achter aan.
Maaidek horizontaal stellen
  1. Hiervoor moet u de antiscalpeerrollen in de bovenste openingen zetten of ze geheel verwijderen.
  2. Zet de maaihoogtehendel in de 76 mm-stand.
  3. Plaats 2 blokjes met een dikte van 6,6 cm onder elke kant van de voorste rand van het maaidek.
    Belangrijk  
    Plaats de blokken niet onder de beugels van de antiscalpeerrol.
     
    Graphic
    G594506
    1.  Houten blok, 6,6 cm dik
    2.  Houten blok, 7,3 cm dik
  4. Plaats 2 blokjes met een dikte van 7,3 cm onder elke kant van de achterste rand van het maaidek.
  5. Stel het niveau van de breedterichting af indien nodig:
    1. Verwijder de R-pen en de ring van de onderste linker pen van de hefarm.
      Graphic
      G590926
    2. Draai de maaihoogteplaat naar een andere opening zodat deze het gewicht van het maaidek ondersteunt nadat u de plaat hebt geïnstalleerd.
      Graphic
      G294195s
    3. Monteer de ring en de R-pen.
    4. Herhaal deze afstelling aan de andere zijde van de machine.
    5. Controleer het niveau van de breedterichting opnieuw en stel dit opnieuw af totdat de juiste metingen worden verkregen.
  6. Stel het niveau van de lengterichting bij indien nodig:
    1. Draai de stelmoer in de voorkant van de maaier.
      Om de voorkant van het maaidek hoger te zetten, draait u de stelmoer vaster. Om de voorkant van het maaidek lager te zetten, draait u de stelmoer losser.
      Graphic
      G590967
    2. Controleer het niveau van de lengterichting opnieuw en stel dit opnieuw af totdat de juiste metingen worden verkregen.
  7. Controleer of het maaidek horizontaal is en pas het zo nodig verder aan.
Het maaidek verwijderen
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Zet de maaihoogtehendel in de laagste stand.
  4. Maak de afdekking van het maaidek los.
  5. Verwijder de R-pen uit de voorste steunstang en neem de stang uit de beugel van het maaidek.
    Graphic
    G590968
    1.  Voorste steunstang
    2.  Beugel van het maaidek
  6. Laat de voorkant van het maaidek voorzichtig neer op de grond.
  7. Verwijder de ring en de R-pen van de maaidekpen aan beide zijden van de machine.
    Graphic
    G590928
  8. Verwijder de hefarm van de maaidekpen.
  9. Zet de maaihoogtehendel in de hoogste stand.
  10. Schuif het maaidek naar achteren om de drijfriem van het maaidek te verwijderen van de motorpoelie.
  11. Schuif het maaidek weg van onder de machine.
    Opmerking: Bewaar alle onderdelen voor latere montage.
Het maaidek monteren
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Schuif het maaidek onder de machine.
  4. Zet de maaihoogtehendel in de laagste stand.
  5. Til aan beide kanten van de machine de achterkant van het maaidek op en monteer de hefarm aan de maaidekpen.
    Graphic
    G590928
  6. Gebruik de ring en de R-pen die u eerder verwijderd hebt om de arm aan de pen te bevestigen.
  7. Gebruik de R-pen die u eerder verwijderd hebt om de maaidekbeugel aan de voorste steunstang te bevestigen.
    Graphic
    G590968
    1.  Voorste steunstang
    2.  Beugel van het maaidek
  8. Plaats de drijfriem op de motorpoelie.
  9. Draai de bouten vast waarmee de afdekking van het maaidek is bevestigd.
  10. Controleer of het maaidek waterpas staat.
Grasgeleider vervangen
Gevaar
Een open uitwerpopening kan objecten naar u en mensen in de buurt werpen. Daarnaast kunt u ook in contact komen met het mes. Uitgeworpen objecten of aanraking van maaimessen leiden tot ernstig letsel of de dood.
Gebruik de machine niet als de grasgeleider in de geheven stand staat, verwijderd is of gewijzigd is, tenzij er een grasvanger of mulchset gemonteerd is en goed werkt.
 
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Verwijder de moer van de stang onder het maaidek.
    Graphic
    G451625
    1.  Maaidek
    2.  Schot
    3.  Grasgeleider
    4.  Grasgeleiderspil
    5.  Stang
    6.  Veer
    7.  Moer
    8.  Scharnierbeugel
  4. Schuif de stang eruit.
  5. Verwijder een beschadigde of versleten grasgeleider en het schot.
  6. Monteer de nieuwe grasgeleider en het schot.
  7. Schuif het rechte uiteinde van de stang door de achterste grasgeleiderspil en het schot.
  8. Plaats de veer op de stang, met de einddraden omlaag, tussen de beugels van de grasgeleider.
  9. Schuif de stang door het schot en de tweede spil van de grasgeleider.
  10. Schuif de stang bij de voorzijde van de grasgeleider door de scharnierbeugel op het maaidek.
  11. Gebruik de moer om de achterzijde van de stang aan de maaier te bevestigen.
    Belangrijk  
    De grasgeleider moet onder veerspanning omlaag worden gehouden. Til de grasgeleider omhoog om te controleren of deze volledig omlaag klapt.
     

Reinigen

De onderkant van het maaidek reinigen
Belangrijk  
U kunt het voertuig met een mild reinigingsmiddel en water wassen. Was de machine nooit met een hogedrukreiniger. Gebruik niet te veel water, vooral niet in de buurt van het bedieningspaneel, onder de stoel en rond de motor, de hydraulische pompen en de motors.
 
Nadat u de maaimachine heeft gebruikt, moet u de onderkant van het maaidek telkens wassen om te voorkomen dat er zich gras verzamelt. Hierdoor wordt gras beter fijn gemaakt en het maaisel beter verstrooid.
  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de messchakelaar uit en zet de rijhendels naar buiten in de Parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. Graphic
    g020098s
  4. Sluit een slang aan op de slangkoppeling, verbind de slangkoppeling met het uiteinde van de wasaansluiting van de maaier en draai de kraan wijd open.
    Opmerking: Smeer vaseline op de O-ring van de wasaansluiting om de koppeling gemakkelijker te bevestigen en de O-ring te beschermen.
  5. Ga op de stoel zitten, laat de maaier naar de laagste maaistand. zakken en start de motor.
  6. Schakel de aftakas in en laat de machine één tot drie minuten lopen.
  7. Zet de maaischakelaar UIT, stop de motor, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen.
  8. Draai de kraan dicht en maak de snelkoppeling los van de wasaansluiting.
    Opmerking: Als de maaimachine na 1 wasbeurt niet schoon is, moet u deze 30 minuten laten inweken. Herhaal daarna deze procedure.
  9. Laat de motor opnieuw één tot drie minuten lopen om het overtollig water te verwijderen.
    Waarschuwing
    Een gebroken of ontbrekende wasaansluiting kan voorwerpen uitwerpen of contact met het maaimes veroorzaken, waardoor u en anderen letsel kunnen oplopen. Contact met een maaimes of uitgeworpen voorwerpen kan ernstig lichamelijk of dodelijk letsel veroorzaken.
    • Een gebroken of ontbrekende wasaansluiting moet direct worden vervangen, voordat u de machine opnieuw gebruikt.
    • Steek nooit uw handen of voeten onder de maaier of door openingen in de machine.
     
Afval afvoeren
Motorolie, accu's, hydraulische vloeistof en motorkoelvloeistof verontreinigen het milieu. Verwijder deze stoffen volgens de plaatselijke voorschriften.

 
 
 
Opslag
 

Veiligheid tijdens opslag

  • Parkeer de machine op een gelijke ondergrond, schakel de aandrijvingen uit, stel de parkeerrem in werking, zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat.
  • Wacht totdat de machine is afgekoeld, voordat u de machine afstelt, met brandstof vult, reinigt, stalt of er onderhoudswerkzaamheden aan verricht.
  • Verwijder gras en vuil van de maai-eenheid, de geluiddemper, de aandrijvingen, de grasvanger en de motor om brand te voorkomen.
  • Verwijder gemorste olie en brandstof en met brandstof doortrokken rommel.
  • Bewaar de machine en het brandstofvat niet op plaatsen waar open vlammen, vonken of waakvlammen (bv. van een boiler of een ander toestel) aanwezig kunnen zijn.

De machine voorbereiden op opslag van meer dan 30 dagen

  1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand.
  2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
  3. De machine reinigen.
    Belangrijk  
    U kunt het voertuig met een mild reinigingsmiddel en water wassen. Maak de machine niet schoon met een hogedrukreiniger. Gebruik niet te veel water, zeker niet in de buurt van het aandrijfsysteem en de motor. Gebruik geen hogedrukreiniger. Hierdoor kunnen vuil en water essentiële onderdelen binnendringen, zoals lagers en elektrische schakelaars.
     
    1. Maaisel, vuil en vet van de buitenkant van de gehele machine verwijderen, met name van de motor.
    2. Schraap dik aangekoekt gras en vuil van de onderkant van de maaimachine. Spoel vervolgens de machine schoon met een tuinslang.
    3. Laat de machine na het wassen 2 tot 5 minuten met ingeschakelde aftakasschakelaar en de motor bij een hoog toerental lopen.
  4. Werking van de parkeerrem controleren.
  5. De machine smeren.
  6. Controleer de bandenspanning.
  7. Laad de accu op.
  8. Controleer de conditie van de maaimessen.
  9. Bereid het brandstofsysteem voor.
    1. Voeg een brandstofstabilisator/conditioner op aardoliebasis toe aan de brandstof in de tank. Gebruik geen brandstofstabilisator op alcoholbasis (ethanol of methanol).
    2. Laat de motor 5 minuten lopen om de brandstofstabilisator/conditioner door het brandstofsysteem te verspreiden.
    3. Zet de motor af, laat hem afkoelen, en laat de brandstoftank leeglopen met een sifonpomp of laat de motor lopen totdat die afslaat.
    4. Voer brandstof op de juiste manier af volgens de plaatselijk geldende voorschriften.
      Belangrijk  
      Bewaar brandstof die stabilisator/conditioner bevat niet langer dan aanbevolen door de fabrikant van de brandstofstabilisator.
       
  10. Bereid de motor voor.
    1. Geef het luchtfilter een onderhoudsbeurt.
    2. Ververs de motorolie; voer de oude olie af volgens de plaatselijk geldende voorschriften.
    3. Verwijder de bougies en giet 30 ml (2 eetlepels) motorolie in de bougiegaten.
    4. Plaats een doek over de bougiegaten om eventuele olienevel op te vangen, start de motor en verdeel de olie in de cilinder.
    5. Monteer de bougies, maar monteer de draden niet.
  11. Verwijder de accu of maak de negatieve (-) accukabel los.
    Opmerking: Bewaar de accu op een koele, droge plaats, waar die niet wordt blootgesteld aan een extreme temperatuur of water. Houd de accu volledig opgeladen, vooral bij een temperatuur die lager is dan 0°C.
  12. Controleer alle bevestigingen en zet ze vast. Repareer of vervang versleten, beschadigde of ontbrekende onderdelen.
  13. Werk alle krassen of afgebladderde metaaloppervlakken bij met lak die verkrijgbaar is bij uw erkende servicedealer.
  14. Stal de machine in een schone, droge garage of opslagruimte. Dek de machine af om die te beschermen en schoon te houden.

De accu stallen

Opmerking: Volg de onderstaande tips om de accu goed te stallen
  • Als u de machine langer dan 30 dagen stalt, moet u de accu verwijderen en volledig opladen.
  • U moet de accu apart opslaan of in de machine laten zitten.
  • De accukabels mogen niet aangesloten zijn op de accu als u deze in de machine opslaat.
  • Sla de accu op in een koele omgeving om te voorkomen dat de accu snel ontlaadt.
  • Om te voorkomen dat de accu bevriest, moet deze volledig zijn opgeladen.
  • Het soortelijk gewicht van een volledig opgeladen accu is 1,265-1,299.
Tips voor het bewaren van de accu
Als u de accu bewaart buiten de machine, moet u het volgende doen:
  • Bewaar de accu rechtop in een koele, droge omgeving.
  • Bewaar accu's niet op elkaar, tenzij ze in een doos zitten.
  • Stapel niet meer dan 3 accu's op elkaar (of 2 als het om accu's voor professioneel gebruik gaat).
  • Test een natte accu om de 4 tot 6 maanden en laad de accu indien nodig.
  • Test en laad de accu altijd op voor montage.

 
 
 
Problemen oplossen
 

De brandstoftank is ingedeukt of de machine raakt regelmatig zonder brandstof.
Mogelijke oorzaak
Corrigerende maatregel
Het papierelement van het luchtfilter is verstopt.
  1. Reinig het papierelement.
De motor raakt oververhit.
Mogelijke oorzaak
Corrigerende maatregel
De motor is te zwaar belast.
  1. De rijsnelheid verminderen.
Het oliepeil in het carter is te laag.
  1. Het carter met olie vullen.
De koelribben en luchtkanalen onder de ventilatorbehuizing van de motor zijn verstopt.
  1. Verwijder de obstructie uit de koelribben en luchtkanalen.
Het luchtfilter is vuil.
  1. Reinig of vervang het luchtfilterelement.
Vuil, water of oude brandstof in het brandstofsysteem.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
De startmotor slaat niet aan.
Mogelijke oorzaak
Corrigerende maatregel
De maaimesschakelaar is ingeschakeld.
  1. Schakel de aftakas uit.
De rijhendels staan niet in de parkeer-stand.
  1. Zet de rijhendels in de parkeer-stand.
De accu is leeg.
  1. De accu opladen.
De elektrische aansluitingen zijn gecorrodeerd of zitten los.
  1. Controleer of de elektrische aansluitingen goed contact maken.
Een van de zekeringen is doorgebrand.
  1. Vervang de zekering.
Een van de relais of schakelaars is defect.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
De motor start niet, start moeilijk of slaat af.
Mogelijke oorzaak
Corrigerende maatregel
De brandstoftank is leeg.
  1. Vul de brandstoftank.
De choke (indien aanwezig) staat niet aan.
  1. Zet de chokehendel in de aan-stand.
Het luchtfilter is vuil.
  1. Reinig of vervang het luchtfilterelement.
De bougiekabel(s) zit(ten) los of is (zijn) niet aangesloten.
  1. De bougiekabel(s) op de bougie monteren.
De bougie(s) is (zijn) aangetast, vuil, of de elektrodenafstand is niet correct afgesteld.
  1. Nieuwe bougie(s) met een correct afgestelde elektrodenafstand monteren.
Er zit vuil in het brandstoffilter.
  1. Vervang het brandstoffilter.
Vuil, water of oude brandstof in brandstofsysteem.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
Verkeerde brandstof in de tank.
  1. Brandstoftank aftappen en vullen met het juiste type brandstof.
Het oliepeil in het carter is te laag.
  1. Vul het carter met olie.
De motor verliest vermogen.
Mogelijke oorzaak
Corrigerende maatregel
De motor is te zwaar belast.
  1. De rijsnelheid verminderen.
Het luchtfilter is vuil.
  1. Reinig het luchtfilterelement.
Het oliepeil in het carter is te laag.
  1. Vul het carter met olie.
De koelribben en luchtkanalen onder de ventilatorbehuizing van de motor zijn verstopt.
  1. De koelribben en luchtkanalen ontstoppen.
De bougie(s) is (zijn) aangetast, vuil, of de elektrodenafstand is niet correct afgesteld.
  1. Nieuwe bougie(s) met een correct afgestelde elektrodenafstand monteren.
De ontluchting van de brandstoftank is verstopt.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
Er zit vuil in het brandstoffilter.
  1. Brandstoffilter vervangen.
Vuil, water of oude brandstof in het brandstofsysteem.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
Verkeerde brandstof in de tank.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
De machine drijft niet aan.
Mogelijke oorzaak
Corrigerende maatregel
De omloopkleppen zijn open.
  1. Sluit de sleepkleppen.
De tractieriemen zijn versleten, los of stuk.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
De tractieriemen zitten niet op de poelies.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
De transmissie is uitgevallen.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
De machine trilt abnormaal.
Mogelijke oorzaak
Corrigerende maatregel
Het maaimes (de maaimessen) is (zijn) verbogen of niet in balans.
  1. Nieuwe maaimes(sen) monteren.
De bevestigingsbout van het maaimes zit los.
  1. De bevestigingsbout van het maaimes vastdraaien.
De bevestigingsbouten van de motor zitten los.
  1. De bevestigingsbouten van de motor vastdraaien.
De motorpoelie, spanpoelie of mespoelie zit los.
  1. Desbetreffende poelie vastzetten.
De motorpoelie is beschadigd.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
Mesas verbogen.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
De motorophangplaat zit los of is versleten.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
De maaihoogte is ongelijk.
Mogelijke oorzaak
Corrigerende maatregel
Maaimes(sen) bot.
  1. Mes(sen) slijpen.
Maaimes(sen) verbogen of niet in balans.
  1. Nieuwe maaimessen monteren.
Het maaidek staat niet horizontaal.
  1. Maaidek horizontaal stellen en in de correcte schuinstand stellen.
Een antiscalpeerwiel (indien aanwezig) is niet correct afgesteld.
  1. Hoogte van antiscalpeerwiel afstellen.
De onderkant van het maaidek is vuil.
  1. Reinig de onderkant van het maaidek.
De bandenspanning is niet correct.
  1. De banden op de juiste spanning brengen.
Mesas verbogen.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
Messen draaien niet.
Mogelijke oorzaak
Corrigerende maatregel
De aandrijfriem is versleten, los of stuk.
  1. Een nieuwe drijfriem monteren.
De drijfriem zit niet op de poelie.
  1. Drijfriem monteren en assen en riemgeleiders op juiste stand controleren.
De schakelaar van de aftakas of de aftakkoppeling is defect.
  1. Neem contact op met een erkende servicedealer.
De drijfriem van het maaidek is versleten, los of stuk.
  1. Een nieuwe drijfriem monteren.

 
 
 
Schema's
 

Elektrisch schema
Graphic
G591631